Biostatistiek en epidemiologie (E06Y7A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken


Algemeen

De student verwerft kennis in de basismethodes van de biostatistiek en de epidemiologie. Hij/zij kent en gebruikt de gangbare terminologie in dit veld. Aan het einde van dit opleidingsonderdeel is de student in staat om informatie op te zoeken via literatuur en databanken omtrent de socio-demografische factoren die ziektes beinvloeden, de risico factoren, om uiteindelijk de etiologie van bepaalde ziektes beter te kunnen begrijpen, de mogelijke screeningsmethodes en de verschillende behandelingsmethodes te evalueren. De student is in staat deze informatie kritisch te beoordelen, a.h.v. zijn/haar kennis omtrent de statistische en epidemiologische methodes. De student kan de nodige basis analyzes uitvoeren, gebruik makend van statistische programma's (zoals "Statistica"). De student is in staat om resultaten of bevindingen (uit databanken en andere bronnen) te rapporteren naar zijn/haar gelijken, zorgverleners, alsook op een begrijpbare manier naar de patient toe. De student is voorbereid om uiteindelijk zelf een hypothese te ontwikkelen, een onderzoeksproject of vraagstelling te formulieren.

  • 2sp: Inleiding tot de biostatistiek (Geert Molenberghs)

1. Populatiesurveys in de volksgezondheid, met case studie: de Belgische gezondheidsenquête 2. Statistische methodologie voor de klinische studie en inferentieparadigma’s (likelihood, Bayesiaans, frequentistisch) 3. Herhaalde metingen in klinische studies en populatiestudies 4. Ontbrekende gegevens in klinische studies en populatiestudies 5. Grondbeginselen van de overlevingsanalyse, gericht op klinische studies en populatiestudies 6. Werkzitting: Herhaalde metingen en ontbrekende gegevens in klinische studies en populatiestudies (met het statistische pakket Statistica) 7. Werkzitting: Overlevingsanalsyse in klinische studies en populatiestudies (met het statistische pakket Statistica)

  • 2sp: Inleiding tot de epidemiologie (Aertgeerts Bert | Goderis Geert | Soubry Adelheid)

1. Basisconcepten in de epidemiologie (deel 1). 2. Basisconcepten in de epidemiologie (deel 2). Deel 1 en 2 omvatten o.a.: populaties, mortaliteit, morbiditeit, incidentie, causaliteit, confounding, effect modificatie, associaties, risk, OR, RR, standaardizatie, validiteit, ... 3. Study design en implementatie van epidemiologische studies (deel 1). 4. Study design en implementatie van epidemiologische studies (deel 2). 3 and 4 omvatten o.a.: cohort, case-control, cross-sectional, longitudinale studies, interventie studies, randomized trials, ... 5. Interactiecollege: Bespreken van wetenschappelijke artikels rond een actueel onderwerp of prominent thema in de epidemiologie; de volgende discussiepunten komen aan bod: study design, mogelijke bias, confounding, effect modificatie, associaties, causaliteit, risk, ... 6. Klinische diagnostiek en diagnostische meta-analyses. 7. Case studie: het INTEGO project.

Examenvorm

Type : Examen tijdens de examenperiode Evaluatievorm : Schriftelijk Vraagvormen : Meerkeuzevragen Leermateriaal : Geen

Multiple choice examen met giscorrectie (2 delen: biostatistiek en epidemiologie; ongeveer evenveel vragen per deel, deze 2 OLA's wegen evenveel door)

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen.)


- De werkzittingen van biostatistiek zijn nuttig.

- Begin op tijd met de weblectures dat je hier tijdens de blok geen tijd meer mee verliest. Je hebt je tijd echt nodig voor ziektemechanismen, heelkundig zorgtraject en menselijk bewegingsstelsel op dat moment!

Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

File:Biostatistiekenepidemiologie4sp.pdf


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen.)

Examenvragen 2014-2015

Welke studie kan men uitvoeren adhv gegevens uit de intego databank? prospectieve studie met vaste cohorte prospectieve studie met dynamische cohorte retrospectieve studie met vaste cohorte retrospectieve studie met dynamische cohorte

Validiteit, wat is juist? specificiteit+sensitiviteit = 1 specificiteit + vals positief testresultaat = 1 specificiteit + vals negatief testresultaat = 1

Wat is verification bias?

Welke uitspraak is juist? als ziekte zeldzaam is zijn OR en RR steeds volledig hetzelfde als ziekte zeldzaam is zijn OR en RR ongeveer hetzelfde c d

Wat is de p-waarde van een Chi kwadraat test mocht je een 2x2 tabel hebben met deze waarden n11:2, n12:1, n21:0 en n22:1 p=0,005 p=0,05 p=0,5 p=1 Bereken de specificiteit en de PPV, genoeg gegevens gegeven om zelf snel een 2X2 tabel op te stellen.

Bereken de LR+ van een bepaalde 2X2 tabel.

Welke test kan men gebruiken om te kijken hoe lang men leeft na besmetting met ebola en of er een verschil is tussen mannen en vrouwen?

Nog meer vragen i.v.m. welke test het best te gebruiken is.

Voorbeeldvragen die letterlijk terug kwamen.

Welke internationale code moet je gebruiken voor het ingeven van diagnoses in de INTEGO databank?

Wat is 'ignorability'?


Examenvragen 2015/2016

Biostatistiek

Biostatistiek Colleges

Deel Molenberghs

Op welke niveau wordt er in de Belgische gezondheidsenquête sampling gedaan? • gemeenten, huishoudens,referentiepersoon • gemeenten, referentiepersoon, andere personen • regio,... • provincie


Uit die enquête: gezin met 2 ouders en 5 kinderen. Het gewicht aan de 2 kinderen: - is groter dan de ouders - gelijk - kleiner - Gebruik van gewichten is hier niet nodig


Waarvoor staat Data Monitoring Commitee? • extern panel • intern panel • mensen van het ziekenhuis/de instelling die niet meedoen aan de testen • mensen van de instelling die ook mee doen aan de testen • patiënten


Clinical equipoise (+ beschrijvende uitleg over dat een nieuwe behandeling tegen een oude wordt getest ofzoiets) • Arts mag deelnemen als hij overtuigd is dat het nieuwe superieur is • Alle collega’s zijn overtuigd van de superioriteit • Artsen zijn overtuigd van superioriteit, maar minstens 1 andere is niet overtuigd • Hij en alle andere collega’s hebben redenen om aan de superioriteit van zowel de nieuwe behandeling (die getest wordt) als de oude te twijfelen.


vraag over een volledige studie die is uitgevoerd en wat er gebeurt als je dan nog extra Multiple imputation bij gaat doen. Wat gebeurt er dan met de precisie? (geen effect/verhogen/verlagen/niet te voorspellen)


Vraag over vrijheidsgraden: H0: mu1=mu2=mu3 hoeveel vrijheidsgraden heeft dit? • 0 • 1 • 2 • 3


Vraag over ignorability: Wat is…


Wat is een kenmerk van surrogate endpoint? • idealiter de sample size verkleinen • Moet altijd de tijd van de studie verkorten • Mag niet van hetzelfde datatype zijn als het werkelijke endopoint • Een surrogate endpoint moet exact dezelfde informatie geven als het werkelijke endpoint (het was iets anders geformuleerd maar het komt er op naar dat dit niet correct is want een surrogaat endpoint kan lichtjes andere informatie geven die wel iets zegt over het werkelijke endpoint. Volgens mij is ‘idealiter de sample size verkleinen’ het juiste antwoord)


Biostatistiek Werkzittingen

Een tiental vragen van het format: Hoeveel stellingen zijn juist.


Epidemiologie

Deel Soubry


1) Voor wat staat IARC? A: International Associaton of Research on Cancer B: International Agency of Research on Clinical trials C: International Agency of Research on Cancer


2) Life span study gaat over : A: Onderzoek waarbij 120000 mensen werden gevolgd om gevolgen van nucleaire blootstelling te bepalen B: verpleegsters in VS die tientallen jaren gevolgd werden C: Onderzoek naar factoren van de moeder die effect hebben op de ontwikkeling van de baby (zoiets in die aard) D Europese tegenhanger van een bepaalde Amerikaanse studie over Atherosclerosis.


3) DOHAD theory = A:Wordt ook wel barkers hypothese genoemd B: enkel nutrionele invloeden tijdens zwangerschap op gezondheid kind C: invloeden op vader en moeder en effect op gezondheid baby... D: invloeden tijdens zwangerschap moeder met cardiovasculaire aandoeningen bij kind tot gevolg


4) vraag over verschil tussen retrospectieve studie en case control en dan 4 stellingen:


5) Bij welke studie was het doel om een ‘sample’ uit de populatie te nemen, en dan de voedingstoestand en de gezondheid van deze populatie na te gaan. Speciaal aan deze studie was dat er zowel medische testen als interviews gedaan werden. - NHANES - NEST - Framingham - Belgische gezondheidsenquete


6) curve met S(t) = Cox regressie en dan aantal stellingen bij


7) Vraag over heterogeniteit: output.


8) Selectiebias in meta analyse kan je nagaan door kiezen tussen theorieën: funnel plot; en variabiliteit neemt toe met dalende sample grootte; en ze moeten symmetrisch rond het gemiddelde liggen. Als antwoordmogelijkheden waren hierop allerlei variaties verzonnen.


9)een zeer ingewikkeld verhaal van prof. Vermeersch waarbij je positieve predicitieve waarde moest berekenen maar uiteindelijk het juiste antwoord er niet tussenstond. Hierbij waren telkens de specificiteit en sensiviteit gegeven.


10) Wat is verwant met de prevalentie? A: wel LR+, maar geen odds ratio B: geen LR+, maar wel odds ratio C: beide D: geen van beide


11)Hoe bereken je het RR? (x/(k+x))/(z/(z+d)) x/(d+k+x+z) x/(k+z)/z/(x+d) xd/kz


12) Welke variabelen staan op de ROC curve? A: PPV en NPV B: LR+ en LR- C: sensitiveit en 1-specificiteit ...


13) schematische (met blokjes en pijlen) weergave van een studie: Welke studie weergegeven? A. open cohort B. gesloten cohort C. population based D. non population based


14) wat is een voorbeeld van een determinant in de epidemiologie? A. aantal zieken in een populatie B. plaats van gebeurtenis C. cultureel kenmerk van D. tijd wanneer ziek worden


15)Wat kan Intego niet aantonen: A. causaliteit B. prevalentie in een bepaalde periode C. incidentie D. evoluties over de tijd

16) Grafiek van uit de slides van longkanker mannen en vrouwen in jaren 19…. zo 4 lijnen met hoeveelheid sigaretten gerookt en aantal longkankers: Antwoorden: samenstelling van 4 volgende dingen (bv alle 4 geldig, enkel 1 en 2,...) • dose respons • temporele respons • drempelwaarde • Reproductivity, replication of the findings

17) Grafiek: Heel mooie kromme met bij limiet nul linksonder en limiet rechtsboven: op de assen log van allergische stof en dan de allergische reactie op y-as? wat toont dit aan? • associatie, maar geen causaliteit? • causaliteit • geen van beide


18) Korte beschrijving van studie. Bij een dropout van meer dan 30%, waarvoor moeten we checken? (Hoeveel juist=antwoord) • dropout gelinkt aan geslacht • dropout gelinkt aan ras • dropout gelinkt aan socioeconomische omstandigheden • dropout gelinkt aan de outcome


19) Uit de voorgaande studie blijkt dat 30% van de blanke vrouwen obesitas hebben en blanke mannen maar 10% ofzo… Wat voor bias is dit? • analyse bias omwille van • misclassificatie bias omwille van • recall bias van gewicht en lengte • ...


20) Wat kan je doen om deze bias te doen verminderen? • Patient laten wegen door een verpleegster • gewicht in het begin van de vragenlijst vragen en op het einde nog eens, zodat we zeker zijn dat het juist is • onze resultaten van de studie vergelijken met die van andere studies die een andere analytische methode gebruiken

Examenvragen 2016-2017

Statistiek

1. voorbeeldvraag van Statistiek over randomisatie

a.	1:1 verdeling is meestal beste voor vergelijken
b.	2:1 randomisatie is een vereiste (2x zoveel actief als placebo)
c.	Blindering is in strijd met equipoise
d.	Een fase 2 studie levert als enige klinisch bruikbare resultatenpr

2. zelfde voorbeeldvraag over randomisatie (maar ook andere antwoordmogelijkheden)

a.	1:1 verdeling is meestal beste voor vergelijken
b.	2:1 randomisatie is een vereiste (2x zoveel actief als placebo)
c.	Een fase 1 studie levert als enige klinisch bruikbare resultaten	

3. een paar voorbeeldvragen van Molenberghs uit zijn ppt op het forum

4. 12 vragen van de werkzittingen over alle onderdelen van dit jaar van kaplan meier tot linear mixed model

5. Vraag Kaplan-meier: wat is de hazard ratio bij deze curves? HR (Behandeling A t.o.v. B) waarbij de curve een stap betekende als er iemand terug pijn kreeg, en enkele gecensureerde waardes vertoonde. Behandeling A had dezelfde vorm maar begon 2 weken later ongeveer met mensen die pijn kregen, daalde wel ongeveer even snel

a.	groter dan 1
b.	kleiner dan 1
c.	gelijk aan 1 
d.	we kunnen dit niet weten

6. Bij deze vraag 5 (deze curves) moest je ook nog zeggen welke stelling juist was

a.	Behandeling B is beter dan behandeling A
b.	Behandeling A heeft een mediaan die langer is dan die van mediaan B

7. Als we op een volledige studie (dus geen ontbrekende gegevens) toch koppig multiple imputation toepassen

a.	wordt het meer precies
b.	wordt minder precies
c.	verandert de precisie maar we weten niet naar waar
d.	verandert de precisie niet

8. Als we positieve correlatie hebben, wordt het verschil tussen 2 gemiddelden dan

a.	preciezer
b.	minder precies
c.	Geen effect op verschil
d.	Je kan niet a priori weten of het preciezer of juist minder gaat zijn

9. Hoe verhoudt gewicht toegekend aan personen zich met de selectie kans?

a.	gelijk
b.	omgekeerd evenredig

10. Wat is juist bij deze tabel? (oefenzitting 2)

a.	De nulhypothese is een rico gelijk aan 1
b.	DIt is sowieso een meervoudige logistische regressie-model
c.	Mensen van 50-59 jaar hebben 1,7
d.	Mensen met een BMI van hoger dan 25 hebben 5 keer zoveel kans op ziekte dan mensen met een BMI van lager

11. Wanneer is Proportie aangewezen:

a)	Nooit
b)	Altijd
c)	Bij vergelijkingen tussen groepen
d)	

12) Waarom zou je bij een regio-gestratifieerde studie bij elke regio initieel evenveel mensen/gezinnen ondervragen?

a)	Om de Precisie te verhogen
b)	om beter te kunnen vergelijken

Epidemiologie

1. de kenmerken van distributie zijn

a.	wie
b.	waar
c.	wanneer
d.	alle 3 bovenstaande

2. Intego kan gebruik maken van

a.	retrospectieve dynamische cohort
b.	retrospectieve vaste cohort
c.	prospectieve dynamische cohort
d.	prospectieve vaste cohort

3. vraag over berekenen van incidentie rate en uitdrukken in 100 000 persoonsjaren 4. wat is beste design voor lange termijn effect van zeldzame blootstelling?

a.	retrospectieve cohort
b.	case-control 
c.	prospectieve cohort

Moet dit niet case control zijn? Neen, ze bekijken een blootstelling, niet een outcome 5. verschil tussen retrospectieve cohort en case-control studie 6. iets over case-control en dat de onderzoeker de controles zelf selecteert 7. Incidentie rate: Welk effect heeft het verlagen van de criteria om tot de diagnose van autisme te komen op de incidentie rate?

a.	verhoogd
b.	verlaagd
c.	kunnen we niet weten
d.	blijft gelijk

8. Als men de cut-off waardes verlaagt, dan zal

a.	de sensiviteit en specificiteit dalen
b.	de PPW en NPW stijgen
c.	geen van bovenstaande
d.	alle van bovenstaande

9. 10. 11. wat is juist

a.	Als je cumulatieve prevalentie over gans leven beschouwt, is dit gelijk aan lifetime risk
b.	bij incidentie rate staat tijd in de noemer
c.	bij cumulatieve incidentie staat tijd in de noemer

12. een vraag met veel uitleg en je moest weten wat een prevalentie onderzoek is 13. wat draagt niet bij tot bias bij Intego?

a.	completeness
b.	versleuteling ( is volgens Soubry hetzelfde als ‘vastzetten’)
c.	codering
d.	correctness

14. Welke Hill criterium zie je hier in: (ongeveer) dit molecuul lijkt hard op een ander molecuul die ook trage celdeling zorgt

a.	analogie
b.	biologische verklaarbaarheid
c.	coherentie ofzo?
d.	Geen van allen

15. wat is fout

a.	intermediaire factor kan een confounder zijn
b.	Zwarte piet is een racistische uiting van de blanke kapitalisten en helemaal niet doordat hij door de schoorsteen kruipt 

16. verhaaltje dat ik probeer te reconstrueren: er zijn 2 gemeenten. In elke gemeente selecteren ze 200 patiënten die ooit een hartaanval hebben gehad. Ze gaan in 1 gemeente die patiënten testen bij de huisarts op een bepaalde parameter in hun bloed. Als de waarde van die parameter gestegen, is kunnen ze de medicatie aanpassen zodat ze minder hartaanvallen zouden krijgen en zo minder naar het ziekenhuis moeten gaan.. (omdat de medicatie dan beter afgesteld is) In de andere gemeente worden de waardes niet gemeten en wordt er niets aangepast. Ze gaan dan meten hoeveel patiënten er binnenkomen in het ziekenhuis in de 2 gemeenten. Ze willen nagaan of er een verschil is tussen de groep die aangepaste medicatie krijgt en de groep die geen aanpassingen krijgt. Ze worden 5 jaar gevolgd. Dit is een voorbeeld van een

a.	observationele en individuele studie
b.	observationele en community based studie
c.	experimentele en individuele studie
d.	experimentele en communitiy based studie

17. vervolg vraag 16: als je bij de patiënten een hogere dosis ACE-inhibitoren geeft (hoger dan nu voorgeschreven dosis) en je wilt meten wat het verschil is (ongeveer…) wat kan vertekend beeld geven?

a.	randomisatie
b.	response non-compliance
c.	allebei
d.	geen van beide

18. vervolg vraag 16: in een van de gemeente is er veel ‘vrij stof’, wat misschien ook tot een hartaanval kan lijden. Wat is fijn stof in deze situatie?

a.	confounder
b.	selectiebias

19. nog veel vragen ‘wat is juist’ ‘wat is fout’ met stellingen 20. Welke stelling is juist?

a.	William Farr likes to be called “daddy” (vader van de epidemiologie) (nee tis jon snow, the king in the north.)
b.	Bij elke epidemiologische studie is de populatie goed gedefinieerd

21. Vraag over equipoise.

a.	als dokter mag je een middel klinische testen als je overtuigd bent van zijn superioriteit
b.	als dokter mag je een middel klinisch testen samen met je collega’s als jullie overtuigd zijn van de superioriteit
c.	je mag het testen als je onzeker bent over de superioriteit of inferioriteit.

22. Grafiek met x as: periodes (bv. 1996-1998, 1999-2001...), y as: percentage ‘jongeren met allergie. Wat kan hieruit gehaald worden (andere vraagstelling).

a.	prevalentie
b.	incidentie rate
c.	beiden
d.	geen van bovenstaande

23. Er is een studie waarbij er dropout is. De dropout heeft niks te maken met de ziektestatus of de behandeling. ( Dus dropout is gelijk bij de 2 onderzochte groepen).

a) Er is geen selectiebias want er vallen er evenveel weg bij beide groepen
b) Er is geen selectiebias want
c) Er is wel selectiebias want er is loss to follow up
d) Er is wel selectiebias want de case groep verkleint

Examenvragen 2017-2018

Statistiek

Vraag 1: Drie van de vier kenmerken komen zeer vaak voor in een klinische studie. Het vierde niet; welk is dat vierde kenmerk?

A.	geblindeerd
B.	retrospectief
C.	comparatief
D.	gerandomiseerd

Vraag 2: Welke uitspraak over randomisatie is juist?

A.	Enkel een 1:2 gerandomiseerde studie (dubbel zoveel actieve dan placebo patiënten) is geldig.
B.	Een 1:1 gerandomiseerde studie leidt in de regel tot de meest precieze vergelijkingen.
C.	Een niet-geblindeerde klinische studie is nooit een goede optie.
D.	Enkel een fase 1 studie leidt tot wetenschappelijk bruikbare resultaten.

Vraag 3: uitspraak over surrogate endpoints. We onderzoeken een surrogate endpoints en willen het vervangen door een true endpoint. Wanneer gaan we dit doen?

A.	Surrogate endpoint duurt in principe minder lang en vereist minder grote steekproef
B.	Surrogate endpoint duurt langer en heeft een minder grote steekproef
C.	Surrogate endpoint duurt in principe minder lang en heeft een grotere steekproef nodig
D.	Surrogate endpoint duurt in principe langer en heeft grotere steekproef nodig

Vraag 4: Herhaalde metingen bij lizard studie.

A.	Herhaalde metingen, maar geen herhaling in tijd
B.	Cross-sectionele studie : lizard studie is clustered data, dan is A toch juiste?
C.	herhaalde metingen, 

Vraag 5: Welke uitspraak over herhaalde metingen is juist,

A.	Herhaalde metingen kunnen niet voorkomen in een crossectionele studie

Vraag 6: 2 modellen vergelijken. Intercept is negatief getal, maar de studie gaat over het gewicht berekenen, x is leeftijd.

A.	De beide modellen kloppen niet, want het gewicht van personen kan nooit negatief zijn. 

Vraag 7: 2 kaplan meier curves met stellingen.

Vraag 8: Stel: we hebben een studie bestaande uit een populatie van mannen die vandaag allen 30 jaar oud zijn. We volgen hun bloeddruk gedurende 10 jaar (2 metingen per jaar). Welke grootheid kunnen we niet schatten op basis van deze studie.

A.	De correlatie tussen twee metingen van dezelfde man.
B.	Het gemiddelde verschil tussen de laatste en de eerste meting.
C.	De gemiddelde bloeddruk op het moment van de laatste meting.
D.	Het effect van de periode waarin iemand geboren is. 

Vraag 9: Je gebruik direct likelihood. Stellingen:

A.	Je moet geen incomplete gegevens weglaten.
B.	Je moet geen gegevens invoeren.
C.	Je moet het model van ontbrekende gegevens modelleren
D.	Je moet enkel de ontbrekende gegevens modelleren (?)

Vraag 10: Wat is het independent data comittee?

A.	Mensen die actief deelnemen aan de studie
B.	Mensen die onafhankelijk zijn van de instellingen
C.	Mensen die verbonden zijn aan de instellingen, maar niet actief meewerken 

Vraag 11: Stellingen:

A.	MCAR: f(ym i |yo i,Xi,ri,θ) = f(ym i |yo i,Xi,θ) & f(yo i|Xi,ri,θ) = f(yo i|Xi,θ)
B.	 MAR: f(ym i |yo i,Xi,ri,θ) = f(ym i |yo i,Xi,θ) . 
C.	Zelfde als B, maar niet gelijk aan.
D.	MNAR: f(ym i |yo i,Xi,ri,θ) is niet gelijk aan f(ym i |yo i,Xi,θ) 

Vraag 12: Ontbrekende gegevens. Welke van de vier uitspraken is niet juist.

A.	Voor een klinische studie met ontbrekende gegevens is niet langer een onvertekende analyse mogelijk.
B.	Van een studie met ontbrekende gegevens kunnen getabuleerde voorstellingen misleidend zijn.
C.	Een studie met ontbrekende gegevens wordt kleiner: er is dus verlies aan informatie wat kan resulteren in verlaagde precisie (verhoogde standaardfout)
D.	Een klinische studie met ontbrekende gegevens heeft niet langer alle voordelen van randomisatie: er kan confounding ontstaan.

Vraag 13: Afhankelijke metingen. Twee keer dezelfde meting bij dezelfde persoon over een bepaalde tijd. Je berekent zowel som als verschil. Stellingen:

A.	Afhankelijke gegevens leveren een meer precieze som, minder precies verschil.
B.	Afhankelijke gegevens leveren een meer precies verschil, minder precieze som.

Vraag 14: Censurering bij survival analysis (overlevingsanalyse). Hoe behandelt men bijvoorbeeld op een correcte manier gecensureerde waarnemingen?

A.	Door bijv. het proportional hazards model te gebruiken.
B.	Door de gecensureerde waarnemingen weg te laten.
C.	Door de gecensureerde waarnemingen te behandelen alsof het observaties zijn.
D.	Door de gecensureerde waarnemingen op basis van expertise te vervangen door een realistische waarde. 

Vraag 15: Welke juist 4 stellingen over directionaliteit en timing

Vraag 16: Wat is de proportie van waargenomen observaties? 2 behandelingen: 5 gegevens in elke groep (aantal observaties per tijd)

A.	alle aantallen waargenomen observaties gedeeld door 5 keer het eerste getal (oorspronkelijk aantal observaties voor er dropouts waren) voor behandeling A
B.	Hetzelfde als a, maar dan voor behandeling B
C.	Alle getallen van beide opgeteld (dus 10 gegevens) delen door 5 keer de som van het eerste getal

Epidemiologie

Afbeelding schietroos (p. 140 slide 279) met unbiased en precise eronder

a.	de metingen zijn niet geldig
b.	de metingen zijn niet precies
c.	de metingen zijn noch geldig, noch precies
d.	de metingen zijn en geldig en precies. 


Wat is black box epidemiologie? (p.13 slide 25)

a.	GEEN onderliggende biologische hypothese


Wat is het belangrijkste verschil tussen een cohort en case-control studie?

A.	case controle voor acute, cohorte voor lange termijn studies…
B.	Bij de cohorte wordt er geselecteerd op basis van exposure, dit gebeurt bij case controle niet
C.	Bij de cohorte worden exposure-status ondervraagd, dit gebeurt bij case controle niet
D.	cohort studie neemt veel tijd in beslag, bij case-control niet  

Wat is de juiste term voor de proportie zieken over een bepaalde tijd

a.	incidentie
b.	prevalentie
c.	mortaliteit
d.	geen van bovenstaande


Experimentele studie waarbij men interventie bij 2 dorpen gaat vergelijken, tussen Ronse en Melle: wat voor studie is dit?

a. experimenteel en community-based
b. obersevationeel en individuueel
c. experimenteel en individueel
d. obersevationeel en community-based

Vraagstuk over een nieuw medicijn: cholidada, men vond geen significant verschil met current best practice. Indien men stratificeerde naar mannen en vrouwen vond men wel een significant verschil, namelijk dat het bij vrouwen wel werkte. Wat kunnen we zeggen over geslacht?

a.	Dit is een effect modifier 


Lizard data. Dit was geen:

a.	cross-sectionele studie

Een artikel waarin men beschrijft waarom UV-straling schadelijk was, er was in dat artikel geen analogie terug te vinden, ook geen specificiteit (want er werden meerdere types huidkanker aangehaald). Vraag: Welke van hill’s criteria kan je in dit artikel terugvinden:

a. Specificiteit
b. Biologische verklaarbaarheid en specificiteit
c. Biologisch verklaarbaar: juist
d. Biologische verklaarbaarheid en analogie

Vraag over biostatistiek over wat er gebeurde als je M in het tweede deel van een bepaalde formule invulde:

a. Dat tweede deel werd 0 want de noemer werd oneindig groot

vraag 16. wat kan je niet met INTEGO doen?

A. evolutie over de tijd
B. causaal verband
C. Incidentie rate
D. prevalentie