Bloedsomloop (E02Y9A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken


Algemeen

Bij het voltooien van dit opleidingsonderdeel heeft de student

- inzicht in de biofysische principes die aan de grondslag liggen van de werking van hart en bloedsomloop, en kan deze toepassen in praktische voorbeelden
- kennis van de anatomische en histologische aspecten van het hart, de bloedvaten en van het bloed, en de samenhang met de functie
- kennis en inzicht in de fysiologie van hart en bloedsomloop als basis voor het de fysiopathologie en therapeutusche benaderingen.

Examenvorm

Geïntegreerd schriftelijk examen waarbij er open vragen, casusgestuurde vragen, korte-antwoord en meerkeuzevragen gesteld worden. Voor de meerkeuzevragen wordt een giscorrectie toegepast. Aanwezigheid tijdens de oefenzittingen is ten stelligste aangeraden, de inhoud van de oefenzittingen is deel van de leerstof voor het examen.

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen.)

- Professor Verbrughe durft details als grote open vraag te stellen. Leer dus alles grondig! Hij gaat in de les bovendien bijzonder snel, zorg dus dat je kan volgen! In de les maakt hij de tekeningen bij de cursus.

- Bij professor Sipido vind je de uitgebreide uitleg van wat in de les gezegd wordt terug in de Bouron en Boulpaep. De hoofdstukken die hieruit gekend moeten zijn, moet je echt goed kennen.

- De MKV tellen voor 25/37 punten mee, hiermee kan je punten pakken. De open vragen tellen maar voor 12/37 punten mee en gaan over de grotere gehelen van Boron&Boulpaep en peilen of je het ook echt snapt.

Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

 

Examenvragen voor 2012-2013

Bloed Vragen 2007-2008

Examenvragen 16;01;2012 Bloed

examenvragenBB_forum

Deel morfologie, prof. Herijgers

bloedvaten en zenuwen bovenste

Herijgers - Erythropoiëse

List of bloodvessels update 09-01-'12

schema's bloedvaten en zenuwen bovenste ledematen

Deel fysiologie, prof. Rademakers en prof. Sipido

Bloed - Samenvatting Rademakers & Sipido

Cardiovascular_Physiology_Concepts

Werkzittingen

WZ Ritme

Practical course BLOOD Table 'Blood Values' part assisted self-study arts + bmw 2010-2011

Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen.)

Examenvragen '12-'13

Reeks 1

Hoofdvragen

1) Hoofdvraag Rademakers

Gegeven Pressure-Volume Loop. Wat kan je hieruit afleiden i.v.m. ventrikel?

2) Hoofdvraag Sipido

Gegeven ECG. Duid QT-segment aan. Wat zegt dit segment? Wat gebeurt er als je een stof toedient die I(Kr) vermindert?

3) Hoofdvraag Herijgers

Bespreek de ventrale wortel van de a. iliaca interna en haar zijtakken.


Casussen

1) Een jongen op de fiets valt. Inwendige bloeding vastgesteld in maagstreek. Geen uitwendige bloeding, wel heel veel pijn aan de buik. Hij komt aan in spoed met hartslag van 140 en een bloeddruk van 80/40.

  • De bloeding is veroorzaakt door een afscheuring van aa. gastricae breves van het bloedvat, vanwaar ze afkomstig zijn, namelijk:
tr. coeliacus
a. gastro-epiploïca sinistra
a. lienalis
a. mesenterica superior
  • Hoeveel bloedverlies?
Minder dan 10%
10-20%
Meer dan 30%
Niet te bepalen
  • Bloed kan niet gemakkelijk worden gestopt, dit komt door:
gebrek aan vWf
overdosis vitamine K
verhoogde thrombocytose
tekort aan plasminogeen
  • Hoe wordt bloedvolume terug gereguleerd?7
Stijging AVP
Daling ANP
Vasoconstrictie in GI stelsel
 Alle bovenstaande
  • Als er vloeistof wordt toegevoegd om bloedvolume te doen stijgen, welke werkt best
Met Albumine 20%
Met Glucose 5%
Met fysiologische zoutoplossing 0.9%
Met fysiologische zoutoplossing en glucose 
  • De student komt een week later terug op controle, maar bloedvolume is nog niet helemaal in orde. Vooral bij het rechtkomen, voelt hij zich duizelig. Er wordt dan gemeten:
Hogere pulsdruk
Lagere hartfrequentie
Lager systolisch volume 
Hoger diastolisch volume
  • Bij bloedcontrole, hoe zit het met de concentratie aan reticulocyten?
3/1000
3/100
1/100
1/10


2) Man komt bij dokter met hartslag bij rust 40/min.

  • Hoe kan het dat zijn hartslag 40 is
Hij doet weinig aan sport
Hij neemt bèta blokkers
Overmatige sympatische stimulatie
Inwendige bloeding
  • Zelfde man gaat naar de huisarts men merkt dat er een grote kans is op thrombose, dus men schrijft een behandeling voor met:
Plasminogen activator inhibitor
Heparine
Vit. K
angiotensine
  • Er wordt een EKG genomen. Dit is één van de afleidingen: (afbeelding: p-golf niet te onderscheiden tussen andere fluctuaties, wel QRS-piek te zien). Welke afwijking heeft de man?
Wolff-Parkinson
Derdegraads AV blok
sinusbradycardie
voorkamerfibrillatie
  • Rekenoefening met zuurstofverbruik en gevraagd is hartdebiet ( QO2 = 280mL/min, [O2]a.pulmonalis = 12mL/100mL en [O2]v. pulmonalis = 20 mL/100mL)
7,0 l/min
3,5 l/min
  • Probleem met voorste papillairspier linker ventrikel
lek tijdens systole
lek tijdens diastole
klep sluit niet goed tijdens systole
klep sluit niet goed tijdens diastole
  • Welke arterie is niet palpeerbaar?
a. brachialis
tr.brachiocephalicus
a. poplitea
a carotis communis


Meerkeuzevragen

1) Welk klepblad heeft de pulmonalisklep niet?

Anterior 
posterior 
dextra
sinistra

2) Persoon ligt neer: druk in hart is 95mmHg, drukverschil met hoofd is 5mmHg. Afstand tussen beide is 40cm. Wat is de druk in het hoofd als de persoon rechtstaat (dichtheid bloed op formularium)

70mmHg
60mmHg
30mmHg
65mmHg

3) Horizontale buis (stuk 1), wordt smaller (stuk 2) en daarna breder (stuk 3),oppervlak van 1=3.10^-4 m² en 3=15.10^-4 m² gegeven, drukverschil p3-1= 120Pa ook. Bereken de snelheid in 1

0.5m/s
0.15m/s

4) Longoedeem door ischemie in linkerventrikel

Verhoogde veneuze druk (in pulmonaal)
Verhoogde arteriele druk (in pulmonaal)

5) Waar is de snelheid vh bloed het grootste?

Linker voorkamer 
aorta
weerstandsvaten
capillairen

6) Welke statement is fout

LV heeft een dikkere wand dan RV
LV heeft kleinere trabeculae carneae
De linkerbundeltak is rond op de doorsnede, de rechterbundeltak is plat
LV heeft 2 papillairspieren, RV 3

7) Reactie na afsluiten vena cava inferior (iets met BD en SV)

Uiteindelijk verhoogt de HF
Verhoging CO

8) Een gewone fitte man fietst, spieren krijgen meer zuurstof. Hoe?

Hogere HF
Meer O2 opname door de spieren
Meer slagvolume
Meer O2 vervoerd door bloed

9) Het sub-aortic curtain is een deel van

het voorste mitralis-klepblad

10) Ontdubbelde S1 toon door

Sluiten tricuspiedklep
Openen tricuspiedklep
Sluiten pulmonalisklep
Openen pulmonalisklep

11) Trekspanning berekenen als transmurale druk, diameter en dikte gegeven zijn.



Reeks 2

Hoofdvragen

1) Hoofdvraag Rademakers

Gegeven: Pressure-Volume Loop (hypertrofe cardiomyopathie). Wat kan je hieruit afleiden i.v.m. ventrikel? 

2) Hoofdvraag Sipido

Volgens welke mechanismen helpen Beta-blokkers met het voorkomen van ischemie?

3) Hoofdvraag Herijgers

Gegeven: Kleurenafbeelding van het fibreus skelet. Duid aan wat je herkent en bespreek de functie.


Casussen

1) Student fietst Gasthuisberg op en haast zich om op tijd om zijn examen te geraken. Hij levert hierbij een maximale inspanning.

  • Gegeven: Drie vasculaire functiecurven en twee cardiale functiecurven met controlepunt en vijf steady-statesnijpunten.
Op welk punt bevindt het evenwicht zich tijdens de inspanning?
  • Het is januari en koud buiten, hij draagt geen handschoenen. De arterioveneuze anastomosen in de glomuslichaampjes van de huid:
oscilleren tussen open en gesloten
verliezen hun functie
sluiten
openen
  • Welke statement is juist met betrekking tot deze arterioveneuze anastomosen?
Ze bezitten zeer actief endotheel met veel pinocytotische vezikels
De media bestaat uit gevensterde elastische membranen
De adventitia is rijk aan vasa lymphatica vasorum
De media is sterk bezenuwd
  • Bij maximale inspanning zal:
Slagvolume afnemen
Pulsdruk verhogen
Bloeddruk dalen
Geen van bovenstaande
  • De bloedflow naar de hersenen:
Blijft onveranderd
Neemt toe
Neemt af
Wordt afgevoerd naar de medulla oblongata
  • Het hart zal de volgende brandstoffen gebruiken
Ketonen>vrije vetzuren>glucose
Lactaat>glucose>ketonen
Glucose>lactaat>ketonen
Vrije vetzuren>lactaat>glucose
  • Er is een verhoogde bloedflow naar de m. vastus lateralis. Wat is hier de voornaamste oorzaak van?
Daling van de pCO2
Toename van het cellulair ATP-verbruik
Myogene respons
Gestegen pH


2) Een man wordt opgenomen in een ziekenhuis met beperkte middelen. Hij klaagt van zeer zware pijn aan de thorax. Na verder onderzoek blijkt dat hij een acuut myocardinfarct had ten gevolge van klontervorming in de coronaire circulatie.

  • Hoe kan dit bij een bloedonderzoek aangetoond worden?
Verhoogde sedimentatiesnelheid
Gestegen hematocriet
Gestegen Troponine-I
Gestegen thrombocytose
  • Men besluit een thrombolyticum toe te dienen. Welke stof dient men toe?
Heparine
Protrhombine
t-PA
Fibrinogeen
  • Na een angiografie blijkt dat deze man een rechts-dominant systeem heeft en dat er klontervorming is in de ramus interventricularis posterior. Welk ander bloedvat loopt samen met deze arterie in dezelfde sulcus?
Vena cordis minimae
Vena cordis parva
Vena cordis magna
Vena cordis media
  • Door de klontervorming in de ramus interventricularis posterior is er necrose opgetreden van één van de papillairspieren in het linkerventrikel. Welke papillairspier is hierdoor aangetast?
Septalis
Anterior
Posterior
Lateralis
  • Bij hartauscultatie wordt systolisch geruis waargenomen. Aan wat is dit te wijten?
Aortainsufficientie
Mitralisstenose
Pulmonaalinsufficientie
Mitralisinsufficientie
  • Welk stof kan toegediend worden om vasodilatatie te bekomen teneinde de afterload te verkleinen?
Atropine
Beta-blokkers
Dobutamine
Nitroprusside, een NO-donor


Meerkeuzevragen

1) De wangregio wordt door de primaire of secundaire takken van deze arterie bevloeid

A. carotis interna
A. carotis externa
A. vertebralis
A. transversa colli

2) Gegeven: Debiet: 5l/min, straal van de aorta is 2cm, neem aan dat de dichtheid van het bloed 1030kg/m³ is. Wat is de snelheid van het bloed in de aorta?

6,6 cm/s
3,3 cm/s
20,8 cm/s
2,5 cm/s

3) Gegeven: ECG over lange periode (afleiding II). Welke aritmie neem je waar? (bovenaan gegeven: HR=50, regelmatig RR-interval, P-golven zichtbaar, QRS-complex normaal)

Wolff-Parkinson-White
3de-graads AV blok
Sinusbradycardie
Voorkamerfibrillatie.

4) Gegeven: 2 PV-loops met identieke vorm, maar patiënt 2 is verschoven naar rechts (hoger EDV, hoger ESV, zelfde SV). Welke parameter wordt kleiner bij patiënt 2, in verhouding tot patiënt 1?

Slagvolume
Afterload
Ejectiefractie
Contractiliteit

5) Compressie van de v. cava inferior onder het diafragma. Welk effect zal je waarnemen?

Gestegen slagvolume
Gestegen CO
Na verloop van tijd toename in HF
Gestegen bloeddruk

6) Gegeven: Transmurale druk: 15mmHg, Diameter: 0,02mm, dikte: 0,002mm. Bereken de trekspanning.

10000N/m²
2000N/m² 
60N/m²
300N/m²

7) Een vrouw lijdt aan zwangerschapsoedeem. Wat is hier de oorzaak van?

Gestegen hematocriet
Gedaalde albumine
Gestegen pCO2
Gedaalde lactaat

8) Gegeven: Horizontale arterie met wisselende diameter. A2>A1>A3. Neem aan dat de stroming ideaal is. Hoe verhouden de drukken zich tot elkaar?

p1>p2>p3
p3>p1>p2
p2>p1>p3
p3>p2>p1

9) Ontdubbeling van de tweede harttoon bij inademing wordt veroorzaakt door:

Later sluiten van aortaklep
Afname van de hartfrequentie
Later sluiten van de pulmonalisklep
Afname van het hartdebiet.

10) Gegeven: Een grote man staat recht, Hoogtevershil tussen hart en voeten: 150cm, Drukverschil tussen hart en voeten: 100mmHg, Flow: 80ml/s, neem voor de eenvoud aan dat de dichtheid van het bloed: 1000kg/m³. Wat is de weerstand tussen hart en voeten?

1,37*10^5
1,77*10^5
1,77*10^7
1,37*10^3

11) Een vrouw heeft een tumor aan de hypothalamus die zeer veel ADH produceert. Bij een bloeddrukmeting bij deze vrouw verwacht je een bloeddruk van:

95/70
120/80
110/90
165/120

Examenvragen '13-'14

Reeks 1

Hoofdvragen

1) Rademakers: Hoe draagt het windkesseleffect bij aan de omzetting van pulsatiele naar continue flow. Wat zijn de mechanismen van linkerventrikel en de aorta die hierbij meespelen

2) Sipido: Duid QT-interval aan op EKG (streepje zetten bij begin en einde). Wat vertelt het QT-interval ons? Wat gebeurt er als je stoffen toevoegt die Ikr blokkeren?

3) Claus: Gegeven een buis met deel 1, 2 en 3. Diameter van deel 1 en deel 3 is 1 cm. Deel 2 (stenose): diameter 0,5cm, lengte 8 cm. Gegeven: P1-P3= 6mmHg. Bereken de flow in de stenose en het drukverschil met P1. Neem de normale waarden van viscositeit en dichtheid. Wat gebeurt er met de schuifspaning en de flow bij polycytemie gegeven dat het verschil in druk niet veranderd is?

4) Herijgers: Bespreek de ventrale tak van de a. illiaca interna. Bespreek ook de zijtakken.

Cassussen

Een goed getrainde vrouw (duurathlete) is bezig aan een triathlon wanneer ze plots ten val komt met de fiets. Ze komt met haar hoofd op de stoeprand terecht en verliest het bewustzijn, dat zich nadien weer herstelt. Ze heeft gezichtsvermindering en komt na half uur transport aan op spoedgevallen.

  • Ze heeft een bloeddruk van 200/110. Dit komt door:
Een reactie op de stress
De inspanning die ze geleverd heeft
Een hypertensie-reflex ten gevolge van het hersentrauma
Een niet gekende hypertensie
  • Om de druk te verlagen in de hersenen wordt de patiënt in een kunstmatige coma gehyperventileerd. Wat is een alternatieve methode om de druk te verlagen?
 Toedienen van een infuus met een plasma substituut
 Toedienen van een infuus met een hyperosmolaire oplossing
 Toedienen van een infuus met factor X
  • Gegeven dat de bloeddruk verhoogd is, wat welke parameter zal dan zeker ten alle tijde veranderd zijn in vergelijking met een normale persoon in rust?
 Het slagvolume is verhoogd
 Het EDV is verlaagd
 Het ESV is verlaagd
 
  • Er wordt een EKG genomen om uit te sluiten of het bewustzijnsverlies veroorzaakt werd door een hartritmestoornis.
 Gegegeven is een EKG, gevraagd of het sinusritme en de as van het QRS complex normaal is.
  • Er wordt een echocardiogram genomen, hierop is een belangrijke mitralisklepinsufficiëntie te zien. Wat gebeurt er met het slagvolume en het EDV?
 EDV is normaal, slagvolume is verhoogd
 EDV is verhoogd, slagvolume is verlaagd
 EDV is verhoogd, slagvolume is verhoogd
 EDV is normaal, slagvolume is verlaagd
  • Een angiografie toont een ischemie van de rechter coronairarterie. De persoon heeft een rechtsdominant systeem, de r. interventricularis posterior wordt vergezeld door welk bloedvat?
 v. cordis media
 v. cordis parva
 v. cordis magna
 vv. cordis anterior
  • Welke papillairspier is verantwoordelijk voor de insufficiëntie?
 M. papillaris anterior
 M. papillaris lateralis
 M. papillaris posterior
 M. papillaris septalis
  • Hoe ziet het hart van deze vrouw eruit?
 Gedilateerd, toename in LV EDV zonder toename in massa
 Concentrische hypertrofie met toename in massa zonder toename in volume
 Excentrische hypertrofie met toename in massa en volume
 het hart is normaal 

Een man, zware roker van rond de 50 jaar, wordt opgenomen na kortstondig bewustzijnsverlies met nadien een periode van ongevoeligheid in de rechterarm. Waarschijnlijk was de oorzaak een blokkage van de Li a. carotis interna met een kortstondige periode van cerebrale ischemie.

  • Om het risico op trombose te verminderen wordt een behandeling gestart met een anti-stollingsmiddel. Welke stof komt in aanmerking?
 bèta-blokkers
 acetylsalicylzuur
 heparine
 vitamine K
  • Om te testen of een endotheeldysfuntie aan de basis ligt van de trombose wordt Ach ingespoten in de a. brachialis. Welk effect heeft Ach bij endotheeldysfunctie?
 verhoogde flow
 verlaagde flow
 korte periode van verhoogde flow, dan verlaagde flow
 geen effect


Multiple choice vragen

  • De permeabiliteit van weefsels voor wateroplosbare stoffen hangt af van?
 De grootte van de moleculen
 De lading van de moleculen
 De oppervlakte van de capillairen
  • Wat is juist?
 Het anaerobe energiemetabolisme is onmiddellijk aanspreekbaar
 Het ATP/PC systeem bezit de hoogste capaciteit van alle energiesystemen
 Geen van bovenstaande
  • Wat zorgt niet voor vasodilatatie?
 angiotensine-blokkers
 NO
 alle bovenstaande
  • Wat bevatten rijpe bloedplaatjes niet?
 mitochondriën
 glycogeenkorrels
 demarctatiemembranen
 golgi-complex
  • Het enige mechanisme om het evenwichtspunt tussen de cardiale en vasculaire performantiecurve naar boven te verschuiven is?
 het bloedvolume verhogen
 de RAP verhogen
 vasoconstrictie
 cardiac output verhogen
  • AV-anastomosen hebben
 veel subendotheliaal weefsel
 veel vasa vasorum
 een sterk bezenuwde media
  • Tijdens de ejectiefase is de drukgradiënt tussen linker ventrikel en aorta
 afhankelijk van de afterload
 continu positief
 eerst positief dan negatief
 continu negatief
  • Welk klepblad heeft de pulmonalisklep niet?
 cuspis dexter
 cuspis sinister
 cuspis anterior
 cuspis posterior
  • De fysiologische splitsing van de tweede harttoon wordt veroorzaakt door
 Het later sluiten van de mitralisklep links
 Het vroeger sluiten van de pulmonalisklep rechts
 Het later sluiten van de pulmonalisklep rechts
 Het later sluiten van de tricuspiedklep rechts
  • Een persoon heeft een bloeding in de a. pancreaticoduodenalis inferior. De bloeding wordt gedicht door met een catheter een spiraaltje in de wand van het bloedvat te plaatsen net voor de bloedingsplaats. De catheter wordt ingebracht in de a. brachialis sinistra. Welke weg legt de catheter af tot voor de bloedingsplaats?
 A. brachialis sinistra - A. axillaris sinistra - A. subclavia sinistra - Aortaboog - Aorta descendens thoracalis - Aorta abdominalis - A. mesenterica superior - A. pancreaticoduodenalis inferior
  • Longoedeem wordt veroorzaakt door
 verhoogde arteriële druk
 verhoogde veneuze druk
 verhoogde cardiac output
 verhoogd EDV

Examenvragen '14-'15

Reeks 1

Hoofdvragen

1) Rademakers

Hoe draagt het windkesseleffect bij aan de omzetting van pulsatiele naar continue flow. Wat zijn de mechanismen van linkerventrikel en de aorta die hierbij meespelen.

2) Sipido

Duid QT-interval aan op EKG (streepje zetten bij begin en einde). Wat vertelt het QT-interval ons? Wat gebeurt er als je stoffen toevoegt die L-type Ca2+ stroom blokkeren?

3) Herrijgers

Bespreek de ventrale tak van de a. iliaca interna en diens zijtakken.

4) Claus

Gegeven: buis met deel 1, 2 en 3. Deel 2 is een stenose. Diameter deel 1 en 3 = 1cm, flow = 3l/min en de lengte van de stenose is 10cm, deltaP (=P1-P3=5mmHg) Ga uit van normale viscositeit en dichtheid. Bereken de doorsnede en de druk van de stenose. Bijvraag: stel je voor dat deze persoon anemie heeft, wat gebeurt er dan met de drukken en de trekspanning?


Casussen

1. Een goed getrainde vrouw (duurathlete) is bezig aan een triathlon wanneer ze plots ten val komt met de fiets. Ze komt met haar hoofd op de stoeprand terecht en verliest het bewustzijn, dat zich nadien weer herstelt. Ze heeft gezichtsvermindering en komt na half uur transport aan op spoedgevallen.

1) Wanneer haar bloeddruk gemeten wordt is deze 20/11. Waardoor komt dit?

a) Dit is een nawerking van de fysieke inspanning die ze geleverd heeft
b) Een hypertensieprobleem dat ze al had, maar nog niet opgemerkt was
c) Een hypertensie-reflex ten gevolge van het hersentrauma.
d) Een vagale reflex


Er wordt vermoed dat er mogelijk al een probleem was, dus wordt er een EKG genomen (gegeven).


2) Wat is er te zien op dit EKG?

a) Sinusbradycardie
b) Wolff-Parkinson
c) Voorkamerfibrillatie
d) Dit is een normaal sinusritme.


3) Hoe zit het met de as van QRS?

a) Verschoven naar links
b) Verschoven naar rechts
c) Normaal
d) Niet te bepalen met de gegevens


4) Hoe ziet het hart van deze goed getrainde vrouw eruit i.v.m met een andere niet sporter?

a) Concentrische hypertrofie (meer massa, zelfde EDV)
b) Excentrische hypertrofie (meer massa, groter EDV)
c) Zelfde massa en volume
d) Groter volume, maar dezelfde massa


5) Om de druk te verlagen in de hersenen wordt de patiënt in een kunstmatige coma gehyperventileerd. Wat is een alternatieve methode om de druk te verlagen?

a) Infuus met plasma substituut
b) Infuus met hyperosmolaire oplossing.


2. Een man heeft negen maanden geleden hartinfarct gehad linker ventrikel en overbrugging gehad. Hij komt nu binnen met kortademigheid, opgezette halsvenen, longoedeem, te weinig proteines in bloed, anemie, …


Gegeven: PV-loop ten tijde van hartinfarct en dat van een normale persoon. Na hartinfarct: smaller en ESV verschoven naar rechts. ESPVR evenwijdig aan de normale.


1) Wat is er veranderd door het hartinfarct?

a) Verminderde contractiliteit
b) Verminderd slagvolume.
c) Verlaagde ejectiefractie


Gegeven: PV-loop na hartinfarct en huidige PV loop: EDV verschoven naar rechts.


2) Welk compensatiemechanisme is er opgetreden?

a) Verlaging van de perifere weerstand.
b) Verhoogde ejectiefractie
c) Verhoogde contractiliteit


3) Wat kan de oorzaak zijn van het longoedeem?

a) Verlaagde albumine
b) Verhoogde druk in de pulmonale capillairen
c) Verhoogde druk in de linker ventrikel
d) Alle bovenstaande


4) Welke medicatie kan mogelijk een oplossing zijn voor het probleem ?

a) Beta blokker
b) Endotheline
c) Dobutamine
d) Ca-blokker


Meerkeuzevragen

1) Wat heeft een rijpe trombocyt niet meer?

a) Glycogeenkorrels
b) Demarcatiemembraan
c) Microtubuli
d) Mitochondrien


2) Welke uitspraak is fout?

a) Door inhibitie van t-PA zal de persoon minder trombose problemen krijgen
b)
c)
d)


3) Welke uitspraak is fout i.v.m. afwijking m.b.t. bloedplaatjesaggregatie?

a) Een persoon heeft een trombocytopenie. Hierdoor zal deze persoon thrombose problemen krijgen
b)
c)
d)


4) Defect in a pancreaticoduodenalis inferior. Welk traject volg je te vertrekken van a. brachialis?

a) Verschillende keuzes
b)
c)
d)


5) Wat is er oorzakelijk voor de permeabiliteit van wateroplosbare moleculen?

a) Lading van het molecule
b) Grootte van het molecule
c)
d)


6) Probleem met de pulmonalisklep. Welk klepblad heeft deze niet?

a) Anterior
b) Posterior.
c) Sinsitra
d) Dextra


7) Waar is de snelheid van het bloed het grootst?

a) Linker ventrikel
b) Aorta
c) Weerstandsvaten
d) Capillair


8) Ontdubbelde S2 toon door:

a) Vroeger sluiten tricuspiedklep
b) Later sluiten tricuspiedklep
c) Vroeger sluiten pulmonalisklep
d) Later sluiten pulmonalisklep.


9) Patient met rechtsdominant systeem. Welke tak loop er in sulcus interventricularis posterior?

a) Geen van onderstaande
b) v. cordis media
c) a. interventricularis posterior sinistra
d) a. interventricularis anterior dextra


10) A2>A1>A3

a) P2>P1>P3
b) P3>P1>P2
c) P1>P2>P3
d) P3>P2>P1


Reeks 2

Hoofdvragen

1) Rademakers

Bespreek de signaalfrequentie van de afferente zenuwvezels van hogedruk receptoren (aorta en carotis) aan de hand van onderstaande figuur. (Figuur met 4 verschillende drukken en streepjes per AP zoals p557 figuur 23-3A onderaan)

2) Sipido

Waarom is hersenoedeem zo gevaarlijk? Geef twee mogelijke behandelingen en leg hun mechanisme uit.

3) Herijgers

Foto van het fibreus skelet van het hart: Leg de functie van het fibreus skelet uit. Duid de delen van het fibreus skelet aan op de foto en benoem.

4) Claus

Proximale aorta met diameter 2 cm. Een coarctatio van 75%. Bereken de flow door de vernauwing om turbulente flow in de stenose te krijgen (Re = 3000). Wat is het gevolg voor de diastolische flow door deze aorta in vergelijking met een gezonde aorta? (antwoord= 0,16l/s = 10l/min?)

Casussen

1. Een vrouwelijke triatlete doet mee aan een wedstrijd in het voorjaar. Het zwemonderdeel is door het plaatselijke meer, dat nog steeds koud is.

1) Cardiale-vasculaire functiecurve. Naar welk punt verschuift de steady-state vanaf de controlewaarde.

a) Arteriolaire constrictie en positief inotroop effect
b) Arteriolaire constrictie
c) Positief inotroop effect
d) Veneuze constrictie
e) Veneuze constrictie en positief inotroop effect


2) Tijdens het zwemmen zullen de av-anastomosen

a) Openen
b) Sluiten
c) Ritmisch openen en sluiten
d) Ze verliezen hun functie


3) Na de inspanning heeft ze een hartslag van 180/85. Dit is een gevolg van:

a) De inspanning
b) Een voorafgaande ongekende pathologie
c) Vasoconstrictie door de koude
d) Een stress reactie


4) Haar hart is door de training:

a) Normaal
b) Excentrisch (hoger EDV en dikkere wand)
c) Concentrisch (zelfde EDV en dikkere wand)
d)


2. Een vrouw komt bij de dokter met een zwakke pols, en een licht onregelmatig hartritme. Bij auscultatie wordt een longoedeem vastgesteld. Haar enkels zijn gezwollen.

1) EKG afleiding in lead II voor 2 minuten. HR=50. Wat heeft deze vrouw?

a) Sinusbradycardie
b) WPW
c) AV dissociatie (3e graadsblock)
d) Voorkamerfibrillatie

2) Ze heeft longoedeem: door wat is dit veroorzaakt?

a) Verhoogde veneuze druk
b) Verhoogde arteriële druk
c) Verhoogde permeabiliteit in de capillairen
d)


3) Ze heeft hartfalen, welk effect heeft dit op de cardiale-vasculaire-functiecurve vanaf de controle?

a) Negatieve verschuiving van cardiale functiecurve
b) Negatieve verschuiving van cardiale functiecurve en verhoogd volume
c) Negatieve verschuiving van cardiale functiecurve en arteriolaire constrictie
d) Verhoogde volume
e) Arteriolaire constrictie


4) In een normaal gezonde persoon is de hartslag op verschillende plaatsen te palperen. Waar kan je de hartslag bij een normale persoon NIET palperen met de hand?

a) a Poplitea
b) a Carotis communis
c) tr. brachiocephalicus.
d) a. brachialis


5) Er wordt een gezwel in de lever aangetroffen dat gemetastaseerd is tot in de vena cava inferior en daar de doorgang sterk vernauwt. Het bloed kan vanuit de onderste ledematen echter via verscheidene andere wegen toch nog tot in het hart geraken. Welke van volgende venen maakt NIET deel uit van een dergelijke omleiding?

a) v. thoracica interna
b) v. rectalis inferior
c) v. hemiazygos
d) v. epigastrica superficialis.


Meerkeuzevragen

1) Er zijn vele antistollingsmiddelen. Welke van onderstaande kan niet gebruikt worden als antistolling?

a) VitK-agonisten
b) Heparine
c) t-PA
d) Factor VIII


2) EKG: waar ligt de as?

a) 0°
b) +180°
c) +90°
d) -30°


3) Wat bepaalt de doorlaatbaarheid van kleine proteïnen?

a) Lading
b) Moleculair gewicht
c) De eigenschappen van de capillairen
d) Alle bovenstaande


4) De grootste drukval in het vaatbed vinden we in de:

a) Arteries
b) Capillairen
c) Arteriolen
d) Venen


5) Welke stelling klopt NIET over het hart?

a) De linkerbundeltak is rond, de rechterbundeltak is bandvormig.
b) De trabeculae carneae zijn links kleiner dan rechts
c) De wand van het linkerventrikel is dikker dan de wand van het rechterventrikel
d)


6) De fysiologische splitsing van de tweede harttoon door ademhaling is een gevolg van:

a) Later sluiten van de pulmonalisklep
b) Later sluiten van de aortaklep
c) Later openen/sluiten van de mitralisklep
d)


7) Een gestegen effectief circulerend volume leidt tot:

a) Een gedaald SV, maar meer dan verwacht volgens Starling
b) Een gedaald SV, maar minder sterk dan verwacht volgens Starling
c) Verhoging van het hartritme door lage druk receptoren
d) Verhoging van het hartritme door hoge druk receptoren


8) De geïntegreerde respons op een gedaalde PO2, gestegen PCO2 en gedaalde pH is:

a) Bradycardie en vasoconstrictie
b) Bradycardie en vasodilatatie
c) Tachycardie en vasodilatatie
d) Tachycardie en vasoconstrictie.


9) De Pancreas wordt bevloeid vanuit verschillende arteries, welke arterie geeft geen tak af voor de pancreas?

a) a lienalis
b) a mesenterica superior
c) a gastrica sinistra.
d) a gastroduodenalis


10) De arterioveneuze anastomosen in de huid worden gekenmerkt door:

a) Sterke bezenuwing van de tunica media.

Examenvragen '15-16

Reeks 1

Hoofdvragen

1) Hoofdvraag Rademakers

Fig. 19-12 C met het tekstje van transmurale druk weggehaald. Leg uit waarom de rechte lijnen de arteriële en respectievelijk de veneuze druk voorstellen? (P = T/r)

2) Hoofdvraag Sipido

Bij een zwangere vrouw komen oedemen vaak voor omdat de concentratie plasmaproteïnen gedaald is. Leg aan de hand van dit voorbeeld uit hoe de uitwisseling van water in de capillairen werkt.

3) Hoofdvraag Claus

Collaterale arterie in parallel met een normale arterie. Diameter van de normale arterie A is 8mm, die van de collaterale arterie is de helft.

i) Hoe lang moet de collaterale arterie zijn in vergelijking met de arterie A om te geven dat een achtste van de flow door de collaterale arterie gaat? lc/la= 7/16

ii) Is er in arterie A bij een realistisch debiet, turbulentie mogelijk?

iii) als de collaterale arterie een verminderde vasodilatatie krijgt tov de hoofdarter ie, wat gebeurt er dan met de flow erdoorheen de 2 arteries bij volledige vasodilatatie?

4) Hoofdvraag Herijgers

Vergelijk de ultrastructuur en histologie van een standaard cardiomyocyt en een purkinjevezel.

Casussen

1) Man duikt in het water en stoot zijn hoofd tegen de bodem. Zijn BD is normaal en zijn hartslag is 80slagen / minuut. Hij voelt zich duizelig en de artsen vermoeden een lichte hersenschudding. Bovendien heeft hij risico op het ontwikkelen van een hersenoedeem

1) Dit oedeem ontstaat door

a) Beschadiging capillairen hersenen.
b) gedaalde plasmaproteïnen
c) veneuze dilatatie
d)

2) Uiteindelijk verliest de man het bewustzijn en gaat hij in coma. Er blijkt een bloeding te zijn tussen de schedel en de dura mater. Door welke arterie kan dit veroorzaakt zijn?

a) A. infraorbitalis
b) A. meningen media.
c) A. cerebri posterior inferior
d) A. cerebelli ...

3) De cushing reflex zal optreden door:

a) Baroreflex
b) Daling in pH
c) Perfusiedruk hersens herstellen.
d) Kans oedeem voorkomen

4) Wat is de oorzaak dat er geruis is bij horen aan de a.carotis

a) Vernauwing a.carotis.
b) Verlies eiwitten
c) Probleem met pulmonalisklep
d)

2) Casus: Jongen komt met pijn in de buik aan in het ziekenhuis. Trombose in arteria mesenterica inferior?. => ischemie

1) Ischemie veroorzaakt pijn door:

a) Stijging lactaat.
b) Hypokalemie
c) Gestegen CO2
d) Adenosine

2) Hoe kan men de trombose oplossen?

a) Acetylsalycil zuur (aspirine)
b) Toevoeging t-PA.
c) vasodilaterende stoffen
d)

3) Welke aftakking komt niet van de arteria mesenterica inferior?

a) A. colica sinistra
b) A. colica dextra.
c) A. sigmoidea
d) A. rectalis superior

4) EKG van de jongen gegeven (P golven zijn op gelijke afstand van elkaar maar de QRS complexen komen veel minder voor en zijn niet in relatie tot de P golven). Welk probleem is af te lezen op het EKG?

a) Voorkamerfibrillatie
b) Volledige AV blok (3e graad).
c) WPW syndroom
d) Sinusbradycardie

5) Er wordt ook gezien dat de jongen een verminderde functie heeft van linker ventrikel.

a) Verlaging van het hartdebiet.
b) Veroorzaakt de ischemie van de darmen
c)
d)

6) Welke structuur zit niet in het atrium

a) Crista supraventricularis.
b) Tuberculum intervenosum
c) Sulcus terminalis
d) Falx sept

7) Er is 250ml bloedverlies opgetreden:

a) Dit is minder dan 10% van het totale bloedvolume.
b) Dit is tussen 10% en 20% van het totale bloedvolume
c)
d)

8) Waarom is het bloedverlies beperkt:

a) De nieren
b) Baroreflex.
c)
d)

9) Wat klopt over de doorbloeding van het GI-stelsel

a) Altijd hetzelfde
b) Verhoogd tijdens inspanning
c) Kan tot 25% van zijn rustdoorbloeding beperkt worden.
d)

10) Via welke structuur wordt de lymfe van de darmen afgevoerd?

a) Ductus thoracicus.
b) Ductus lymphaticus dexter
c) Ductus arteriosus
d) Ductus ovalis

Meerkeuzevragen

1) Wat heeft een positief effect op de impuls in de AV-knoop?

a) Isotropine (=atropine).
b) Adenosine
c) Acetylcholine
d) Tetradotoxine

2) Waar treedt het hoogste druk verval op?

a) Arteriolen.
b) Capillaire
c) Aorta
d)

3) Ekg bereken de tijd van QT interval (25mm/sec) (QT interval was ongeveer 9 mm hokjes lang)

a) 0,36 sec.
b) 0,50 sec
c) 0,28 sec
d) 0,20 sec

4) In welke as kan je dit EKG plaatsen?

a) +150°.
b) +90°
c) -30°
d)

5) Waar is de bloedstroom het traagst?

a) Capillairen.
b) Aorta
c)
d)

6) Oorzaak splitsing 2 de harttoon

a) Later sluiten pulmonalisklep.
b)
c)
d)

7) coronair vaatlijden in de sulcus interventricularis posterior, welke a. aangetast?

a) A. interventricularis posterior.
b)
c)
d)

8) Welke papillairspier is aangetast bij ischemie a. interventricularis posterior?

a) M. papillaris anterior
b) M. papillaris posterior.
c) M. papillaris septalis
d)

9) Welke structuur ligt het tussen het AMC en het pars membranacea septi?

a) Aortaklepannulus
b)Trigonum fibrosum dextrum.
c) Conusligament
d) Atrioventriculair septum

10) Welke cel in de hematopoise/erytropoietese? heeft zeker geen kern? (Vraag is uiteindelijk geschrapt geweest.)

a) Bloedplaatje.
b) Normbolast
c) Basofiele erytroblast
d) Hematopoïetische stamcel

11) Wat kan een verhoging van de bloeddruk veroorzaken?

a) Acetylcholine
b) Norepinephrine.
c) NO
d) Adenosine

12) Een jonge man van 20 jaar fietst aan een normaal tempo. Wat zorgt voor een verhoogde O2 levering aan de spieren?

a) Verhoogde hartfrequentie
b) Groter slagvolume
c) Verhoogde O2extractie in de spieren.
d) Verhoogde O2 opname in bloed

13) De capillairen in de hersenen hebben:

a) Gefenestreerd endotheel met membraan
b) Gefenestreerd endotheel zonder membraan
c) Een onvolledige lamina basapis
d) Veel desmosomen

Reeks 2

Hoofdvragen

1) Hoofdvraag Rademakers

Grafiek CO in de y-as en RAP in de x-as: verschillende curves die de parasympatische stimulatie voorstellen, de sympatische stimulatie, de maximale stimulatie en 0 sympatische stimulatie. Het verschil uitleggen tussen de normale en geen sympathische stimulatie.

2) Hoofdvraag Spido

Man in bloedtransfusiecentrum geeft 500ml bloed, effect op hartritme & bloeddruk als hij rechtstaat & als hij neerligt?

3) Hoofdvraag Claus

Gegeven: Een persoon kreeg een aorta greffe (vervanging van een stuk aorta door een soort kunstbuis, maar die is niet compliant!). De diameter voorheen was 1 cm. Na 6 maanden, merkt men dat de proximale aorta is uitgezet (voor de plaats waar de greffe geplaatst was):

Dus diameter proximaal 1cm, diameter greffe 1cm, diameter distaal van greffe ook 1cm. Na 6 maanden is straal van de greffe & distaal gelijk gebleven, maar de proximale aorta is gedilateerd.

1. Als je weet dat de schuifkracht 8 keer kleiner geworden is, wat is dan de diameter van de uitgezette proximale aorta? (andere bloedeigenschappen blijven gelijk)

2. Als het debiet 6 L/min is, wat is het drukverval? (Weet iemand nog de juiste verwoording? Ik vond het even zoeken vooraleer ik de vraag snapte :p )

→ Vraag was: Indien de bloedeigenschappen & flow gelijk blijven, hoeveel moet dan de druk in de gedilateerde proximale aorta stijgen zodat de perfusiedruk in de distale aorta even groot is als in het begin? (bij een flow van 6L/min)

Eerst snelheden berekenen met F=v*A Dan met bernouilli P berekenen was dan 5mmHg

3. Als de persoon anemie had, was dan de aorta meer of minder uitgezet 6 maanden na de greffe? (bij zelfde flow & eigenschappen)

Anemie → viscositeit daalt → schuifspanning kleiner → straal groter dus meer gedilateerd

4) Hoofdvraag Herijgers

Bespreek lymfevaten: anatomie, ultrastructuur, histologie, functie, … (maar niet de knopen) En geef ook het belang van die histologie en ultrastructuur.

Casussen

1)Een vrouw komt bij de dokter met zwakke pols, versnelde hartslag en lage bloeddruk (of zoiets)...

1) Vrouw van casus had verhoogde bloedingsneiging door:

a) Aspirine inname.
b) Thrombocytose
c) Plasminogeen
d) Verhoogde vit K

2) Longoedeem wordt veroorzaakt bij hartfalen door:

a) Te weinig plasmaproteinen
b) Drukstijging in vena cavia
c) Beschadiging capillairen longen
d) Meer bloed in LA.

3) Wat zou kunnen bijdragen tot de verlichting van haar symptomen…

a) Kleiner volume in het linker ventrikel (of in het hart).
b)
c)
d)

4) Bereken de flow als je weet dat zuurstofverbruik 280ml/min is, de Poa 12ml/100ml is en de Pov 20ml/100ml is. Het gaat over longartsen en longvene.

a) 3,5l/min.
b)
c)
d)


5) De wandspanning van het linker ventrikel neemt af als:

a) De wanddikte toeneemt.
b) Het EDV groter wordt
c)
d)

6) Hart van een sportvrouw:

a) Is hetzelfde
b) Concentrische hypertrofie (meer massa en groter volume).
c) Excentrische hypertrofie
d)

Hartslag is niet palpabel

a) A femoralis
b) A brachialis
c) Aorta ascendens.
d) A poplitea

Meerkeuze

1) Men wilt een overbrugging plaatsen: welke structuur is te zien van aan de buitenkant van het hart?

a) Falx soepti
b) Crista terminalis
c) Sinus coropnarius.
d) Subaortic curtain

2) Waarvoor dienen de ductus arteriosus en het foramen ovale prenataal?

a) De bloedvaten van de foetus naar de placenta
b) De bloedvaten van de placenta naar de foetus
c) Vermijden dat het bloed in de pulmonaalcirculatie terecht komt.
d) Zorgen dat het bloed van het rechter atrium naar het linker atrium wordt vervoerd

3) Welk bloedvat bevloeit het craniale gedeelte van de fundus van de maag?

a) Aa. gastricae brevis.
b) A. gastroeplioca sinistra
c) A. gastrica sinistra
d) A. lienalis

4) Jongen met opgezette venen ter hoogte van de buik en …. (thorax ofzo?)

a) Ter hoogte van welk bloedvat bevindt zich er een obstructie?
b) Vena cava superior
c) Vena cava inferior.
d) Vena hepatica …

5) Ekg bereken de tijd van QT interval (25mm/sec) (QT interval was ongeveer 9 mm hokjes lang, maar op sommige plekken 2 meer of 2 minder en nadien werd gezegd “dat het ook zou kunnen dat het antwoord niet tussen de antwoordmogelijkheden stond”, en er zelf moesten bijschrijven.)

a) 0,36 sec.
b) 0,50 sec
c) 0,28 sec
d) 0,20 sec

6) Hart-as bepalen: positief in elke afleiding uitgezonderd avF

a) -130°
b) -30°
c) 30°.
d) 90

7) Waar stroomt het bloed het snelst?

a) Aorta.
b) Grote arteries
c) Arteriolen
d) Capillairen

Examenvragen '16-17

Reeks 1

Hoofdvragen

1) Hoofdvraag Rademakers

Gegeven: PV loop van een persoon met restrictive cardiomyopathy, dat is, verminderde rekbaarheid van de cardiomyocyten. Bespreek.

2) Hoofdvraag Sipido

Duid QT interval aan, wat duidt dit aan? Wat voor effect heeft dit op het interval bij het toedienen van inhibitoren van strikt atriale K+ kanalen (IKur / Kv1.5)?

3) Hoofdvraag Claus

Greffe aanleggen tussen a. brachialis en v. basilica. Greffe is 2 mm diameter, druk in a. brachialis 106 mmHg, diameter van v. basilica was 4 mm, druk 10 mmHg. Schuifkracht (P.r) vermeerderde 40x bij het aanleggen de greffe. Na aanlegging van de greffe was de diameter van de vene 16mm. Wat is de lengte van de greffe als de flow in deze greffe 60 mL/min is? Wat gebeurt er als de vene meer collageen zou bevatten met de vasodilatie en de schuifkracht.

4) Hoofdvraag Herijgers

Bespreek de histologie van capillairen. Vermeld ook welke verschillende soorten er zijn; en geef telkens een voorbeeld.


Meerkeuzevragen

1) Wat gebruiken de hartspiercellen het meeste tijdens de inspanning

a) Lactaat
b) Oxidatieve glucose
c)
d)

Casus: Een oudere vrouw komt binnen met een verlaagde hartslag, maar een normale polsdruk. Bij auscultatie is er iets waar te nemen en het blijkt dat ze last heeft van longoedeem. Tevens zegt ze dat ze een verhoogde kans op thrombose heeft en dat ze hiervoor in behandeling is.

2) Met welk middel wordt zij mogelijks behandeld?

a) Vitamine K antagonist
b) Calcium tabletten
c) Thrombopoietine
d) Factor VI

3) Met een plasma-eiwitanalyse kan men:

a) Bepalen of iemand hemofilie heeft
b) Bepalen of er bloedstolling geactiveerd is bij de bloedname
c) Bepalen of er thromboxaan is vrijgesteld bij endotheelbeschadiging
d) Bepalen hoeveel zuurstof er aan RBC gebonden is

4) Afbeelding van een ECG

a) Sinusbradycardie
b) 3de graad AV block
c) Wollf Whitman
d) Voorkamerfibrillatie


5) De tijd tussen de eerste en tweede harttoon is bij 60 slagen/min:

a) Langer dan de tijd tussen de tweede en de eerste harttoon
b) Korter dan de tijd tussen de tweede en de eerste harttoon
c) Even lang dan de tijd tussen de tweede en de eerste harttoon
d) Geen verschil

6) Welk bloedvat zal geen aftakking afgeven aan de bijnier

a) A. lienalis
b) A. phrenica inferior
c) A. renalis
d) Aorta abdominalis

7) Een Swann Ganz katheter via de v. femoralis ingebracht:

a) Meet de druk in RA
b) Meet de druk in LA
c) Meet het hartdebiet
d) Alle bovenstaande

8) Een Swann Ganz katheter inbrengen; welke is de juiste foto (foto: B&B pagina 440)

a) Buisje 1
b) Buisje 2
c) Buisje 3
d) Geen van bovenstaande

9) Wat maakt geen deel uit van het fibreus skelet?

a) Crista supraventricularis
b) Atrioventriculair septum
c) Conus ligament
d)

10) Inbrengen van een katheter naar de a. pancreaticoduodenalis inferior; welke weg

a) A. brachialis, A. axillaris, A. subclavia, aorta boog, Aorta thoracalis, Aorta abdominalis, a. mesenterica sup, a. pancreaticoduodenalis inf.
b)
c)
d)

11) Sub-aortic curtain

a) Kan je zien vanuit linker ventrikel
b) Loopt verder van de annulus van de aorta naar anterieur mitralis klepblad
c)
d)

12) Het effectief circulerend volume

a) Gedetecteerd door lage drukreceptoren
b) AVP zorgt voor volume verhoging
c) Wordt geregeld ter hoogte van de nier
d) Alle bovenstaande

5) Sportieve jongen traint sinds juni 2016 voor een marathon in Brussel in 2017. In rust zal hij:

a) Een hogere HF hebben en een hoge polsdruk
b) Een hogere HF hebben en een lage polsdruk
c) Een lagere HF hebben en een lage polsdruk
d) Een lagere HF en een hoge polsdruk

6) De uitwisseling tussen capillairen hangt af van:

a) Diameter van capillair
b) Grootte van het molecule
c) Lading van het molecule
d) Viscositeit van het bloed

7) Een sportief iemand zal...

a) Een betere opname capaciteit van zuurstof hebben
b) Een toegenomen lengte van de spiervezels hebben
c) Betere citroenzuurcyclus enzymes hebben
d)

8) Tijdens ausculatie hoort men een diastolisch geruis. Oorzaak?

a) Mitralisstenose
b) Aortaklepstenose
c) Coronaire stenose
d) Mitralis insufficiëntie

9) Een sporthart is

a) Concentrisch
b) Excentrisch
c)
d)

10) Hartas bepalen

a) 30 graden
b) 60 gradne
c) 90 graden
d)

11) Het drukverval is het grootst in:

a) Arteriolen
b) Venulen
c)
d)

12) Grafiek met CO/RAP en een inspanningsproef

a) Punt A
b) Punt B
c) Punt C
d) Punt D

4) Noradrelanine verhoogt de contractiliteit van het hart bij binden aan

a) alfa-adenoreceptor
b) beta-1-receptor
c) beta-2-receptor
d) M2-muscarine receptor

5) De preload van het hart verhoogt als reactie na:

a) Dalen extracellulair volume
b) Verhoogde compliantie venen
c) Minder positieve inotropie ventrikel
d)

6) De mitralisklep opent onder invloed van

a) Papilairspieren relaxeren
b) Papilairspieren contraheren
c) De druk in het ventrikel daalt onder die van het atrium
d) Contractie van het atrium


Reeks 2

Hoofdvragen

1) Hoofdvraag Rademakers

Bespreek de eigenschappen van gegeven P-V-loop van iemand met hypertrofie van de hartspier

2) Hoofdvraag Spido

Bespreek de mechanismen waardoor bèta - blokkers ischemie van hart kunnen voorkomen.

3) Hoofdvraag Claus

Proximale aorta heeft een diameter van 2 cm, schat de flow die nodig is in een stenose van 75% in de thoracale aorta om turbulente flow te krijgen. Wat zal de invloed zijn op de diastolische flow? En hoe zal de flow-curve in de abdominale aorta veranderen bij het ouder worden?

4) Hoofdvraag Herijgers

Bespreek anatomie (morfologie + histologie) van het geleidingsweefsel in het hart

Meerkeuzevragen

1) Welk metabolisme gebruikt de skeletspier het meeste bij maximum inspanning?

a) Anaeroob metabolisme
b) ATP-voorraad
c) Oxidatief metabolisme
d) Lactaat metabolisme

2) Splitsing van harttoon. Oorzaak?

a) Later sluiten van pulmonalisklep
b)
c)
d)

3) Acuut myocardinfarct geeft pijn door

a) Lactaat vrijstelling
b) Prikkeling van diaphragma
c)
d)

4) Waar stroomt het bloed het traagst?

a) Systeemcapillairen
b) Weerstandsvaten
c) Linkeratrium
d) Aorta

5) Wat verlaagt vasculaire tonus?

a) Vrijzetting NO uit endotheel
b) Sympatische stimulatie
c)
d)

6) Wat gebeurt er tijdens de eerste fase van het Valsalva manoevre?

a) CVD stijgt
b) Hart klopt sneller
c) Aorta druk wordt lager
d)

7) Wat draagt niet bij aan de regulatie van fibrinolyse

a) Anti plasmine
b) Thrombomoduline
c) Plasminogeen activator
d) Fibrinogeen activator

8) Wat zorgt voor een langer QT segment op een ECG

a) Inname van kalium-supplementen
b) Bèta-blockers
c) Dofetilide inname
d)

9) ECG gegeven

a) Sinusbradycardie
b) Volledige 3de graad AV block
c) Voorkamerfibrillatie
d) Linker bundeltakblock

10) Wat is waar over lymfe-oedeem

a) Eiwitrijk
b) Kan niet in hersenen ontstaan
c) Kan ontstaan na verwijderen van lymfeknopen
d) Alle bovenstaande

11) Wat is niet waar over Purkinje vezels?

a) Perinucleaire accumulatie van contractiel weefsel
b) Veel glycogeen
c) Centraal gelegen kern
d)

12) Welk blad heeft de pulmonalis klep niet

a) Posterior
b) Anterior
c) Sinistra
d) Dextra

13) Welke stof of handleen toedienen helpt om hartslag te versnellen

a) Lidocaïne
b) Atropine
c) Acetylcholine
d) Carotismassage


Examenvragen academiejaar 2017-2018

Hoofdvragen

1. Hoofdvragen professor Sipido

a. Welke medicatie kan bijdragen tot remedie tegen ischemie van de coronairen, geef 2 voorbeelden + werking
b. Bespreek welke test inspanningscapaciteit meet en hoe + leg structurele en functionele veranderingen uit die plaatsvinden in het hart.

2. Hoofdvraag professor Claus

a. Collateraal en normale circulatie gegeven, bereken lengte en diameter van collateraal + is turbulente flow fysiologisch mogelijk? + wat als de vasodilaterende eig van de collateraal beperkt zijn tov het hoofdvat, wat gebeurt dan met de flow bij vasodilatatie?

3. Hoofdvraag professor Verbrugghe

a. Bespreek de morfologie + histologie van de v portae hepatis

Meerkeuzevragen

Casus 1: Oudere man die duizelig wordt bij het recht komen en snel moe is bij inspanning. Men verwacht een interne bloeding. Bij onderzoek constateert men inderdaad een gastro-intestinale bloeding, waardoor de man aan anemie lijdt.

1.Bij anemie verwachten we volgende zaken te zien in het bloed:

a. Reticulocytose 
b. Meer bloedplaatjes   
c. Meer macroerytrocyten
d. rolvorming 

2. Wat kan men bij deze man vaststellen bloeddruk en pols?:

a. Verlaagde polsdruk en verlaagde pols 
b. Verhoogde polsdruk, verlaagde pols
c. kleine polsdruk, snelle polsslag 
d. Verhoogde polsdruk, verhoogde pols

3. Wat is waar over de hersenen:

a. Ze gebruiken meest glucose als oxidatief metabolisme
b. Bloedstroom neemt toe bij inspanning 
c. Hebben veel lymfevaten
d. bloedflow kan vallen tot 25% van basale waarden

4. Een middel tegen anti-stolling:

a. Aspirine
b. vitamine K
c. bèta blokker
d. calcium

5. Wat is NIET waar over stolling etc.?:

a. verminderde t-PA zorgt voor verhoogde oplossing van bloedstelsels met bloedarmoede 
b. accumulatie van vWf dat bindt aan III…. zorgt voor adhesie
c. Ziekte van Glanzmann wordt veroorzaakt door een defect in binden aan gpIIb/gpIIIa

6. Welk klepblad zien we (foto craniaal zich op hartkleppen)?

a. Anterior klepblad van mitralisklep
b. Septale klepblad van mitralisklep

7. Bereken de ejectiefractie:EDS = 130 mmHg, ESV = 60 mmHg (was gegeven als PV-grafiek)

a. 0.54   
b. 1,03
c. 70 mL
d. 0.74

8. Berken het QT-interval: ECG gegeven, aantal kleine vakjes tussen QT = 3 vakjes 1 vakje = 40 ms)

a. 0.12s 
b. 0.20s
c. 0,32 
d. 0.40

9. Een persoon heeft een rechts dominant systeem. Welke bloedvaten lopen er door de  sulcus interventricularis post?:

a. v. cordis media
b. v. cordis parva
c. r. interventricularis posterior en a. circumflexa 
d. Ramus inferolateralis

10. Wat geeft GEEN takken af aan de pancreas?:

a. v. gastrica sinistra
b. a lienalis
c. a gastroduodenalis
d. a mesenterica superior

11. Welk soort EKG-afwijking zien we?

a. Sinusbradycardie 
b. 3e graads AV-blok 
c. Bundeltakblok
d. Voorkamerfibrilatie

12. Er welke weg legt katheter af? Er is een verstopping in de a sphenopalatina dextra, welke weg legt de katheder af bij het inbregen in de linker v femoralis.

a. A femoralis sinistra→ A iliaca externa sinistra → A iliaca communis sinistra→ A aorta abdominalis→ A aorta descendens→ arcus aortae→ truncus brachiocephalicus→ A carotis communis  dextra → A carotis externa dextra→ A maxillaris dextra→ A sphenopalatina dextra
b. A femoralis sinistra→ A iliaca externa sinistra → A iliaca communis sinistra→ A aorta abdominalis→ A aorta descendens→ arcus aortae→ truncus brachiocephalicus→ A carotis communis dextra → A carotis interna dextra→ A maxillaris dextra→ A sphenopalatina dextra
c. A femoralis sinistra→ A iliaca interna sinistra → A iliaca communis sinistra→ A aorta abdominalis→ A aorta descendens→ arcus aortae→ truncus brachiocephalicus→ A carotis communis dextra → A carotis externa dextra→ A maxillaris dextra→ A sphenopalatina dextra
d. A femoralis sinistra→ A iliaca externa sinistra → A iliaca communis sinistra→ A aorta abdominalis→ A aorta descendens→ arcus aortae→ truncus brachiocephalicus→ A carotis communis dextra → A carotis externa dextra→ A sphenopalatina dextra

13. Wat is waar over gemiddelde art druk?

a. Recht evenredig met totale perifere weerstand
b. Omgekeerd evenredig met hematocriet
c. Gemiddelde systolische en diastolische druk
d. Gemiddelde bloeddruk over 24h

14. Wat veroorzaakt waarschijnlijk pulmonale oedeem?

a. Gestegen arteriele druk?
b. Verminderde albumine
c. Gestegen hematocriet
d. Gestegen veneuze druk

15. Vena cava inferior zit dicht, wat draagt niet bij aan de omleiding naar VCS

a. v. rectalis inferior 
b. v. epigastrica superficialis 
c. v. hemiazygos
d. v. thoracica interna

16. Wat zien we?

a. arteria coronaria sinistra 
b. arteria coronaria dextra
c. arteria circumflexa
d. arteria inferolateralis

17. Swan ganz katheter meet

a. druk rechter atrium
b. druk linker atrium
c. hartdebiet
d. alle bovenstaand 

18. wat verhoogd de hartfrequentie

a. adrenaline
b. acetylcholine
c. NO
d. Adenosine

19. gedaald bloedvolume compenseren

a. meer ADH
b. zoutretentie
c. antiotensine voor constrictie
d. alle bovenstaande

19. endotheel capillairen hersenen

a. veel desmosomen 
b. gefenestreerd met membraan
c. discontinue lamina basalis
d. gefenestreerd zonder membraan
  

20. voortgeleidingssnelheid van het bloed is het hoogste in

a. purkinje vezels 
b. SA knoop 
c. AV knoop
d. voorkamer 

21. Grafiek: De vraag was welke verschuiving gebeurde bij een persoon met een myocardinfart + longoedeem en halsvenen opgezet (denk ik)?

a.	B 
b.	C 
c.	A
d.	D 

22. Wat zegt het meest over het volume in het linkerventrikel?

A. veneuze retour
B. eind diastolisch volume linker ventrikel

23. Bij auscultatie is er een diastolisch geruis te horen, dit komt door:

A. mitralisklepstenose
B. aortaklepstenose
C. coronaire stenose

24. oorzaak geruis thv a. carotis interna sinistra

A. vernauwing van de a carotis interna sinistra
B. gestegen viscositeit
C. ruis opstijgend vanuit het hart
D. de anemie zelf