Biomedisch gebruik van radio-isotopen, radioprotectie en bioveiligheid (E04E7B)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken



Algemeen

De student verwerft een grondige kennis over radioactiviteit, ioniserende straling en de effecten ervan op levende systemen, alsook algemene bioveiligheid (genetisch gemanipuleerd materiaal, pathogenen, afvalverwerking). Van daaruit begrijpt de student maatregelen van radioprotectie en bioveiligheid, alsook mogelijke toepassingen van radio-isotopen in de geneeskunde. Deze basiskennis moet de student in staat stellen op een verantwoorde manier met straling, isotopen en biologische materialen om te gaan.


Examenvorm

Schriftelijk examen

Examenonderdelen:

  • deel 1: stralingsfysica, radioprotectie, medische toepassingen (Prof. K. Goffin) - 3 vragen
  • deel 2: radiobiologie, radiotoxicologie, radiofarmaca, bioveiligheid (Prof. K. Verbeke) - 3 vragen

Weging van de deelpunten:

  • deel 1: 10/20
  • deel 2: 10/20

Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)



Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen.)

Examenvragen tot '12

Examenvragen_Radioisotopen_Verbeke

Examenvragen_Radioisotopen_Van_Laere

Examenvragen '12-'13

K. Verbeke

  1. Welke stralingsschade loop je op bij bestraling van de darm?
  2. Welke methoden worden gebruikt voor voorspellen van genetische effecten bij de mens ?
  3. Bespreek de biodistributie van jodium.
  4. Over welke gegevens beschikt men om stochastische effecten te bestuderen?
  5. Types veiligheidskasten + milieu, mens, experiment.
  6. Bespreek de grafiek RBE in functie van LET en plaats alfa/kobalt (= bèta straling)/neuronen/UV op deze grafiek.
  7. Welke factoren bepalen de RBE?
  8. Hoe kan je risico bepalen van tumorinductie?
  9. Leg het metabolisme en toxiciteit uit van uranium. Als je U-...(T1/2=4,5 * 10^7 en U-...(T1/2=2,5 * 10^4) hebt, welke is dan het meeste toxisch?
  10. Leg het lineair-kwadratisch model uit en welke informatie kunnen we daar uit afleiden?
  11. Vergelijk de toxiciteit van Pu-239 en Am-241.
  12. Leg volgende begrippen uit: Renogram, technegas, Meckel diverticulum, ..., ...
  13. De behandeling van een tumor wordt vaak met gefractioneerde bestraling gedaan. Geef de voor- en nadelen hiervan. (en licht toe)
  14. Welke factoren bepalen de toxiciteit.
  15. Vier stelling Juist/Fout + uitleg over de modellen bij risico op stochastische effecten:a)Verdubbelingsdosis dient om risico op tumorinductie weer te geven. b)De verdubbelingsdosis voor de mens bedraagt 20mSv. c)Voor de bepaling van het risico op genetische afwijkingen heeft men vooral beroep gedaan op overlevenden van atoombommen. d) Het relatief risicomodel voor het risico op tumorinductie houdt in dat straling slechts één van de factoren is die dit risico bepaalt.
  16. Rangschik volgens toxiciteit: U-235; I-123; H-3; P-32 (je krijgt type straling en energie of T1/2 gegeven).
  17. Geef 3 radionucliden die gebruikt kunnen worden als radiofarmaca en geef een toepassing.
  18. Bespreek de stralingseffecten op het hart en de bloedvaten
  19. Natuurlijk uranium is meer chemotoxisch dan radiotoxisch; leg uit - wat is natuurlijk uranium- Wat bedoelt men met de chemotoxiciteit en de radiotoxiciteit en waarom is deze meer chemotoxisch?
  20. 5 radiofarmaca geven voor: - maaglediging onderzoek - longventilatie -Glomerulaire filtratie -Linkerventrikkel - Hersenperfusie
  21. Bespreek de effecten van straling thv het ileum adhv het compartimentmodel.
  22. Hoe groot is het risico op genetische effecten als gevolg van straling? Hoe wordt het risico bepaald?
  23. Beschrijf het biologisch gedrag van 99mTcO4- na intraveneuze injectie en leid daaruit de mogelijke toepassingen af.
  24. Geef de verschillen tussen interfasedood en mitosedood weer in schema vorm.
  25. Een ongekend radionuclide Galium ga je gebruiken in het laboratorium. (Pipeteren, centrifugeren, ...) Wat ga je hierover allemaal opzoeken op het internet alvorens je hier mee begint te werken? Wat zou je allemaal in overweging nemen indien je dit aan een patiënt wenst toe te dienen.

K. Goffin

  1. Bespreek de lineaire attenuatiecoefficient (grafieken, waarom attentuatie optreedt...)
  2. Wat is radionuclidetherapie + 2 toepassingen?
  3. Een berekening van D, H, E en de limieten voor beroepshalve blootgestelde personen.
  4. Leg positron verval uit, geef een voorbeeld + (biomedische) toepassing.
  5. Leg het principe van de gamma camera uit en SPECT , vergelijk SPECT met PET (welke radionuclide, sensitiviteit, resolutie)
  6. leg elektron verval uit en geef een medische toepassing van elektronverval.
  7. leg F18-fluorodeoxyglucose in PET uit (doel, principe,..)
  8. je geabsorbeerde dosis is 1 (of 4) gray, je hebt een lever van 2 kg en de weefselwegingsfactor is 0,05 (of 0.04). bereken de afgezette energie, de equivalente dosis en de effectieve dosis. Geef ook de 3 dosis-eenheden aan. Wat zijn de limieten voor beroepshalve blootgestelde personen.
  9. Wat is de stabiliteitslijn? Leg uit aan de hand van een grafiek. Welke soorten straling kunnen voorkomen? Duidt deze aan op de grafiek en geef van elke straling een voorbeeld dat klinisch kan gebruikt worden.
  10. Wat is skeletscintigrafie? Geef het doel en het principe. Welke potentiële voordelen heeft SPECT/CT hierbij? Op welke voorbeelden is dit van toepassing en waarom? a)skeletmetastasen bij borstkanker; b) lymfomen; c) ontsteking van een knieprosthese d) ... e) pijn in de lage onderrug
  11. Bespreek deze vergelijkingen en het seculair evenwicht. Breng vereenvoudigingen aan waar nodig. Geef de grafiek en geef een voorbeeld.
  12. Bespreek de ionisatiekamer. Wat gebeurt er wanneer men de spanning verhoogt? Geef de grafiek en duid hierop de drie toepassingsgebieden aan. Vergelijk de ionisatiekamer met andere persoonsdosimeters inzake nauwkeurigheid en toepasbaarheid in noodsituaties.
  13. Geef drie voorbeelden van nucleaire onderzoeken van de hersenen en licht het principe toe.
  14. Hoe werkt een Gammacamera en vergelijk PET (en SPECT). Geef twee radionucliden voor elke die men in therapie of diagnose gebruikt. Wat kan men hiermee onderzoeken?
  15. Geef de dosislimieten voor de gewone bevolking? Wat is het risico op fatale kankers voor de gewone bevolking, en wat is de toename voor stralingswerkers bij maximale dosis? Wat is de LLE?
  16. Bespreek de natuurlijke bronnen van ioniserende straling met opgave van het soort straling en de stralingsbelasting die ze veroorzaken. Geef voorbeelden.
  17. Bespreek kort het principe van thermoluminiscentie en de toepassing ervan in dosimetrie. Vergelijk met andere vormen van persoonsdosimetrie qua toepassing en nauwkeurigheid.
  18. Bespreek principe en doel van 18F-FDG PET. Welke factoren beïnvloeden verdeling in het lichaam? (Intense fysieke activiteit de dag voor de beeldvorming/insuline level in bloed/glucose level in bloed/ blaascatherisatie)
  19. Bespreek de nucleaire toepassing voor hartonderzoeken (leg het principe ook uit.
  20. Leg kort uit wat de fatale-kanker- en niet-fatale-risico-coëfficiënt zijn. Hoe groot is het risico bij een bestraling van 5mSV bij fatale-kanker?

Examenvragen januari 2014

Verbeke:

1. De behandeling van een tumor wordt vaak met gefractioneerde bestraling gedaan. Geef de voor- en nadelen hiervan. (en licht toe)

2. Geef de verschillen tussen interfasedood en mitosedood weer in schema vorm.

3. Een ongekend radionuclide Galium ga je gebruiken in het laboratorium. (Pipeteren, centrifugeren, ...) Wat ga je hierover allemaal opzoeken op het internet alvorens je hier mee begint te werken? Wat zou je allemaal in overweging nemen indien je dit aan een patiënt wenst toe te dienen?

Goffin:

1. Je geabsorbeerde dosis is 1 (of 4) gray, je hebt een lever van 2 kg en de weefselwegingsfactor is 0,05 (of 0.04). bereken de afgezette energie, de equivalente dosis en de effectieve dosis. Geef ook de 3 dosis-eenheden aan. Wat zijn de limieten voor beroepshalve blootgestelde personen.

2. Hoe werkt een Gammacamera en vergelijk PET. Geef twee radionucliden voor elke die men in therapie of diagnose gebruikt. Wat kan men hiermee onderzoeken?

3. Wat is de stabiliteitslijn? Leg uit aan de hand van een grafiek. Welke soorten straling kunnen voorkomen? Duidt deze aan op de grafiek en geef van elke straling een voorbeeld dat klinisch kan gebruikt worden.


15/01


Goffin:

1. Welke processen zijn verantwoordelijk voor attenuatie? + iets vertellen over de energie + bijvraagje over halfwaarde dikte.

2. Bespreek de thermoluminiscentie en vergelijk met andere persoonsdosimeters.

3. Bespreek gammacamera en PET. Geef voor elk 2 radiofarmaca en een klinische toepassing

Verbeke:

1. Welke stralingsschade kan er optreden bij bestraling van de darm?

2. Bespreek epidemologische studies.

3. Bespreek veiligheidskasten

Examenvragen januari 2015

12/01


Goffin:


1) Stabiliteitslijn: uitleggen aan de hand van grafiek aantal protonen versus het aantal neutronen. De straling er op aanduiden en van elke straling een voorbeeld geven en zeggen hoe dit kan gebruikt worden in klinische toepassing.

2) Oefening: energie, equivalente dosis en effectieve dosis berekenen. Dosislimieten geven voor beroepshalve blootgestelde personen en erbij vermelden om welke soort dosis het gaat (effectieve/equivalente..)

3) Gammacamera en PET uitleggen. Ook het verschil in radionucliden. Voor zowel gamma als PET 2 voorbeelden geven van radionucliden + klinische toepassing.


Verbeke:


1) Tumoren worden vaak bestraald met gefractioneerde bestraling. Wat zijn voor- en nadelen van gefractioneerde bestraling?

2) Mitosedood versus interfasedood.

3) a) Je hebt een radioactieve stof Gallium-67 en je wil hier experimenten mee uitvoeren, maar je weet er niets over. Je hebt wel internet tot beschikking. Wat doe je? b) Wanneer mag je dit aan een patiënt geven?


15/01


Goffin:


1. Welke processen zijn verantwoordelijk voor attenuatie? + iets vertellen over de energie + bijvraagje over halfwaarde dikte.

2. Bespreek de thermoluminiscentie en vergelijk met andere persoonsdosimeters.

3. Bespreek gammacamera en PET. Geef voor elk 2 radiofarmaca en een klinische toepassing


Verbeke:


1. Welke stralingsschade kan er optreden bij bestraling van de darm?

2. Bespreek epidemologische studies.

3. Bespreek veiligheidskasten