Celbiologie I (E03Y0A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken



Algemeen

Dit opleidingsonderdeel maakt je vertrouwd met de grondslagen van de cellulaire structuur en functie in het menselijk lichaam. De klemtoon ligt op de fundamentele processen die in nagenoeg elk celtype van het menselijk lichaam voorkomen, zoals energievoorziening, genexpressie, groei en differentiatie, membraantransport, communicatie, beweging… Deze processen vormen immers de basis voor de meer gespecialiseerde functies van de verschillende systemen en orgaanstelsels in het lichaam die later in het curriculum aan bod komen. Het uitgangspunt hierbij is een geïntegreerde benadering van de cel. Inzichten uit verschillende wetenschappelijke disciplines (chemie, biologie, fysica, histologie, biochemie, genetica, fysiologie) worden gebundeld zodat een globaal en dynamisch beeld op het cellulaire gebeuren ontstaat. Bijzondere aandacht gaat naar de wisselwerking tussen moleculaire structuur en functie en naar de complementariteit van (sub)cellulaire architectuur en functies. Waar nodig worden de onderliggende beginselen van scheikunde en fysica uitgediept en toegepast op specifieke celbiologische problemen. Het opleidingsonderdeel beoogt ook een translationeel aspect door celbiologische inzichten in een medische context te plaatsen. Voor een aantal ziekten wordt aangetoond hoe mutaties, toxines, infecties… de normale celbiologische processen verstoren en zo welbepaalde ziektebeelden opwekken. Verder wordt geïllustreerd hoe een goed begrip van moleculaire structuur en functie toelaat om het werkingsmechanisme van geneesmiddelen te begrijpen of om nieuwe farmaca te ontwikkelen. Tot slot is dit opleidingsonderdeel ook een kennismaking met de wetenschappelijke methode. Voor een aantal concepten wordt dieper ingegaan op de onderliggende experimentele evidentie om zo de wetenschappelijke manier van denken in celbiologie duidelijk te maken.De klemtoon van deel I ligt op Structuur en functie van macromoleculen en hun bouwstenen, energiemetabolisme, eitwitsynthese, replicatie en celcyclus en celdifferentiatie

De practica zijn enerzijds bedoeld om je een aantal praktische vaardigheden aan te leren en anderzijds vormen zij een illustratie van de theorie en een verdieping van de leerstof.

Aan de hand van opdrachten leer je in de werkzittingen kritisch nadenken over de theorie en de theorie praktisch toepassen. Je verwerft een geïntegreerd zicht op de verschillende onderdelen van de theoretische cursus.

Examenvorm

Meerkeuzevragen: vragen met 4 keuzemogelijkheden; met giscorrectie

Er is voor het gehele opleidingsonderdeel één eindscore op 20 punten met volgende weging:

- het meerkeuzevragenexamen telt mee voor 18 van de 20 punten

- het practicum telt mee voor 2 van de 20 punten

Aanwezigheid op de practica is verplicht en is voorwaarde om deel te nemen aan het examen.

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen.)

- Het proefexamen is gemakkelijker dan het echte examen. Mispak je hier dus zeker niet aan!

- Alle details uit de hoofdstukken uit Becker’s World Of The Cell zijn belangrijk. Ook zaken waarvan je denkt: dit kan niet belangrijk zijn, worden gevraagd. Verder is het ook belangrijk om de slides met jouw nota’s uit te les te bekijken. Sommige zaken uit de slides staan immers niet in het boek. Het is een heel zwaar vak om te leren. Begin er dus zeker op tijd aan! Het boek samen met de slides samenvatten kan eventueel ook handig zijn, zeker als je niet gemakkelijk leert vanuit een engelse tekst (maar laat zeker niet te veel details weg dan!).

- Voor het examen is het interessant om de examenvragen van de voorbije jaren op Wikimedica te bekijken (dit geldt eigenlijk voor bijna elk vak). Veel vragen hieruit komen terug op het examen. Soms past professor Bollen de vraag wel lichtjes aan, zodat het toch een nieuwe vraag wordt (bijvoorbeeld ‘niet’ toevoegen). Lees dus op het examen zeker de vragen goed en ga er niet zomaar van uit dat het dezelfde vraag is als vorige jaren.

- De laboratoria staan op 2 van de 20 punten. Je komt nooit echt te weten hoeveel je hierop hebt, tenzij je achteraf je examen gaat inkijken.


Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

 

Dit zijn samenvattingen van herhalingslessen van chemie door medewerkers van het monitoraat gegeven tijdens de lessen Celbiologie 1. Dit behoorde in het academiejaar 2015 - 2016 niet tot de examenleerstof, maar diende enkel als achtergrond informatie.

- File:Herhalingsles 1 substituent en mesomerie.docx
- File:Herhalingsles 2 bindingstypes.docx
- File:Herhalingsles 3 chemie stereo-isomerie suikers.docx (Dit bestand is zeer onvolledig.)


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen.)

Examen 2017-2018

1. Wat leidt bij inactivatie niet tot genetische instabiliteit?

Bcl2.
DNA poymerase eta
Mad
Brca1

2. Een vraag over fotosynthese: wat is fout

NAD+ is terminale elektronenacceptor.
ATP synthase koppelt ATP synthese en protonenstroom 
De elektronenoverdracht vindt plaats tussen fotosysteem I en II
De elektronen komen van H2O

3. Hemoglobine is een hetrotetrameer dat

Kan zuurstof opnemen bij lage zuurstofspanning in de longen
Geeft omwille van zuurstofspanning O2 af aan perifere weefsels 
Het kan zo volledig gesatureerd geraken in de longen
Het kan 4 O2-moleculen tegelijkertijd binden

4. Wat verandert er grafisch bij een niet-competitieve inhibitor aan de lineweaver Burk plot?

De rico wordt groter = de helling wordt steiler.
Snijpunt met x-as verandert
Km/Vmax wordt groter 
Snijpunt met y-as blijft hetzelfde


5. Glycogeen fosforylase :

Substraat is glucose 
wordt actief door fosforylatie 
Breekt alfa(1-->4) binding van glycogeen door hydrolysereactie
Product is glucose-6-fosfaat

6. Vader heeft genotype AABB en moeder AaBb , wat is de kans dat het kind genotype AaBb heeft als je weet dat de dominante allelen van de vader op 1 chromosoom lagen?

½.
¼
⅛

7. ...n het mRNA om op deze plaats tot uiting te komen?

3’ van stopcodon
3’ van startcodon
Aan de enhancer
5’ van transcriptie start site (TSS)

8. Polypeptiden wat is fout:

Bevat altijd polaire groepen
Andere C en N term
Bevat altijd een a helix , b plaat en/of hairpin loop
Ze wegen altijd meer dan 160 kDa

9. Een mutatie in een stuk DNA waarvan de 3’-->5’ streng en de 5’-->3’ streng gegeven werd. Men vertelde dat er normaal gezien een polypeptide werd gevormd met een bepaalde volgorde van AZ (deze AZ waren gegeven; je moest dus zelf bepalen, door het opstellen van de bijhorende mRNA streng, waar het stukje dat codeerde voor het polypeptide van start ging. Zo kon je achterhalen in welk codon dat voor een bepaald AZ van dit polypeptide codeert, de mutatie plaatsvond). De mutatie hield een T/A wissel in (deze was ook duidelijk aangeduid, het base was vetgedrukt), je moest vervolgens bepalen wat voor mutatie er optrad. (tabel met verschillende AZ en de bijbehorende basensequenties werd gegeven).

Nonsense mutatie
Missense mutatie
Silent mutatie
frameshift

10. Wat zorgt voor een dubbele breuk in DNA?

Taxol
Fluorouracil
Temozolomide
Doxorubicine


11. Een eiwit Met-Lys-Lys-Lys-Lys wordt plots maar Met-Lys na toevoeging van een bepaald gif. Wat is waarschijnlijk het effect van het gif?

Inhibeert GTP hydrolyse
Inhibeert translocatie
Inhibeert petidebinding maken ofzo(peptidyltransferase?)

12. We willen de expressie van een eiwit hsp70 bestuderen. We gebruiken een fluorescente probe die moet binden op: (Er was bovendien ook iets gegeven over het gebruik van een Northern blot)

Intron
Exon
poly-A staart
mRNA  

13. Bij welke stap in de glycolyse wordt Pi/ Pa toegevoegd?

Vorming van glucose-6-fosfaat
Glyceraldehyde-3-fosfaat oxidatie.
Splitsing van glucose-1,6-bifosfaat
Vorming van glucose-1,6-bisfosfaat

14. E7 (HPV) zorgt voor

Fosforylatie Rb
Inhibeert interactie Rb-E2F.
Iets met p53
Tweede mogelijkheid met p53

15. Experiment met gegevens snelheid en substraat. Hoeveel is Km ongeveer?

16. Wat is geen kenmerk van apoptose?

Signaaltransductie via B-lymfocyten
Fragmentatie van nucleïnezuren 
Macrofagen 
Cyt c-apaf complex

17. Wat is juist over de Ames test?

Is evenwaardig voor gist en zoogdiercellen
Gebaseerd op minder kolonievorming in aanwezigheid van carcinogeen
Transfectie van de bacteriën met histidine synthase is noodzakelijk
Is niet mogelijk voor pre-carcinogenen die in de lever door P450 nog omgezet worden

18. Welk enzym is geen hydrolase?

Aldolase
Separase
Caspase
Tripsine

19. DNA synthese

Tegelijkertijd discontinu en continu
De leidende streng is sneller dan de navolgende streng
Gebruikt DNA primase

20. Wat is niet juist? Fosforylering en defosforylering:

Is gepaard met het breken van een fosfodiesterbinding
Defosforylering is temperatuur onafhankelijk 
kinasen en fosfatasen katalyseren een omgekeerde chemische reactie

21. FISH kan niet gebruikt worden voor

Chromosoom translocatie
Methylering aantonen
Chromosomen identificeren
Trisomie

22. Uw gen van uw lac, enkel de lac operon wordt vervangen door een Trp operon, al de rest is nog intact.

Het gemodificeerde lac operon zal bij grote hoeveelheden tryptophan niet worden afgeschreven
CAP zal zijn operator niet binden in afwezigheid van glucose
Thryptophan-operon zal worden afgeschreven bij grote hoeveelheden thryptophan


23. Wat bevat het meeste energie? Van hoog naar laag

C=C, C-H, zichtbaar licht, infrarood licht
C=C, C-H, infrarood licht, zichtbaar licht 
C=C, infrarood licht, C-H, zichtbaar licht 
C-H, C=H, infrarood licht, zichtbaar licht

24. Toedienen van dinitrofenol.

O2 consumptie maar minder ATP synthese
ATP synthese maar geen O2 consumptie

25. Een transcriptiefactor bindt aan DNA, welke techniek moet je toepassen om de sequentie te bepalen waarop deze transcriptiefactor gebonden is?

Chip-seq
DNA Fingerprinting 
Crispr-cas
Yeast-2-hybrid

26. Het Meselson-Stahl experiment leverde in de eerste generatie dochterstrengen...

A: een intermediair evenwicht op tussen strengen met N15 en
N14 
B: een toename van de verwijdering van het DNA in het CsCl
 C: strengen met enkel N14
 D: strengen met enkel N14 of N15

27. Vraag over lysine dat vervangen wordt in DNA. Welke AZ hebben het meeste en minste effect. Minst Meest:

	Arginine 		glycine 
	Arginine 		Glutaminezuur 

28. Wat is waar over telomerase

Heeft DNA polymerase en RNA matrijs
Heeft DNA- en RNa polymerase 
DNA polymerase en RNA primer 
DNA polymerase en primase 

29. Per mol acetylcoA dat de CZC binnengaat

levert 2 mol FADH2
Levert 2 mol CO2
Netto winst van 1 mol oxaloacetaat
Levert 1 mol citraat


30. 2 uitspraken I) RNA editing zijn posttranscriptionele modificatieprocessen ofzo van matuur mRNA II) Iets met posttranslationele fosforylering van CTD domein dat een effect zou moeten hebben op een posttranscriptioneel proces

A) Enkel 1 is juist
B) Enkel 2 is juist
C) Zowel 1 als 2 zijn juist
D) Beide fout

31) een gegeven DNA triplet van de template streng, waarvan je dan moest zeggen welk AZ het vormt

His
Val
Leu
Tyr 

32) Waar zijn ribozymen niet bij betrokken?

Pre-mRNA splicing
Translatie
RNA proofreading
siRNA knockdown 

33) Wat klopt niet

a) onder anaerobe omstandigheden wordt pyruvaat in de spieren omgezet tot lactaat
b) onder aerobe omstandigheden wordt pyruvaat gedecarboxyleerd
c) onder aerobe omstandigheden wordt pyruvaat tot acetaldehyde (?) omgevormd via decarboxylering → das wel juist want pyruvaat verliest toch CO2 
d) Pyruvaat wordt in anaerobe omstandigheden in gist geoxideerd tot 3-fosfoglyceraat

34. I) delta G > 0 dan is Keq > 1; II) delta G = 0 dan is Keq = 1

Enkel 2 juist
Enkel 1 juist
Beide juist
Beide fout 

35. Wat is niet juist over een retrovirus

HIV is een retrovirus
viraal RNA inserteert in het genoom
mRNA codeert voor virale eiwitten
reverse transciptase is een DNA polymerase en afhankelijk van zowel DNA en RNA

37. 2 DNA strengen gegeven (één van 5’ → 3’, andere 3’ -> 5’), RNA polymerase ging hier dan aan transcriptie doen. Hierbij was er een antwoord dat je de RNA streng niet kon weten

38. HOXD4 werd compleet vervangen door GFP, de muizen, en de muizen zijn leefbaar, wat kan er uit deze modellen van muizen niet worden afgeleid?

In welke cellen HOXD4 tot expressie kwam
In welke embryonale fasen HOXD4 tot expressie kwam
In welk weefsel HOX4D tot expressie komt
Waar in de cel HOX4D normaal is gelokaliseerd (subcellulaire lokalisatie)

39) Wat is de reden voor het unidirectioneel transport door de nucleaire poriën?

GTP hydrolyse bij het transport van uw eiwit
NTF-2  dat uitsluitend aanwezig is in het cytosol
GAP dat in het cytosol aanwezig is en GEF in het nucleus
missen van NLS

40. Hoe komt het dat er maar 1 keer DNA gerepliceerd wordt tijdens de S-fase?

MCM wordt niet nog een keer gerecruteerd
Geminine zorgt voor de afbraak van helicase loaders
S-fase CDK is slechts tijdelijk actief
MCM wordt geubiquitineerd voor afbraak

41. Wat zorgt niet voor de activatie van mitotische promoting factor (MPF)?

ubiquitinering cycline
fosfatase cdk 
fosferylering cdk
Fosforylering CDC25

42. Wat geldt voor een nucleosoom

H1-4 histonen
Alleen in eukaryoten
Het herkent een specifieke  DNA sequentie
Het omvat een DNA-streng van 10-50 nt 

43. Welk eiwit zorgt niet voor proliferatie

Rheb
PTEN
Fos
Ets

44. Activering van het mid-mitotisch checkpoint, wat gebeurt er?

activatie APC-Cdc20
inactivatie APC-Cdc20
ubiquitination securine
Geen microtubuli-kinetochoor verbinding 

45. Welke enzymen komen tussen bij het herstel van deaminering van een guanine?

DNA glycosylase 
Exonuclease
DNA polymerase eta
UVR eiwitten

46. Er is een anticodon UAI (3’ -> 5’) gegeven. Wat is de aminozuur die er getranslateerd gaat worden door de binding van deze anticodon aan de mRNA?

a) Val en Ile
b) Tyr
c) Ile 
d) Ile en Met

47. Gegeven een cel zonder centrosoom. In dergelijke cellen nemen chromosomen de rol in de vorming van mitotische spindle. Aan de hand van welk molecule gebeurt dat?

Onafhankelijk Ran Importine die nodige componenten met zich mee brengt
Door ran importine aan chromosomen 
Door uit elkaar gaan van ran importinecomplex aan de chromosomen (dit was het denk ik)
Gtpase wordt getransloceerd naar chromosomen (denk ik)

48. Wat bevat geen sfingosine?

a) sfingolipiden
b)  glycolipiden
c) ceramiden
d) fosfoglyceriden

49. Waar bindt miRNA op

Promoters in het DNA
mRNA van genen
Partieel of volledig op mRNA
Partieel of volledig op enkel viraal (m?)RNA

50. rRNA wordt gemethyleerd met SAM als donor. Stel dat dit radioactief wordt gemerkt, waar zal je dit dan terugvinden?

43S RNA complex en de mature 28S, 18S en 5.8S
43S RNA complex, maar niet in de mature 28S, 18S en 5.8S
mRNA?


Examen 2016-2017

1) Hoeveel gate-keepers en care-takers staan er in volgende lijst: Brca1, Brca2, polymerase èta, trypsine, Tubuline, MSH6, p53, Rb protein, XP-B, TGF bèta receptor.

A: gate keepers: 4            care-takers: 6
B: gate keepers: 4            care-takers: 5
C: gate keepers: 3            care-takers: 5
D: gate keepers: 5	        care-takers: 4

2) Thymine dimeren worden hersteld door:

A: Translesie synthese
B: Base excision repair
C: Nucleotide excision repair
D: Mismatch-excision herstel

3) Waterige oplossing met pH=4, wat is dan de concentratie OH-

A: Niet af te leiden uit de verkregen gegevens
B: 0 M
C: 10^-10 M                         
D: 10^-4 M

4) Zet volgende stoffen in volgorde van energie die vrijkomt bij hydrolyse van de eindstandige fosfaatgroep van meest negatieve delta G naar minst negatieve delta G

A: PEP < 1,3-bisfosfoglyceraat < fosfocreatine < ADP < glucose-1-fosfaat
B: PEP < ADP < 1,3-bifosfoglyceraat < glucose-1-fosfaat < fosfocreatine
C: glucose-1-fosfaat < ADP < fosfocreatine < 1,3-bifosfoglyceraat < PEP
D: 1,3-bifosfoglyceraat < fosfocreatine < PEP < ADP < glucose-1-fosfaat

5) In welke stap van de glycolyse wordt inorganisch fosfaat verbruikt?

A: Splitsing van fructose-1,6-bisfosfaat
B: Vorming glucose-6-fosfaat
C: Oxidatie glyceraldehyde-3-fosfaat
D: Vorming fosfoenolpyruvaat

6) In welke volgorde treedt galactose in in de glycolyse

A: Galactose1P-> UDP-galactose-> UDP-glucose-> Glucose1P
B: Galactose1P-> UDPgalactose->glucose6P-> glucose1P
C: Galactose 6P -> UDP galactose -> UDP glucose -> Glucose 1P
D: Galactose1P -> UDP galactose -> glycerol 3 P ->  glucose 1P

7) Wat wordt er weergegeven op een Eadie-Hofstee plot?

A: 1/V en 1/S
B: V/S en V
C: 1/S en S/V
D: V/S en 1/V

8) Wat is een eigenschap van invasieve tumorcellen?

A: Overexpressie van E-cadherine
B: Overmatige afbraak van bèta-catenine
C: Meer expressie van endogene Rho-GTPase
D: Verminderde plasminogeen activator

9) Wat draagt niet bij tot resistentie van tumorcellen?

A: Heterogeniteit van tumorpopulatie
B: Opstapeling bijkomende mutaties
C: Verhoogde productie van ABC-transporters
D: Stimulering van angiogenese

10) Telomerase is:

A: DNA polymerase met RNA matrijs
B: DNA polymerase met RNA primer
C: Zowel een reverse transcriptase als een primase
D: Zowel een DNA polymerase als een primase

11) Wanneer is de som van 2 deelreacties exergonisch te noemen?

A: Als delta  G1 + delta G2 < 0
B: Als zowel delta G1 als delta G2 >0
C: Als tenminste één van beide niet exotherm is (niet meer zeker van)
D: Als tenminste één beide spontaan verloopt

12) Wat komt in de mitochondriale matrix tijdens de malaat-aspartaat shuttle

A: malaat en aspartaat
B: malaat en glutamaat
C: oxaloacetaat en glutamaat
D: oxaloacetaat en aspartaat

13) Welk transport over het binnenste mitochondriale membraan verloopt niet rechtstreeks gekoppeld?

A: ATP en ADP
B: Pi en OH-
C: Glycerol-3-fosfaat en dihydroxyacetonfosfaat
D: Pyruvaat en H+

14) Waarvoor dient de 5’-> 3’ exonuclease activiteit van DNA polymerase

A: Verwijderen van RNA primer
B: synthese van de lagging strand
C: Corrigeren van fouten tijdens replicatie
D: Geen van bovenstaande

15) Pyruvaat decarboxylase en pyruvaat carboxylase zijn respectievelijk

A: Ligase en lyase
B: Ligase en hydrolase
C: Hydrolase en lyase
D: Lyase en ligase

16) Wat is een deel van cholesterol?

A: cholesterol bevat enkel koolstof en waterstof
B: alcoholgroep
C: carbonylgroep
D: acylgroep

17) RNA editing is:

A: Maturatieprocessen van mRNA na RNA splicing
B: inbouwen van gemodificeerde basen in tRNA
C: basen wijzigen in gerijpt mRNA
D: verwijderen van introns

18) Ferritine expressie:

A: als er voldoende ijzer in de cel aanwezig is
B: Binding IRE binding protein aan IRE in 3’UTR
C: binding van Fe aan IREbinding protein zorgt voor activatie
D: binding van IRE binding protein aan 5’UTR (ongeveer)

19) Tryptofaan operon:

A: inactiveert een repressor
B: activeert een activator
C: tryptofaan induceert een transcriptie-terminatie
D: bindt op het operator

20) Nuclear run-on essay:

A: kan gebruikt worden om specifieke sequenties op te sporen 
B: gebruik van een reverse transcriptase is nodig
C: hybridisaties om te kijken welk transcript tot uiting komt

21) CREB

A: zorgt voor rekrutering van een histon acetyltransferase (HAT)
B: vormt een heterodimeer na fosforylering door proteïne kinase a
C: vertoont een hogere affiniteit voor de CRE-bindingsplaats na fosforylering
D: heeft een allosterische bindingsplaats voor cAMP

22) Complementariteit tussen een antilichaam en een antigen wordt bepaald door:

A: complementariteit tussen antilichaam en CDR (complementary determining region)
B: aantal niet-covalente interacties tussen antilichaam en antigen
C: de Km
D: aantal antigen bindingsplaatsen

23) Op basis waarvan worden ES cellen geselecteerd die homologe recombinatie ondergingen?

A: resistentie tegen ganciclovir en G-418
B: gevoeligheid voor ganciclovir en G-418
C: gevoeligheid voor ganciclovir en resistentie voor G-418
D: resistentie voor ganciclovir en gevoeligheid voor G-418

24) Waarin speelt DNA methylering GEEN rol?

A: paternale imprinting 
B: het vormen van P bodies
C: differentiatie in de oögenese
D: Expressie van HMLalpha en HMRa locus

25) Wat is de laatste stap van de G2/M?

A: Vorming Cdk-cycline complex
B: Fosforylering van Cdk
C: Defosforylering van Cdk
D: Verwijderen van een inhibitor van Cdk

26)Waarin spelen ribosomen GEEN rol?

A: vorming van amino-acyl tRNA
B: binding van tRNA aan mRNA
C: vorming van peptidebindingen
D: recrutering van translatiefactoren

27) Waarin speelt het EJC een rol?

A: non-sens gemediëerde afbraak
B: afbraak van mRNA bij afwezigheid van stopcodons
C: splicing van pre-mRNA
D: Non-stop gemediëerde afbraak

28) Bepalen van een pre-carcinogeen dmv. de Ames test is gebaseerd op:

A: eerst inwerken met een lever-extract
B: een inactiverende mutatie in bacteriëel enzym
C: iets met cytochroom P680
D: bacteriën in een His-rijke oplossing

29) Wat herkent GEEN nucleotidensequentie?

A: co-activator
B: release factor
C: cAMP-CAP complex
D: Oestrogeenreceptor

30) Wat is waar over mitochondrionaal DNA?

A: codeert voor niet-mitochrondriale eiwitten
B: omvat intergenisch, niet-coderend DNA
C: bevat DNA geassocieerd met histonenoctameer
D: replicatie is synchroon met nucleair DNA

31) Fosforylering van eIF2

A: Geen binding tussen eIF2 en fMet
B: is een algemene regeling voor de globale translatie
C: Verhindert binding aan 5’ cap
D: is een gevolg van een overvloed aan heem

32) De alpha fosfaat van ATP is:

A: gebonden aan ribose via een fosfoesterbinding
B: tussen ribose en adenine
C: de verste fosfaat van adenosine 
D: gebonden aan ribose via een fosfoanhydridebinding

33) Productie van transgene muizen

A: DNA injectie in bevruchte eicel -> embryotransplantatie
B: intraveneuze injectie van...
C: DNA injecteren in de muis (gentherapie)
D: DNA injecteren in de spermacel (in vitro fertilisatie)

34) De stabiliteit van een alpha helix wordt bepaald door:

A: afwisselende volgorde van polair-apolaire aminozuren
B: minimale sterische interactie tussen de zijketens van aminozuren
C: compactering door Van der Waals krachten
D: hydrofobe krachten

35) Rol van proteolyse door proteasoom:

A: hydrolyse, dus er wordt geen energie verbruikt
B: Binden op degrons van polypeptideketen
C: ubiquitinering op C-terminus
D: afbraak van verkeerd-gevouwen proteïnen

36) Gist dubbel-hybride systeem:

A: is gebaseerd op de reconstitutie van een transcriptiefactor
B: gaat vaak samen met genomische bibliotheek screenen
C: wordt gebruikt om DNA bindingsdomein te testen op transcriptiefactordomein
D: vereist dimerisering transcriptiefactor ofzo

37) Genamplificatie van genen gebeurt niet bij:

A: maturatieproces van rode bloedcellen in zoogdieren
B: rRNA aanmaak tijdens oögenese van sommige groepen dieren
C: replicatie in de speekselklieren in larven van sommige insecten
D: mutaties van proto-oncogenen tot oncogenen

38) de voornaamste bronnen van oxaloacetaat in de cellen van de lever zijn

A: malaat dehydrogenase en pyruvaat carboxylase
B: malaat dehydrogenase en PEP carboxykinase
C: pyruvaat carboxylase en PEP carboxykinase
D: malaat dehydrogenase en pyruvaat dehydrogenase

39) Wat is waar over de major groove in de DNA dubbele helix?

A: zorgt ervoor dat eiwitten DNA-specifiek kunnen binden
B: veroorzaakt door loodrechte binding van de basen op ribose
C:DNase 1 heeft betere toegang in de major groove dan in de minor groove
D: is verantwoordelijk voor de flexibiliteit (of zo)

40) Welke van volgende enzymen werken in het cytosol?

Glycogeen fosforylase, pyruvaat kinase, pyruvaat dehydrogenase, cytochroom c oxidase, aldolase
Correct antwoord: glycogeen fosforylase, pyruvaat kinase, aldolase

41) E6 dat door HPV gemaakt wordt:

A: zorgt voor versnelde afbraak van p53
B: zorgt voor celdood (apoptose)
C: interfereert in de interactie van Rb met E2F
D: inactiveert Rb

42) ChIP werking

A: voor lokalisatie nucleosomen te bepalen
B: vrije histonen afzonderen
C: de graad van histonmodificaties bepalen
D: condensatie-graad van het chromatine bepalen

43) Wat wordt er bij footprinting onderzocht?

A: lengte van restrictiefragmenten
B: welke eiwitten er op een specifiek DNA sequentie binden
C: bepalen van aanwezigheid van regulerende sequenties
D: identificatie door unieke sequenties

44) Bij een enzym-geactiveerd complex is de Km:

A: bepaalt de vorm van de Michaelis Menten curve
B: een maat voor de snelheid van de reactie
C: een maat voor de affiniteit van het substraat 
D: bepaald de Vmax

45) Een cultuur zoogdiercellen met een cyclus van 24h (alle cellen in dezelfde fase) wordt geincubeerd in een oplossing van bromodeoxyuridine (vervangt alle deoxythymidinemonofosfaat en creëert dus een zwaardere streng). Vervolgens wordt deze cel voor 48 uur lang in een oplossing gebracht zonderbromodeoxyuridine. Welke percentages lichte en zware ketens bekomt men na evenwichtsdensiteitcentrifugatie van het DNA van deze cellen?:

A: H/H 50 H/L 50
B: H/L 25 H/H 75
C: H/L 50 L/L 50
D: H/H 50 L/L 50

46) Wat weet je wanneer substraat <<<< Km

A: v in Lineair verband met S
B: minder gevoelig aan een competitieve inhibitor
C: bepalend voor de Vmax

47) Wat is waar over een co-repressor

A: Het wordt gerekruteerd door een repressor
B: Het heeft een DNA-bindingsdomein en een activatie domein
C: Het treedt in competitieve inhibitie met de co-activator voor de bindingsplaats op de activator
D: bindt RNA

48) Een homeoproteïne

A: heeft een helix-turn-helix bindings domein
B: Wordt bij zoogdieren gecodeerd door 2 Hox genen
C: heeft een DNA bindingsdomein en een repressordomein
D: Is verantwoordelijk voor de vergroeiing van vingers en tenen bij senioren

49) Micro RNA

A: Inhibeert de translatie van (partieel) complementair transcript
B: Zorgt voor de afbraak van complementaire fragmenten met Dicer
C: Bestaat in afgewerkte vorm uit ongeveer 70 nucleotiden
D: Wordt gemaakt uit vreemd dubbelstrengig RNA

50) Bij een mutatie die zorgt voor een disfunctie van het APC

A: wordt er meer beta-catenine gesynthetiseerd 
B: Wordt er minder beta-catenine afgebroken
C: Beta-catenine gefosforyleerd
D: Meer expressie van E-cadherin

Examen 2015-2016

1)Wat leidt niet tot genetische instabiliteit?

  A: p53
  B: Mad/Bub 
  C: EGF-receptor.
  D: DNA polymerase èta

2)De K'eq voor de omzetting van A in B is 10^4. Wat weet je over deze reactie?

  A: [A]>[B] als de reactie in evenwicht is
  B: de delta G0' is positief
  C: de omzetting naar B verloopt snel
  D: de reactie verloopt mogelijk traag.

3)RNA editing is:

  A: aan het 3'uiteinde een poly(A)tail toevoegen en een 5'cap toevoegen
  B: inbouwen van gemodificeerde basen in tRNA
  C: basen veranderen in matuur RNA.
  D: verwijderen van introns

4)Wat is een belangrijke glycolytische metaboliet, dat een voorloper is van een belangrijke elektronendrager naar de binnenste mitochondriale membraan?

  A: dihydroxyaceton-fosfaat.
  B: phosphoenolpyruvaat
  C: glyceraldehyde-3-fosfaat
  D: 1,3-biphosphoglyceraat

5)Wat is de oorzaak van prionziekten?

  A: prion-geïnduceerde vormveranderingen van andere prionen
  B: prion-geïnduceerde vormveranderingen van andere niet-prionen
  C: niet-prion-geïnduceerde vormveranderingen van andere prionen.
  D: niet-prion-geïnduceerde vormveranderingen van andere niet-prionen

6)De oxidatie van 1 mol acetylCOA in de TCA leidt rechtstreeks tot:

  A: de vorming van 1 mol citraat
  B: de vorming van 2 mol CO2.
  C: de vorming van 2 mol ATP
  D: het verbruik van 1 mol oxaloacetaat

7)In de polytene chromosomen bij bijvoorbeeld klieren van insecten zien we in de chromosomen "puffs".

  A: meer open chromatine.
  B: cyclusstop tijdens de S-fase
  C: meerdere replicaties zonder deling
  D: het CTD dat gefosforyleerd is (RNA polymerase III)

8)Wat doet het Humaan Papiloma Virus?

  A: stabilisatie van p53
  B: fosforylatie van Rb.
  C: activatie van E2F
  D: inhibeert Mdm2

9)Hoeveel AZ zitten er in een polypeptide van 33kDa?

  A: 100
  B: 300.
  C: 1000
  D: 3000

10)Het branchpoint:

  A: bindt snRNP U1
  B: heeft 3 phosphodiësterbindingen in de lariatstructuur.
  C: vormt een phosphodiësterbinding op het 1' koolstofatoom
  D: mist een 2'OH-groep

11)Wat is telomerase?

  A: reverse transcriptase.
  B: DNA polymerase met RNA primer
  C: telomerase verlengt de 5'streng van DNA
  D: komt zowel voor bij prokaryoten als eukaryoten

12)Transferrine receptor mRNA:

  A: wordt gestabiliseerd bij een hoge concentratie ijzer
  B: heeft een AU-rijke IRE sequentie.
  C: heeft een hairpin loop aan de 5'kant
  D: iets met de 5'UTR

13)Wat is geen stap tussen galactose en pyruvaat?

  A: glucose-6-fosfaat [mogelijks een andere mogelijkheid]
  B: UDP-glucose
  C: 3-fosfoglyceraat
  D: glycerol-3-fosfaat.

14)Van waar komt de CO2 uit de citroenzuurcyclus?

  A: oxaloacetaat.
  B: Acetyl-CoA
  C: de carboxyl van acetaat en de carboxyl van oxaloacetaat
  D: de carboxyl van acetaat en de keton van oxaloacetaat

15)Waarvoor wordt een DNA microarray gebruikt?

  A: mRNA expressiepatroon onderzoeken.
  B: het vergelijken van verschillende genomen
  C: DNA expressiepatronene
  D: Eiwitexpressiepatronen onderzoeken

16)Wat geldt voor amonoacyl-tRNA synthetasen?

  A: het zijn ligasen.
  B: bindt een AZ op het 5'uiteinde van tRNA
  C: proeflezing door middel van transferasewerking
  D: herkent het codon van tRNA

17)Wat geldt voor CREB?

  A: rekruteert een histonmodificerend eiwit.
  B: wordt getransloceerd naar de kern bij aanwezigheid van cAMP
  C: bindt cAMP [niet zeker]
  D: functioneert als een heterodimeer [niet zeker]

18)De stabiliteit van bètastrengen wordt vooral bepaald door:

  A: minimale sterische hindering tussen de R-groepen.
  B: waterstofbruggen tussen de zijketens
  C: afwisselende hydrofobe en hydrofiele AZ
  D: hydrofobe interacties

19)Affiniteit tussen antilichaam en antigen wordt bepaald door:

  A: de Km
  B: het aantal niet-covalente interacties.
  C: het aantal waterstofbruggen [niet zeker]
  D: binding aan het CDRdomein

20)Het exoskelet van insecten bestaat uit:

  A: N-acetylglucosamine (alfa 1-4)
  B: N-acetylglucosamine (beta 1-4).
  C: alpha glucosamine 1-4
  D: bèta glucosamine 1-4

21)De 5'cap van mRNA:

  A: bevat een 5-5 fosfodiësterbinding.
  B: biedt bescherming tegen endonucleasen
  C
  D: acetylering van eindstandige G-base

22)Wat kan je afleiden uit het snijpunt met de y-as in de Lineweaver-Burke plot?

  A: de efficiëntie van het enzyme
  B: hiermee kan je de Km berekenen.
  C: de affiniteit voor het substraat
  D: dit punt komt overeen met Vmax/2

23)Ramachandrandiagram:

  A: de verhouding van de hoeken tussen de C(alfa) en de CN-binding.
  B: De verhouding van AZ tov elkaar
  C
  D

24)Waarom heeft een enzym een pH-optimum?

  A: denaturering bij afwijkende pH
  B: ionisatie van zure en basische AZ.
  C: compactering (VDW krachten)
  D: H-bruggen

25)Wat is geen kenmerk van de apoptose?

  A: afbraak eiwit
  B: translocatie van cytochroom c
  C: activering van de APAF-1 receptor
  D: fagocytose

26)Welk organisme heeft de meeste genen?

  A: Arabidopsis.
  B: C. Elegans
  C: S. Cerevisae
  D: Drosophila

27)Welk eiwit komt niet voor als inactieve precursor?

  A: insuline
  B: enterokinase.
  C: caspase
  D: chymotrypsine

28)Op basis waarvan worden ES cellen geselecteerd die homologe recombinantie ondergingen?

  A: resistentie tegen ganciclovir en G-418.
  B: gevoeligheid voor ganciclovir en G-418
  C: gevoeligheid voor ganciclovir en resistentie voor G-418
  D: resistentie voor ganciclovir en gevoeligheid voor G-418

29)Het lactose operon:

  A: CAP kan zijn promotor binden als cAMP gebonden is.
  B: CAP bindt op de promotor van het lac operon en inhibeert de binding van RNA polymerase
  C
  D

31)Wat is onjuist over fosfatase?

  A: het verandert de lading van het eiwit
  B: het is exotherm
  C: het vormt een fosfaatester
  D: is het omgekeerde van wat een kinase doet

32)De hoeveelheid tRNA synthetasen en AZ:

  A: er zijn evenveel tRNA synthetasen als AZ.
  B: er zijn evenveel tRNA synthetasen als tRNA's
  C: er zijn evenveel tRNA's als AZ
  D

33)Sikkelcelanemie:

  A: wordt veroorzaakt door een conservatieve mutatie van het globine gen
  B: leidt tot aggregatie van rode bloedcellen.
  C: leidt tot vorming van hemoglobinefilamenten
  D: Hemoglobine kan zuurstof minder goed binden

34)Bij de Sanger methode voor de sequentiebepaling van DNA:

  A: wordt reverse transcriptase gebruikt
  B: wordt een RNA primer gebruikt
  C: worden dNTPs en ddNTPs als substraat gebruikt.
  D: worden dNTPs en ddNTPs gescheiden tijdens electroforese

35)Mating type switching van a naar alfa:

  A: homologe recombinantie tussen HMLalfa en de Mat locus.
  B: translocatie van Mat locus naar HML alfa
  C: opheffen van repressoren op Mat alfa
  D: decondensatie van de alfa locus

36)Hoe wordt experimenteel p53 verwijdert ahv Interference mRNA?

  A: leidt tot vernietiging van het p53 transcript.
  B: inhibitie van translatie van het p53 transcript
  C
  D

37)Fosfofructokinase-2:

  A: kan ook functioneren als een fosfatase.
  B: een fosfatase heeft een tegenovergestelde werking als een kinase
  C: inhibeert de glycolyse
  D

38) I: fructose-2,6-bifosfaat verhoogt de remmende werking van ATP.

   II: glucagon zorgt voor een hogere concentratie aan fructose-2,6-bifosfaat.
  A: beide zijn juist
  B: beide zijn fout.
  C: I is fout en II is juist
  D: I is juist en II is fout

39)Wat leidt tot de metafase-anafase transitie? Afbraak van:

  A: Mad en Bub
  B: securine.
  C: Cdc20
  D: separase

40)Waartoe leidt het mid-mitotisch checkpoint?

  A: activering van het APC-cdc20 complex
  B: verhindering van de vorming van het APC-cdc20 complex.
  C: verstoren van de interactie tussen kinetochoren en microtubuli
  D


Examen 2014-2015

Reeks 1

1)Wat is geen hydrolase?

  A: Aldolase.
  B: DNA polymerase
  C: DNAase 1
  D: Alkylaat fosfatase als ik het me goed herinner

2)wat gaat met malaat-aspartaat shuttle in matrix?

  A: Malaat & Glutamaat.
  B: alfa-ketoglutamaat & malaat
  C: alfa-ketoglutamaat & glutamaat
  D: Malaat en aspartaat

3)Hoe wordt affiniteit tussen antigen & antilichaam bepaald?

  A: complementariteit in CDR-regio
  B: graad van complementariteit tussen ringbasen
  C: aantal niet-covalente interacties tussen antilichaam en antigen.
  D: Km Michaelis-Menten constante

4)Hoeveel telomeren zijn er in de G1 fase?

  A: 92.
  B: 125
  C: 46
  D: 69

5)Wat is waar ivm glycogeen fosforylase?

  A: Glucose als substraat
  B: Hydrolyse-reactie
  C: wordt geregeld door fosforylering.
  D: Glucose-6-fosfaat als substraat

6)Wat is niet waar ivm fotosynthese?

  A: de electronen die worden overgedragen zijn afkomstig van water
  B: zuurstof is de terminale electronenacceptor.
  C: het vloeien van protonen door het ATP-synthase levert ATP op
  D: de ETS-complexen staan in contact met elkaar via electronencarriers

7) Telomerase:

  A: DNA pol met RNA als matrijs.
  B: DNA pol met DNA als matrijs
  C: zowel DNA als RNA pol
  D:

8)DNA-streng voor transcriptie

  A: afgelezen in 5' -> 3'
  B: bepaald door promotor.
  C: altijd dezelfde streng in het chromosoom die wordt afgelezen

9)DNA Microarray gebruikt voor

  A: mRNA expressiepatroon onderzoeken.
  B: Eiwitexpressie onderzoeken
  C: Genomen vergelijken
  D: Mutaties onderzoeken

10)Microtubuli behoort tot

  A: 10^-8 en 10^-7.
  B: 10^-10 en 10^-9
  C: 10^-6 en 10^-7
  D: 10^-9 en 10^-8

11)hoeveel hydride ionen gevormd bij ox van glucose tot pyruvaat?

  A:1
  B:2.
  C:3
  D:4

12)Wat gebeurt er na activering mid-mitotisch controlepunt? (checkpoint ON)

  A: tegenhouden van binding MT aan kinetochoren
  B: Verhinderen van vorming APC-Cdc20 complex.
  C: vorming APC-Cdc20 complex

13)Wat bedoelen ze met nonsens-gemedieerde afbraak?

  A: meerdere stopcodons.
  B: geen EJC
  C: geen stopcodons

14)Effect van competitieve inhibitor?

  A: lagere V bij lage concentratie substraat.
  B: lagere Vmax bij hoge concentratie substraat
  C: lagere Km, ongeacht de concentratie substraat

15)Wat is de reden voor het verkorten van de telomeren

  A: Er is geen plaats voor het DNA polymerase om te binden.
  B: DNA polymerase kan enkel ketens verlengen
  C: de laatste leidende streng maakt geen primer
  D: de laatste primer kan niet verwijderd worden

16)De Ames test

  A: Is gebaseerd op transfectie van bacterien
  B: Is evenwaardig voor gist en humane genomen.
  C: Werkt niet voor producten die beïnvloed worden door P450

17) I) Mitochondrien hebben geen histonen II) Mitochondriaal heeft niet-coderende sequenties

  A: Beide juist.
  B: Beide fout
  C: 1 juist, 2 fout
  D: 2 juist, 1 fout

18) wat is waar ivm met het CREB?

  A: het recruteert een DNA-transacetylase
  B: het activatiedomein recruteert een histonmodificerend eiwit.
  C: het is actief als heterodimeer
  D: het verhoogt de concentratie cAMP in de cel

19)Silencers

  A: hebben altijd een repressor en een corepressor nodig.
  B: zijn afhankelijk van hun oriëntatie tov de promotorregio

20) Wat is juist over zoogdieren?

  A: kunnen geen vetzuren in suikers omzetten.
  B: kunnen geen suikers in vetten omzetten
  C: kunnen geen eiwitten in suikers omzetten
  D: kunnen geen suikers in ketonlichamen omzetten

21)Hemoglobine komt voor als oligomeer (heterotetrameer) omdat:

  A: O² kan afgeven in perifere weefsels.
  B: 4 O² moleculen kan opnemen
  C: Hemoglobine dan volledig met zuurstof gesatureerd kan raken in de longen

22)Wat is niet gekatalyseerd door een ribozyme?

  A: Peptidebindingen maken
  B: splicen pre-mRNA
  C: van pri-miRNA naar pre-miRNA.
  D: maturatie van rRNA van tetrahymena

23)Waarvoor dient de hydrolyse van eIF2 gebonden GTP?

  A: eindigen van 5' UTR scanning aan het startcodon
  B: rekrutering door 40S ribosomale eenheid
  C: start van scannen van 5' UTR
  D: herkenning 5' cap

24)De histon code verwijst naar:

  A: covalente modificaties van histonen.
  B: herkennen door chromatineremodelleercomplexen van histonenmodificaties
  

25)Sorteer de affiniteit voor alfa-amantine van RNA pol (groot naar klein)

  A: II>III>I.

26)Wat klopt?

  A: Ph(intermembr ruimte) - Ph(cytosol) = +1
  B: Ph(intermembr ruimte) - Ph(cytosol) = -1
  C: Ph(matrix) - Ph(intermembr ruimte) = +1.
  D: Ph(matrix) - Ph(intermembr ruimte) = +1

27)Ontkoppeling door bvb dinitrofenol zorgt voor

  A: Stop synthese ATP maar wel nog O² consumptie.
  B: Stop 02 consumptie maar wel nog ATP synthese

28) Wat leidt tot sikkelcelanemie

  A: nonsensmutatie
  B: dominant erfelijke mutatie
  C: filamenten plakken samen ofzoiets
  D: aggregatie van rode bloedcellen.


29) Wat is niet een functie van PFK2?

  A: is een fosfatase
  B: is een kinase
  C: activeert hexokinase.
  D:inhibeert fructose-1,6-bifosfatase

30) Wanneer wordt ferritine gerecruteerd

  A: Bij een hoge concentratie van Fe in het cytosol (dit is het antwoord denk ik)
  B: Binding IRE BP (iron response element binding protein) aan ire
  C: Beschermen van AU segmenten aan het 3' uiteinde door IRE tegen degraderende enzymen

31)Bandenpatroon in polytene cellen veroorzaakt door:

  A: stop in S-fase
  B: Puffs die vormen
  C: verschillende condensatiegraad chromatiden.
  D: hangt af van fosforylering van CTDdomein bij pol 2

32) Wat zorgt voor overgang naar anafase, afbraak van

  A: Mad & Bub
  B: Securine.
  C: Separase
  D: (cohesine ofso?)

33)Ramachandram diagram dient voor

  A: verhoudingen van de hoek tss C(alfa) en bindende C en N.
  B: verhoudingen van de hoek tss C(alfa) en restgroepen

34) Wat is het verband tussen de ademhaling van een dier en de citroenzuurcyclus? A: beide verbruiken zuurstof B: beide geven koolstofdioxide af. C: er is geen verband

35) Hoe komt het dat er maar 1 keer gerepliceerd wordt tijdens de S-fase?

  A: gemini breekt helicase lader af
  B: een 2de keer het pre-replicatiecomplex rekruteren wordt voorkomen.
  C: Het G1-restrictiepunt voorkomt een tweede initiatie

36)Hoe gebeurt terminatie van translatie?

  A: binding van release tRNA aan P site
  B: binding van release tRNA aan A site
  C: binding van release eiwit aan A site.
  D: binding van release eiwit aan P site

37)Injectie van recombinant DNA in de blastocysten van muizen voor het creëren van een knock-out maakt chimere muizen

  A: Eventueel in zowel somatische als geslachtscellen.
  B: in alle cellen
  C: in geslachtscellen
  D: in somatische cellen

38)Wat kan geen nucleotide sequentie herkennen?

  A:Glucocorticoid receptor
  B:cAMP-CAP complex
  C: Co-repressor.
  D:

39) Wat is de biologische functie van een restrictie-enzyme?

  A: het herkennen van een specifieke restrictie-site
  B: Afbraak van vreemd DNA (stond niets van prokaryoten vermeld, waardoor ik het verwarrend vond).
  C: het vormen van recombinant DNA
  D: het reproduceerbaar openknippen van humaan DNA

40) Wat is er juist van de 5' CAP?

  A: gevormd door een 5'5' fosfodiesterbinding.
  B: gevormd door acetylering van eindstandige guanine
  C: bescherming tegen nuclease bij prokaryoten (door prokaryoten is dit niet juist, omdat deze geen 5' cap hebben denk ik)
  D: herkenningspunt voor... (maar het was niet translatie, dus ook niet juist)


Reeks 2

1)Topoisomerasen 1 en 2

  A: Zorgen beiden zowel voor positieve als negatieve supercoil herstel.
  B: topo 1 en topo 2 zorgen respectievelijk voor een negatieve en positieve supercoilherstel
  C: topo 1 en topo 2 zorgen respectievelijk voor een positieve en negatieve supercoilherstel
  D: beiden kunnen supercoils zowel introduceren als verwijderen

2) I: eukaryote cellen hebben ofwel mitochondriën ofwel chloroplasten, nooit beiden II: bacterieel genoom codeert grotendeels voor eiwitten, dit geldt niet voor het humaan genoom

  A: beide stellingen zijn fout
  B: beide stellingen zijn juist.
  C: enkel I is juist
  D: enkel II is juist

3) Het verschil tussen een retrovirus en een retrotransposon

  A: insertie in genoom van de gastheer.
  B: tranpositie in het genoom van de gastheer
  C: productie van een besmettelijk partikel
  D: gebruik van reverse transcriptase

4)Welke mutatie leidt niet tot genetische instabiliteit

  A: BRCA 1
  B: polymerase éta
  C: PTEN.
  D: XP

5)Hoeveel N-termini heeft hemoglobine?

  A: 1
  B: 2
  C: 3
  D: 4.

6) I: snoRNA's binden aan silencer en enhancer sequenties bij mRNA splicing II: snoRNA's regelen de methylering van rRNA

  A: beide fout
  B: beide juist.
  C: enkel 1 juist
  D: enkel 2 juist

7)Wat is de betekenis van het intercept met de X-as bij de Lineweaver-burk plot?

  A: een maat voor de affiniteit tussen substraat en enzym.
  B: een maat voor de efficiëntie van het enzym
  C: de waarde is Vmax/2
  D: met de waarde kan het omzettingsgetal berekend worden

8) Wat is juist ivm de pH in chloroplasten?

  A: pH thylakoid lumen - pH stroma = +2
  B: pH thylakoid lumen - pH cytosol = +2
  C: pH thylakoïd lumen - pH stroma = -2.
  D: pH stroma - pH cytosol = -2

9)De stabiliteit van een alpha-helix wordt vooral bepaald door:

  A: Waterstofbruggen tussen de zijketens van de AZ
  B: Minimale sterische hindering tussen de zijketens.
  C: Sterke compactering door Vanderwaals-interacties
  D: Steeds afwisseling: 2 hydrofobe - 2 hydrofiele AZ

10) I: In zuiver water zijn er meer H3O+ ionen dan OH- ionen II: In zuiver water zijn er minder dan 1 op 1 miljard moleculen geïoniseerd

  A: Enkel stelling I is juist
  B: Beide stellingen zijn juist
  C: Enkel stelling II is juist
  D: Beide stellingen zijn fout.

11) wat is de massa van een nonapeptide met 9 verschillende peptiden

  A: 500DA
  B: 1000DA
  C: 1500 DA.
  D: 2000DA

12) CAP

  A: bindt als er glucose aanwezig is
  B: voorkomt de binding van RNA polymerase
  C: promoot de binding van een repressor
  D: bindt aan de promotor als cAMP aanwezig is.

13) wat is fout ivm de sigma factor

  A: kom enkel in eencellige organismen voor
  B: bindt op enhancer sequenties.
  C:
  D:

14) De regeling door tryptophan

  A: intrageert met de operator
  B: tryptofaan zorgt dat de leiderpeptide wordt gevormd.
  C: tryptofaan stimuleert anti-terminatie signaal
  D:

15) Hoeveel enzymes uit de volgende lijst hebben 0, 1 of 2 katalytische sites? DNA polymerase, fosfofructokinase 1, securine, hemoglobine 0 1 2

  A: 2 1 1 .
  B: 2 0 2
  C: 1 1 2
  D: 1 2 1

15) AZ sequentie van een amfipatische β keten

  A:
  B:
  C:
  D:

16) I: in het bloed (tussen spieren en de lever) komt lactaat dehydrogenase veel voor II: de lever kan acetyl-coA in zowel suikers als vetzuren omzetten

  A: Enkel stelling I is juist
  B: Beide stellingen zijn juist
  C: Enkel stelling II is juist
  D: Beide stellingen zijn fout.

17) Welke molecule is geen tussenstap van de galactose-pathway dat omgezet wordt in pyruvaat

  A: glucose-1-fosfaat
  B: UDP - glucose
  C: glucose-6-fosfaat
  D: glycerol-3-fosfaat.

18)orden van klein naar groot: energie die vrijkomt bij hydrolyse: Fosfoenolpyruvaat (1), ADP (2), fosfocreatine (3) en glucose-6-fosfaat (4)

  A: 4, 3, 2, 1
  B: 4, 2, 3, 1.
  C: 1, 3, 2, 4
  D: 1, 2, 3, 4

19) Wat gebeurt er niet tussen glyceraldehyde-3-fosfaat en PEP

  A: pyruvaat kinase .
  B: verbruik van Pi
  C: vorming van een C=C binding
  D:

20) I) Coenzym Q brengt elektronen van complex 2 naar 3 II) Cytochroom C is een onderdeel van complex 2

  A: Alleen I is juist .
  B: Alleen II is juist
  C: Beide juist
  D: Beide fout


21)transferrine

  A: is een intracellulair ijzerbindend proteïne
  B: wordt gestabiliseerd door een hoge concentratie ijzer
  C: bevat AU rijke IRE-sequentie.

Alu in het genoom

  A: is een retrotransposon .
  B: codeert voor een reverse transcriptase
  C: is een LINE sequentie (long interspersed ... )
  D: stimuleert exonduplicatie

herkenning van intron-exon sequenties is gebaseerd op ?

  A: splicesites aan het 5' uiteinde dat herkent wordt door U2snRNP
  B: vertakte adenine sequentie (branch)
  C: exon splicing sequenties die complementair zijn met U1snRNA.
  D: 'e... d... e...' die RNA ...

22) Waarom wordt het genoom van de bacterie zelf niet geknipt door restrictie-enzymen?

  A: De herkenningssites zijn gemethyleerd.
  B: De restrictiesites komen niet voor in het genoom van de bacterie
  C:
  D:

23) Om recombinant DNA te maken heb je nodig:

  A: faag en plasmide
  B: DNA ligase

24) Chromatin immunoprecipitation wordt ook gebruikt om:

  A: promotorsequentie bepalen.

25) Wat is geen manier om cycline afhankelijke kinasen te activeren?

  A: binding van een regulatorische subeenheid
  B: Mid mitotisch checkpoint...

26)Voor silencer geldt:

  A: vereist altijd repressor en co-repressor.

27) Aminoacyl tRNA synthetase:

  A: werkt als ligase.
  B: heeft een proofreadingfunctie op basis van transferasewerking

28) Aminoacyl tRNA synthetase:

  A: er zijn er evenveel als aminozuren.

29) RNA editing is:

  ...

30) bij het maken van knock out muizen worden cellen geselecteerd met homologe recombinatie doormiddel van

  A: resistent tegen zowel G-418 en ganciclovir.
  B: gevoelig voor zowel G-418 en ganciclovir
  C: enkel resistent tegen G-418
  D: enkel resistent tegen ganciclovir

31) RNA primer wordt gebruikt ipv DNA primer omdat:

  A: na verwijdering kan er aan proofreading gedaan worden
  B: chemische labiliteit van RNA zorgt ervoor dat RNA verwijderd kan worden

32)

  I: er is meer H3O+ dan OH- in zuiver water
  II: Minder dan 1 op 1 miljard moleculen in water zijn geïoniseerd

33) zygoteen: vorming synaps; pachyteen: crossing over; diploteen: chiasmata.

34) Transgene muizen maken:

  A: injectie in zygote
  B: injectie in zaadcel
  C: injectie in embryo
  D: injectie in blastocyst.

35) Welke van de volgende structuren bevat geen vetzuren?

  A: Fosfoglyceriden
  B: Ceramiden
  C: Sfingolipiden
  D: Terpenen.

36) Welk eiwit wordt niet gesynthetiseerd als een niet werkende precursor?

  A: Caspase
  B: Enterokinase
  C: Carboxypeptidase
  D: Insuline

Examenvragen '13 - '14

(het juiste antwoord (volgens de studenten) kan je herkennen aan het puntje achter het antwoord)

Reeks 1

1) Welke structuur maakt GEEN deel uit van NADH?

  A: Ribose
  B: amide
  C: carboxylgroep.
  D: pyrofosfaat

2) Rangschik van minst naar meest wateroplosbaar; triglyceriden, vetzuren, fosfoglyceriden

(triglyceriden < vetzuur < fosfoglyceride)

3) Wat kan naar de matrix geïmporteerd worden mbv de malaat-aspartaat shuttle

  A: malaat en aspartaat
  B: malaat en glutamaat.
  C: glutamaat en alfa-ketoglutaraat
  D: aspartaat en alfa-ketoglutaraat

4) Wat is fout ivm glycogeen fosforylase?

  A: het is een homo-dimmer
  B: het wordt allosterisch gereguleerd
  C: het wordt geactiveerd door fosforylering
  D: zorgt voor afbraak van glycogeen door hydrolyse.

5) Wat is fout ivm het mid-mitotisch checkpoint?

  A: Het vormt een Mad-securine complex.
  B: het activeert een inhibitor van anafase
  C: activeert een inhibitor van Cdc20
  D: Wordt geactiveerd door niet gebonden kinetochoren (was naar mijn gevoel heel verwarrend geformuleerd op examen)

6) Zet in volgorde van Groot --> Klein; Virus, Dna dubbele helix, microtubulus, fosfolipidenmembraan

(virus,MT,lipidendubbellaag, DNA)

7) Wat is onjuist over een proteine van 80 kDa?

  A: tussen de 400-1000 aminozuren
  B: kan niet passief door het kernmembraan heen
  C: kan alleen bestaan uit polaire/geladen aminozuren.
  D: heeft een grotere diameter dan een microfilament

8) Hoeveel transferase enzymen zijn actief in de glycolyse?:

  A: 2
  B: 3
  C: 4.
  D: 5

9) Hoeveel hydride ionen worden er onttrokken van glucose bij de volledige verbranding tot CO2 en H20?

  A: 4
  B: 6
  C: 8
  D: 10.

10) Hoe zou je steroid receptoren in een cytoplasma omgeving het best kunnen uitscheiden?

   A: ionenwisselaarschromatografie
   B: affiniteitschromatografie 
   C: gelfiltratie
   D: differentiele centrifuge

11) Wat is GEEN activator van de apoptose?

   A: bad
   B: cytochroom b1.
   C: apaf-1
   D: PUMA

12) Wat bedoelen ze juist met nonsens-gemedieerde mRNA afbraak? Het mRNA bevat:

   A: geen stopcodons
   B: meerdere stopcodons.
   C: Geen EJC
   D:

13) Je moest de energie inhoud van groot naar klein zetten ofzoiets; C=C, C-H, zichtbaar licht, infrarood licht

(C=C, C-H, zichtbaar, infrarood)

14) Wat is het effect van een onomkeerbare inhibitor op de Vmax en Km?

   A: geen effect
   B: Vmax en Km dalen
   C: Km stijg en Vmax daalt.
   D: Km blijft gelijk en Vmax daalt

15) Welk enzyme is niet betrokken bij correctie van DNA mutaties

   A: DNA polymerase eta
   B: ATM proteine kinase
   C: Helicasen
   D: Proteïne die bindt aan enkelstrengig DNA.

16) Wat is de reden voor het verkorten van de telomeren

   A: Er is geen plaats voor het DNA polymerase om te binden.
   B: DNA polymerase kan enkel ketens verlengen
   C: de laatste leidende streng maakt geen primer
   D: de laatste primer kan niet verwijderd worden

17) De Ames test

   A: Is gebaseerd op transfectie van bacterien
   B: Is evenwaardig voor gist en humane genomen.
   C: Werkt niet voor producten die beïnvloed worden door P450
   D:

18) Wat is het effect van SDS op eiwitten

   A: zorgt dat alle eiwitten éénzelfde positieve ladingsdensiteit hebben
   B: reduceert de disulfidebruggen
   C: Zorgt dat de eiwitten alleen op massa (of lengte) worden gesorteerd.
   D:

19) Twee stellingen ivm humaan mitochondriaal DNA: Welke zijn juist?

   I) Het grootste deel van het mitochondriaal RNA wordt in de celkern getranscripteerd
   II) Mitochondriaal heeft  niet-coderende sequenties

   Beide juist.

20) Waarin spelen chaperonen geen rol:

   A: transport van eiwitten door de PM.
   B: assemblage van multimere complexen
   C: vorming van eiwitaggregaties
   D: helpt bij de vorming van hydrofobe hydrataties

21) 2 stellingen:

   I) Hiv codeert voor een eiwit, Rev, dat instaat voor de export van virale proteinen uit de kern
   II) Er bestaat een transporter voor Ran-GDP in de kern te krijgen

   1 fout, 2 juist.

22) 2 stellingen:

   I) F0/F1 fungeert als een protonpomp
   II) F0/F1 kan ATP hydrolyse koppelen aan het ronddraaien van de motor

   1 fout, 2 juist.

23) Wat is waar in verband met de kernspoel gebaseerd vanuit de chromosomen:

   A: Heeft elementen nodig die loskomen van importine in de kern.
   B:
   C:
   D:

24) Wat weet je over CREB?

   A: Hij haalt er een coactivator bij die histonen modificeert.
   B: Fosforylatie van CREB door PKA zorgt dat het wordt getranslokeerd naar de kern
   C: Bindt op een c-amp afhankelijke wijze aan DNA
   D:

25) Hoe verklaar je substraatspecificiteit?

   A: Complementariteit tussen actieve site en substraat.
   B: Prostetische groepen strategisch gepositioneerd rond substraat
   C: Hoge Km...
   D:

26) Wat is juist over zoogdieren?

   A: kunnen geen vetten in suikers omzetten.
   B: kunnen geen suikers in vetten omzetten
   C: kunnen geen eiwitten in suikers omzetten
   D: kunnen geen suikers in ketonlichamen omzetten

27) Wat is de functie van Cajal bodies?

   A: maturatie van snRNA.
   B: maturatie van mRNA
   C:
   D:

28) CTD domein

   A: TBP( Tata Binding Protein) bindt op de major groove
   B: CTD domein moet gefosforyleerd worden voor 3' splitsingsenzymen te laten werken.
   C:
   D:

29) Fosfofructokinase 2

   A: Stimuleert gluconeogenese
   B: vormt fructose 2,6 bisfosfaat.
   C: is actief bij grote hoeveelheden glucagon
   D: stimuleert de werking van fructose 2-6 bisfosfatase.

30) Waarom komen sommige enzymen voor in de vorm van een oligomeer?

   A: voor terugkoppelingsmechanisme
   B: bescherming...
   C: verandert het effect van een allosterische regeling
   D:

31) De leadersequentie

   A: Vertraagt de translatie van het operon
   B: Regelt de stabiliteit van het transcript
   C: de verkregen leaderpeptide heeft geen echte funtie als peptide.
   D:

32) Wat geldt niet voor een cDNA bibliotheek?

   A: enkel coderende genen worden vertegenwoordigd
   B: de 5' en 3' UTR zijn niet opgenomen.
   C: rRNA is niet opgenomen
   D: niet alle genen zijn in dezelfde mate vertegenwoordigd

33) Wat is juist voor de denaturatie van eiwitten in kokend water

   A: deltaH is positief en deltaS is positief
   B: delta H is negatief en deltaS is positief
   C: delta H positief en deltaS negatief
   D: delta H en delta S negatief

34. 2 stellingen

   I) de meeste energie tijdens oxidatie is afkomstig van een entropie effect (protonenstroom)
   II) Het katabolisme van 1 gram pyruvaat levert meer energie op dan de verbranding van 1 gram vetzuren

   1 juist, 2 fout.

35) Reverse transcriptase

   A: vereist een primer
   B: Staat in voor duplicatie van retrovirale genomen.
   C: Is een DNA-afhankelijk RNA-polymerase
   D:

36) Een tweede binding van het pri-initiatiecomplex wordt voorkomen door:

   A: Fosforylering van de Helicase laders
   B: Geminine dat de binding van ORC verstoord (?)
   C: Verhindering van het herrecruteren van MCM.
   D: S cdk (-cycline?) is maar heel kort actief

37) Spicing

   A: begint met het binden van het U2 'ribonucleoprotein particle'
   B: veronderstelt eerst hybridizatie van snRNA
   C: het branchpoint ondergaat een transesterificatie.
   D:

38) Welke combinatie van enzym en enzymklasse is juist?

   A: aldolase= hydrolase ; decarboxylase = lyase ; carboxylase = ligase ; ...
   B:
   C:
   D: Geen van deze mogelijkheden

39) Welk leidt niet tot celgroei?

   A: PTEN.
   B: Ets
   C: Fos
   D: Rheb

40) De histon code

   A: Wordt gemaakt mbv covalente bindingen.
   B: Acetylatie zorgt voor condensatie van het DNA
   C: verwijst naar de methylering van DNA
   D:

Reeks 2

1) In hoeveel stappen in de volledige verbranding van glucose naar CO2 en H2Oworden er fosfoanhydride bindingen gevormd?

   A: 2
   B: 4
   C: 6
   D: 8

2. Wat is niet juist over een allosterisch proteïne?

   A: Het wordt geactiveerd door activatoren en geïnhibeerd door inhibitoren
   B: Het is meestal actief als een multidomein monomeer enzym
   C: De effector bind op de actieve zijde
   D:

3. Welk proces gaat niet op in de mitochondriale matrix?

   A: pyruvaat reductie.
   B: replicatie
   C: transcriptie
   D: ATP hydrolyse

4. Hoeveel enzymes uit de volgende lijst hebben 0, 1 of 2 katalytische sites?

DNA polymerase, aminoacyl tRNA synthetase, fosfofructokinase 1, fosfofructokinase 2, securine, hemoglobine, separase, RAD-GTP, importine
         0    1     2
   A:    3    3     3
   B:    3    4     2
   C:    3     2    4
   D:    4    3     2

5. Wat is de juiste volgorde van de protolystische splitsing in de pancreas?

   A: enterokinase splitst trypsine, chymotrypsine en carboxypeptidase
   B: enterokinase splitst trypsine die dan vervolgens zowel chymotrypsine en carboxypeptidase zal splitsen.
   C: enterokinase splitst trypsine, trypsine splitst chymotrypsine, chymotripsine splitst carboxypeptidase.
   D: geen van de vorige opties is correct

6. Waarom wordt er RNA gebruikt als primer bij de replicatie

   A: Zodat er proeflezing kan gebeuren op de primersequentie.
   B: Omdat het rna gemakkelijker verwijderd kan worden door zijn grotere instabiliteit
   C: Omdat DNA polymerase enkel kan verlengen vanaf een rna primer
   D:

7. Bij een vergiftiging met diisopropylfosfofluoridaat bestaat de beste behandeling uit:

   A: Toevoegen van een competitieve inhibitor van cholinesterase
   B: Toevoegen van een antagonist van de acetylcholinereceptor
   C: Toedienen van een activator van Cytochroom P450
   D: Intraveneuze toediening van ... (acetylcholine of cholinesterase?) 

8. Sikkelcelanemie wordt veroorzaakt door:

   A: Aggregatie van rode bloedcellen
   B: Aggregatie van hemoglobine
   C: Puntmutatie in de alfa subeenheid van hemoglobine
   D: Een conformatieverandering in de quaternaire structuur

9. Rangschik de volgende van groot naar klein: Ribosoom, Mitochondrium, Virus, Saccharomyces Cerevisiae Antwoord: S. Cerevisiae, Mitochondrium, Virus, Ribosoom

10. Hoeveel isomerasen zijn er actief in de glycolyse?

   A: 1
   B: 2
   C: 3.
   D: 4

11. Bij het smelten van ijs bij 10 C° geldt het volgende:

   A: ΔH>0 en ΔS>0.
   B: ΔH0
   C: ΔH>0 en ΔS>0
   D: ΔH

12. Bij de calvincyclus wordt het volgende gevormd:

   A: 2-fosfoglyceraat
   B: NAD+
   C: Glyceraldehyde-3-fosfaat.
   D: ATP

13. De rol van "Speckles", oftewel "interchromatin granule clusters", is:

   A: Maturatie van pre-mRNA.
   B: Maturatie van snRNA
   C:
   D: 

14. Bij de volledige oxidatie van glucose tot CO2 en H2O wordt netto het volgende vrijgesteld:

   A: Acetyl CoA
   B: Fosfoesters
   C: Caloriën
   D: FADH2

15. Rangschik de volgende polymeren van minst naat meest wateroplosbaar

   A: Amylopectine-Amylose-Glycogeen
   B: Glycogeen-Amylopectine-Amylose
   C: Amylose -Amylopectine-Glycogeen.
   D: Amylose-Glycogeen-Amylopectine 

16. Sorteer de volgende stoffen op de hoeveelheid energie die vrij komt bij niet-enzymatische, volledige verbranding, van meeste naar minste energie. propaan, pyruvaat, glycerol , acetyl

17. Wat zit er niet in FAD?

   A: Ribose
   B: Pyrofosfaat
   C: Amide
   D: polyhydroxyketen

18. In welke van devolgende proteïnes leidt een mutatie niet tot genetische instabiliteit?

   A: single strand binding proteins
   B: proteines van het APC complex
   C: polimerase eta
   D: PTEN

19. welke uitspraak is juist over topoisomerasen 1 en 2?

   A: Zorgen beiden zowel voor positieve als negatieve supercoil herstel
   B: topo 1 en topo 2 zorgen respectievelijk voor een negatieve en positieve supercoilherstel
   C: topo 1 en topo 2 zorgen respectievelijk voor een positieve en negatieve supercoilherstel
   D: beiden kunnen supercoils zowel introduceren als verwijderen

20. Wat is er juist in verband met micro-RNA

   A: Kan slicer recruteren.
   B: wordt achtereenvolgens gemaakt door Drosha, miRISK en Dicer
   C:
   D:

21. Welke van de volgende technieken kan niet gebruikt worden voor het aantonen van een DNA bindingsproteïne op een bepaalde sequentie?

   A: Chromatografie
   B: Elektroferese
   C: Fingerprinting.
   D: DNAse sentisiviteit

22. Wat is er juist ivm het verkorten van telomeren tijdens de replicatie?

   A: door verkorten van telomeren, gaan er een belangrijke C-C baseparen verloren in het telomeer
   B: telomeer verkort doordat DNA polymerase enkel kan verlengen
   C: telomeer kan verlengd worden door een primer telomerase
   D: Enkel het 3' einde is hier gevoelig aan

23. Wat werkt niet mee aan de temperatuursgevoeligheid van een enzyme?

   A: Vanderwaalskrachten kunnen worden verstoord
   B: het veranderen van ionische bindingen in de zijketens
   C: Kinetische energie van de substraten
   D:

24.Stelling juist of fout: Stelling 1: Er zijn 5 NOR coderende genen die verspreid zijn over dechromosomen Stelling 2: Een typische eukaryote cel heeft 1 nucleolus

   A: 1 is juist, 2 is fout
   B: ze zijn allebei juist
   C: ze zijn allebei fout
   D: 1 is fout, 2 is juist.

25. Welke stelling is fout over ribose?

   A: Ribose bepaalt de karakteristieke vorm van een B-DNA
   B:
   C:
   D:

26. Wat is geen inhibitor van de celcyclus?

   A: ETS
   B: PTEN
   C: p15
   D:

27. Wat helpt niet mee bij de activatie van MPF?

   A: Fosforileren van mitotisch cdk
   B: Defosforileren van mitotisch cdk
   C: Verdwijnen van kernmembraan
   D: p21

Herexamen '13 - '14

1) Wat is geen kenmerk van apoptose?

  A: Fragmentatie van eiwitten
  B: Fagocytose
  C: Signaaltransductie met Apaf - 1
  D: Translocatie van cytochroom c

Examenvragen '12 - '13

Reeks 1

1) Wat is NIET van toepassing voor een fosforylering?

  A: een fosforyleringsreactie is exotherm
  B: een phosfatase katalyseert de omgekeerde reactie van een kinase
  C: een fosforylering vormt een fosfaatesterbinding
  D: een fosforyleringsreactie induceert een conformatieverandering

2) Wat is NIET van toepassing op een eiwit?

  A: elk eiwit bezit een N-terminus en een C-terminus
  B: elk eiwit heeft een massa van meer dan 160 Da
  C: elk eiwit heeft een tertiaire structuur
  D: elk eiwit heeft minstens 1 alphahelix, bètastreng of haarspeldbocht

3) een telomerase...

  A: is een reverse transcriptase
  B: komt zowel voor in eukaryoten als in prokaryoten
  C: vormt een unieke DNA-sequentie aan de telomeren
  D: is een DNA-polymerase met een RNA als matrijs

4) Wat is het verband tussen de ademhaling van een dier en de citroenzuurcyclus?

  A: beide verbruiken zuurstof
  B: beide geven koolstofdioxide af
  C: er is geen verband
  D: ?

5) uit 1 mol fructose 1,6-bisfosfaat wordt 2 mol pyruvaat gemaakt.

  A: hierbij komt 1 mol NADH en 2 mol ATP vrij
  B: hierbij komt 2 mol NADH en 2 mol ATP vrij
  C: hierbij komt 2 mol NADH en 4 mol ATP vrij
  D: hierbij komt 1 mol NADH en 4 mol ATP vrij

6) Welke zijn de belangsrijkste leveranciers voor Acetyl-CoA in de mitochondriale matrix?

  A: Latctaatdehydrogenase en Pyruvaatdecarboxylase
  B: Pyruvaatdehydrogenase en een thiolase
  C: Citraat synthase en Pyruvaatdehydrogenase
  D: Pyruvaatcarboxylase en oxaloacetaat

7) Welk eiwit leidt bij een "Loss of Function" mutatie NIET tot genetische instabiliteit?

  A: p53
  B: Ras
  C: BRCA1
  D: Mad

8) Wat bedoelt men met hybridisatie?

  A: baseparing tussen nucleotiden
  B: het radioactief labelen van een probe met een snuffelmolecule
  C: destructie van nucleotiden
  D: Het maken van fosfodiëster bindingen tussen nucleotiden

8) Hoeveel telomeren bezit een cel in de G1-fase?

  A: 23
  B: 46
  C: 92
  D: 184

9) Wat klopt i.v.m. fosfofructokinase-2?

  A: het is zowel een kinase als een phosfatase
  B: het is een stimulator van de gluconeogenese
  C: het produceert een activator van pyruvaatkinase
  D: het wordt gevormd bij hoge cAMP-concentratie

10) Wat is GEEN substraat van aminoacyl-tRNA-synthetase?

  A: tRNA
  B: anticodon
  C: aminozuur
  D: ATP

11) De 'branchpointsequentie' bij pre-mRNA splicing is deel van

  A: een exon
  B: een intron
  C: 3'-UTR
  D: 5'-UTR

12) Wat is GEEN ribozym-gekatalyseerde reactie?

  A: pre-mRNA splicing
  B: vorming van een peptidebinding
  C: klieving van pri-microRNA tot pre-microRNA
  D: maturatie van rRNA in ...

13) Injectie van recombinant DNA in de blastocysten van muizen voor het creëren van een knock-out maakt chimere muizen met X+/X- in...

  A: geen enkele cel 
  B: enkel de geslachtscellen
  C: enkel somatische cellen
  D: zowel somatische als geslachtscellen

14) Wat leidt NIET tot de activering van MPF (M-fase promoting factor)?

  A: cycline
  B: phosforylase kinase
  C: phosforylase phosfatase
  D: ubiquitinering

15) Het Meselson-Stahl experiment leverde in de eerste generatie dochterstrengen...

  A: een intermediair evenwicht op tussen strengen met N15 en N14
  B: een toename van de verwijdering van het DNA in het CsCl
  C: strengen met enkel N14
  D: strengen met enkel N14 of N15

16) Welke microtubuli maken GEEN gebruik van een kinesine tijdens de anafase?

  A: kinetochoormicrotubuli
  B: astrale microtubuli
  C: polaire microtubuli
  D: cytoplasmatische microtubuli

17) Wat heeft niets te maken met apoptose?

  A: fragmentatie van de nucleus
  B: fagocytose
  C: knippen van het DNA met DNase
  D: pompen van cytochroom c naar de mitochondriën

18) Wat is NIET waar voor de fotosynthese?

  A: de electronen die worden overgedragen zijn afkomstig van water
  B: zuurstof is de terminale electronenacceptor
  C: het vloeien van protonen door het ATP-synthase levert ATP op
  D: de ETS-complexen staan in contact met elkaar via electronencarriers

19) Wat is het effect van competitieve inhibitie op een Lineweaver-Burk plot?

  A: het snijpunt met de x-as blijft ongewijzigd
  B: het snijpunt met de y-as verandert
  C: De Vmax daalt
  D: de helling van de rechte wordt steiler

20) Wat is geen hydrolase?

  A: pepsine
  B: glycogeen fosforylase
  C: glucose-6-fosfatase
  D: DNase

21) Waaraan heeft de PCR zijn specifieke amplificatie van een DNA segment te danken?

  A: de goed gekozen 5' en 3' primers
  B: de hittebestendige polymerase
  c: het aantal cycli
  D: de snelheid van de cycli

22)

  1. Bij de fermentatie is er geen netto aanmaak van NADH
  2. Tijdens de anaerobe glycolyse is er een opstapeling van NAD+ in het cytosol
  A: enkel 1 is juist
  B: enkel 2 is juist
  C: 1 en 2 zijn juist
  D: 1 en 2 zijn niet juist

23) De grootte van een gemiddeld globulair eiwit in meter ligt tussen:

  A: 10^-9 en 10^-8
  B: 10^-8 en 10^-7
  C: 10^-7 en 10^-6
  D: 10^-10 en 10^-9

24) Welk van de volgende kan geen nucleotide sequentie herkennen?

  A: Een co-repressor
  B: Een steroid receptor
  C: Het cAMP-CAP comples
  D: Een translatiefactor

25) Welk van volgende uitspraken is juist?

  A: er zijn evenveel amino-acyl tRNA synthetasen als aminozuren
  B: er zijn evenveel tRNA's als aminozuren
  C: er zijn evenveel tRNA's als er tripletcodons zijn
  D: er zijn evenveel amino-acyl tRNA synthetasen als er tRNA's zijn

26) Rangschik volgens sedimentatie coëfficiënt bij differentiële centrifuge. (toenemende g-waarden van klein naar groot)

  A: nucleus, mitochondriën, ribosomen, polymerase
  B: polymerase, ribosomen, mitochondriën, nucleus
  C: polymerase, mitochondriën, ribosomen, nucleus
  D: ribosomen, mitochondriën, nucleus, polymerase

27) Transferrine

  A: is een intracellulair, ijzerbindend eiwit
  B: is gestabiliseerd bij hoge ijzerconcentratie.
  C: bevat AU-rijk IRE in zijn transcript
  D: bindt IRE-BP aan het 5'-uiteinde van transcript

28)Glucose-1-fosfaat wordt omgezet naar fructose-6-fosfaat door 2 volgende reacties:

  G1P -> G6P DG0'= -7,1kJ/mol
  G6P -> F6P DG0'= 1,7 kJ/mol
  Wat is de globale DG0' van deze reactie?
  A: -8,8 kJ/mol
  B: -7,1 kJ/mol
  C: -5,4 kJ/mol
  D: +5,4 kJ/mol

29) Gegeven:

  product      substraat
 (in µmol/min)(in mmol)
  126            0,8
  325            2
  421            4
  488            6
  647            1000
  Wat is Km van deze reactie?
  A: 1 mmol
  B: 2 mmol
  C: 3 mmol
  D: 4 mmol

30)Voor een reactie: A->B en Keq'= 10^4

  Je begint met een concentratie van A van 1mmol en geen B.
  Wat kan je zeggen over deze reactie?
  A: bij evenwicht geldt: [A]>[B]
  B: DG0' is heel groot en positief
  C: De reactie zal snel verlopen en er wordt B gevormd
  D: De reactie zal mogelijk traag gaan.

31) Nadat het mid-mitose checkpoint is geactiveerd zal:

  A: securine geübiquitineerd worden
  B: het APC-cdc20 complex gevormd worden
  C: het APC-cdc20 complex niet gevormd worden
  D: ?

32) Wat weet je over de affiniteit voor alfa-amanitine?

  A: affiniteit voor RNA pol II> RNA pol III > RNA pol I
  B: affiniteit voor RNA pol II> RNA pol I > RNA pol III
  C: affiniteit voor RNA pol III> RNA pol I> RNA pol II
  D: affiniteit voor RNA pol III> RNA pol II> RNA pol I

32) Het branchpoint

  A: heeft 3 phospho-esterbindingen in de lariatstructuur
  B: vormt een phosfodiësterbinding op het C1-atoom
  C: bindt snRNP U1
  D: splitst het intron aan het 5' uiteinde

33) Wat is de biologische functie van een restrictie-enzyme?

  A: het herkennen van een specifieke restrictie-site
  B: het afbreken van vreemd DNA in prokaryoten
  C: het vormen van recombinant DNA 
  D: het reproduceerbaar openknippen van humaan DNA

34) 4 structuurformules zijn gegeven in een bepaalde volgorde (adenine, guanine, uracil en cytosine)

  - kies de juiste volgorde uit 4 mogelijkheden.

35) Stel dat lysine in een DNA-polymerase wordt vervangen. Welk vervangend AZ zal dan de grootste wijziging teweeg brengen en welk de kleinste?

   meest          minst
    glycine            arginine
    valine             glutamaat
    glutamaat          arginine
    arginine           glycine

36) men maakt transgene muizen door DNA te injecteren in:

     A: de kern van spermatozoa
     B: de vene van de muis (gentherapie)
     C: een bevruchte eicel (embryonale cellen)
     D: plasmiden die in de muis worden gebracht

37) wat is waar ivm met het CREB?

     A: het recruteert een DNA-transacetylase
     B: het activatiedomein recruteert een histonmodificerend eiwit
     C: het is actief als heterodimeer
     D: het verhoogt de concentratie cAMP in de cel

38) Hoe wordt de matrijs herkend bij transcriptie?

     A: positie van de promotor tgo. het transcript
     B: de matrijs is in elk chromosoom dezelfde
     C: RNA kan enkel aangemaakt worden in de 3'-5' richting
     D: ALLE bovenstaande antwoorden zijn fout

39) Hemoglobine is een heterotetrameer, in tegenstelling tot myoglobine. Hemoglobine is hierdoor beter geschikt voor zuurstoftransport omdat...

     A: het volledig gesatureerd is bij hoge zuurstofspanning
     B: het gemakkelijker de zuurstof loslaat bij lage zuurstofspanning
     C: hemoglobine 4 bindingsplaatsen heeft voor zuurstof
     D: ?

40) Bij welke stap wordt er een inorganische fosfaat verbruikt?

     - juist antwoord: bij de oxidatie van glyceraldehyde-3-fosfaat

41) Wat bevat GEEN sfingosine?

     A: sfingolipiden
     B: glycolipiden
     C: ceramiden
     D: fosfoglyceriden

42) 1 mol Acetyl-CoA wordt in de citroenzuurcyclus gebracht

     A: er komt 1 mol isocitraat vrij
     B: er komt 1 mol oxaloacetaat vrij
     C: er komt 2 mol koolstofdioxide vrij
     D: er komt 2 mol NADH vrij

43) Gegeven: pH vloeistof I = 1, pH vloeistof II = 3

     A: de protonenconcentratie in vloeistof I is tweemaal zo groot als die in II
     B: de protonenconcentratie in vloeistof I is tweemaal zo klein als die in II
     C: de protonenconcentratie in vloeistof II is honderd keer zo klein als die in I
     D: de protonenconcentratie in vloeistof II is honderd keer zo groot als die in I

44) wat is juist i.v.m. de pH in mitochondriën?

     A: pH intermembraanruimte - pH matrix = +1
     B: pH intermembraanruimte - pH matrix = -1 
     C: pH cytosol - pH intermembraanruimte = +1
     D: pH cytosol - pH intermembraanruimte = -1

45) Wat gebeurt er wanneer we de mitochondriën behandelen met een ontkoppelaar?

     A: het elektronentransport zal niet verminderd worden, maar er zal geen ATP gesynthetiseerd worden
     B: het elektronentransport zal verminderd worden, maar er zal wel nog ATP gesynthetiseerd worden
     C: De ATP synthese stopt, maar er zal blijvend O2 verbruikt worden. (=correct)
     D:

46) Wat is een Ramachandran shizzle?

     A: echt absoluut geen idee en ik hoop dat deze vraag geschrapt wordt... stond blijkbaar ergens in de ppt HS 3 ofzo

Reeks 2

1) Sikkelcelanemie

     A: is een nonsens mutatie
     B: beïnvloedt de zuurstofbindende eigenschappen van hemoglobine
     C: doet rode bloedcellen aggregeren
     D: vormt aggregaten

2) Aminoacyl tRNA synthetase

     A: is een ligase
     B: herkent de tRNA anticodon
     C: bindt een AZ aan de 5' uiteinde van tRNA
     D: doet aan proeflezing op basis van een transferase-functie

3) I: gelfiltratie (chromatografie) zorgt voor de scheiding van moleculen volgens hun diameter

  II: gelfiltratie (chromatografie) zorgt voor de scheiding van moleculen volgens hun dichtheid
     A: Beide beweringen zijn juist
     B: Bewering I is juist en bewering II is fout
     C: Bewering II is juist en bewering I is fout
     D: Beide beweringen zijn fout

4) De stabiliteit van een alpha-helix wordt vooral bepaald door:

     A: Waterstofbruggen tussen de zijketens van de AZ
     B: Minimale sterische hindering tussen de zijketens
     C: Sterke compactering door Vanderwaals-interacties
     D: Steeds afwisseling: 2 hydrofobe - 2 hydrofiele AZ

5) Welke structuurformule van D-Glucose is de juiste? --> vier verschillende opties

6) Wat gebeurt er NIET tijdens de tussenstappen in de glycolyse tussen glyceraldehyde 3 fosfaat en 3 fosfoglyceraat

     A: oxidatie van NADH
     B: ATP synthese
     C: verbruik van Pi
     D: katalyse door fosfogylerokinase

7) Je hebt de volgende twee stellingen:

   I: In zuiver water zijn er meer H3O+ ionen dan OH- ionen
   II: In zuiver water zijn er meer dan 1 op 100 miljoen moleculen geïoniseerd
       A: Enkel stelling I is juist
       B: Beide stellingen zijn juist
       C: Enkel stelling II is juist
       D: Beide stellingen zijn fout

8) Welke AZ is het meest hydrofoob?

       A: Gly
       B: Val
       C: Ala
       D: Leu

9) Hoeveel telomeren heeft een cel in G2-fase?

     A: 23
     B: 46
     C: 92
     D: 184

10) Rangschik van klein naar groot:

     A: ribosoom - nucleosoom - virus - mitochondrion
     B: ribosoom - nucleosoom - mitochondrion - virus
     C: nucleosoom - ribosoom - virus - mitochondrion
     D: nucleosoom - ribosoom - mitochondrion - virus

11) Gegeven:

     Fosfocreatine --> Creatine + Pi : Delta G°' = -43 KCal/mol
     ATP --> ADP + Pi : Delta G°' = -30,5 KCal/mol
       Hoeveel bedraagt Delta G°' voor de volgende reactie: Fosfocreatine + ADP --> Creatine + ATP?
           A: +12,5 KCal/mol
           B: -12,5 KCal/mol
           C: +73,5 KCal/mol
           D: -73,5 KCal/mol

12) Wat weet je over de pH in chloroplasten?

     A: pH(thylakoid) - pH(cytosol) = +2
     B: pH(thylakoid) - pH(stroma) = -2
     C: ...
     D: ...

13) Welk eiwit wordt niet geproduceerd als een niet-werkende precursor?

     A: Insuline
     B: Caspase
     C: Carboxypeptidase
     D: Enterokinase

14) Welke parameter is hetzelfde bij een enzymatisch-gekatalyseerde reactie en een niet-enzymatisch-gekatalyseerde reactie?

     A: K'(eq)
     B: Km
     C: V
     D: V(0) (=initiële V)

15) Twee stellingen:

     I: Als Delta G°'<0 dan is K'eq<0
     II: Als Delta G°'=1 dan is K'eq=1
         A: Beide stellingen zijn juist.
         B: Beide stellingen zijn fout.
         C: Enkel stelling I is juist, stelling II is fout.
         D: Enkel stelling II is juist, stelling I is fout.

16) Het genoom van een mitochondrion

     A: Is ongeveer 17*10^6 baseparen groot
     B: Is ingebed in nucleosomen
     C: Codeert voor een ATP synthase
     D: ...

17) Op basis van hybridisering kan men

     A: het moleculair gewicht van DNA bepalen
     B: het moleculair gewicht van RNA bepalen
     C: de graad van verwantschap bepalen
     D: ...

18) Ferritine

     A: komt tot expressie als er voldoende ijzer in het cytosol is
     B: komt tot expressie als IRE-BP geactiveerd is
     C: komt tot expressie als de IRE aan het 3'-uiteinde IRE-BP gebonden heeft
     D: komt tot expressie als de IRE aan het 5'-uiteinde IRE-BP gebonden heeft

19) Welk enzyme bevindt zich niet in de mitochondriale matrix?

     A: Isocitraat dehydrogenase
     B: PDH-dehydrogenase
     C: Glyceraldehyde-3-fosfaat dehydrogenase
     D: ...

20) Fosfofructokinase-2

     A: Is zowel een kinase als een fosfatase
     B: versterkt de inhiberende activiteit van ATP op PFK-1
     C: bevordert de gluconeogenese
     D: ...

21) hoeveel N-terminale uiteinden heeft een anti-lichaam?

     A: 1
     B: 2
     C: 4
     D: 8

22)Wat leidt tot de overgang van metafase naar anafase. Afbraak van:

A: Securine
B: separase
C: cycline
D: ..

23) Wat kan je zien op het snijpunt met de x-as, bij de linewaever- burk grafiek:

  A: ...
  B: maat van affiniteit van het enzyme voor het substraat
  C: substraat bij Vmax/2
  D: het getal = substraatconcentratie bij Vmax/2

24) Waarvoor kan pcr niet gebruikt worden?

  A: Genotyperen van knockout muizen
  B: screenen van een genomische bibliotheek
  C: DNA footprinting
  D: Het kopiëren van mitochondriaal DNA 

25)Van waar zijn de C02's die vrijkomen afkomstig?

  A: oxaloacetaat
  B: acetyl-coA
  C: aplha-keton van oxaloacetaat en ... van acetaat
  D: ... en ...

26) a) Coenzym q brengt elektronen van complex 2 naar 3

   b) Cytochroom is ene odnerdeel van complex 3
   A: Alleen a is juist
   B: Alleen B is juist
   C: Beide juist
   D: Beide fout

27)Wat is een belangrijke glycositisch metaboliet, dat een voorloper is van een belangrijke e- drager naar de mit. matrix ?

   A: pospoenolpyruvaat
   B: dihydroxyacetonfosfaat
   C: glyceraldehyde 3 fosfaat
   D:

28) EXJ speelt een rol bij

     A: mRNA splicing
     B: nonsense gemedieerde mRNA degradatie
     C: ...
     D: ...

29) Wat bevat geen vetzuren

     A: ceramiden
     B: terpenen
     C: fosfolipiden
     D: glycolipiden

30)Wat is geen/wel een transferase?

     A: RNA polymerase
     B: splicer
     C: glycogeen fosforylase
     D: ... kinase

31) Wat zorgt voor de unidirectionele transport van een deeltje (>60kDa) naar de nucleus?

     A: accumulatie van ran-GTP in de nucleus
     B: Ran-GEF in het cytoplasma
     C: verspreiding van FG-nucleoporines
     D: trimeer complex waarbij importine het deeltje in de nucleus brengt 

32) 2 stellingen:

  I: LDH in het bloed is heel belangrijk voor de omzetting van pyruvaat naar glucose
  II: de lever kan acetyl-coA in zowel suikers als vetzuren omzetten
       A: Enkel stelling I is juist
       B: Beide stellingen zijn juist
       C: Enkel stelling II is juist
       D: Beide stellingen zijn fout

33) Welke molecule is geen tussenstap van de galactose-pathway dat omgezet wordt in pyruvaat

     A: Galactose-6-fosfaat
     B: UDP-glucose
     C: Glucose-1-fosfaat
     D: ...

34) Wat wordt er wel aangetoond met de chemiosmotische stelling?

     A: ...
     B: ...
     C: ...
     D: ...

35) Met DNA microarrays kan men

     A: eiwit expressie-patroon opsporen
     B: RNA expressie-patroon opsporen
     C: ...
     D: ...

36) 2 stellingen:

  I: snoRNAs kunnen rRNA methyleren
  II: snoRNA regelt de mRNA splicing
       A: Enkel stelling I is juist
       B: Beide stellingen zijn juist
       C: Enkel stelling II is juist
       D: Beide stellingen zijn fout

37) HPV

     A: stabiliseert p53
     B: fosforyleert Rb
     C: fosforyleert e2F
     D: inhibeert mdm2

38) Wat is wel een eigenschap van tumorcellen?

     A: insensitiviteit voor anti-groeifactoren
     B: stabilisering p53
     C: stabilisering APC
     D: stabilisering van GSK3

39) De herkenning van het ribosoom met mRNA vereist

     A: AUG startcodon
     B: 40S subeenheid complex met initiatie tRNA
     C: Eiwitten gebonden op de CAP structuur
     D: ...

40) Met DNaseI kan men

     A: DNA gebonden eiwitten bepalen
     B: expressie van genen bepalen
     C: ...
     D: ...

41) Het verschil tussen DNA en RNA is

     A: DNA gebruikt men dNTP's als substraat
     B: Bij RNA-synthese worden er geen 2 fosfaatgroepen afgesplitst 
     C: ...
     D: ...

42) Welk eiwit is er vereist voor homologe herstel?

     A: DNA polymerase eta
     B: ssDNA-bindend eiwit
     C: colchicine
     D: endonuclease

43) Bij welke microtubili gebeurt geen depolymerisatie tijdens de anafase?

     A: + poolastrale MT
     B: + pool polaire MT
     C: - pool kinetochoor MT
     D: + pool kinetochoor MT

44) Welk RNA doet niet aan katlyse

     A: initiator tRNA
     B: miRNA
     C: telomerase
     D: ...

45) Splicing van pre-mRNA bevat ondermeer

     A: 'splicing enhancer sequencies' voor (U1 -> U6)
     B: adenosine vertakking sequencie (branch point)
     C: 5' uiteinde die herkend wordt door U1
     D: 3' uiteinde die herkend wordt door U2

46) Wat induceert geen apoptose?

     A: Bad
     B: cytochroom c
     C: Bcl-2
     D: p53

47) Door middel van de Meselson en stahl experiment toonde men aan dat

     A: de parentale strengen tijdens replicatie uit elkaar gaan
     B: DNA polymerase nodig is voor DNA-replicatie
     C: ...
     D: ...

48)vraag over knockout muizen. Bij homologe recombinatie wordt een cassette ingebracht met een gen dat codeert voor neomycin resistentie en een plasmide met een gen dat codeert voor (...). Hoe gebeurt de selectie voor homologe recombinatie?

     A: resistent tegen neomycin en ganciclovir
     B: resistent tegen neomycin en vatbaar voor ganciclovir
     C: vatbaar voor neomycin en resistent tegen ganciclovir
     D: vatbaar voor neomycin en ganciclovir

49) Als men A+B -> C en G°' = - 20 kJ/mol dan weet men

     A: [C]<[A]
     B: Er kan nog traag C worden omgezet in A+B
     C: zowel A, B en D zijn fout
     D: bij toevoegen van A en B zal er snel C worden gevormd

50) Glycogeen fosforylase zal

     A: glucosebindingen fosforyleren (alpha 1-6 bindingen)
     B: glycogeen afbreken tot glucose-6-fosfaat 
     C: glucosebindingen hydrolyseren (alpha 1-4 bindingen)
     D: ...

Herexamen '12 - '13

1) Welk aminozuur is het minst hydrofoob?

    A: Glycine
    B: Valine
    C: Leucine
    D: ...

2) Waar vindt de gluconeogenese plaats?

    A: Lever en spieren
    B: Lever en nieren
    C: Spieren en lever (antwoord kwam twee keer voor)
    D: Geen van bovenstaande

3) Sikkelcelanemie zorgt voor:

    A: Aggregatie van rode bloedcellen
    B: Verminderde zuurstofopname
    C:
    D: