Evidence in de klinische praktijk (E0C30A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken


Algemeen

  • 4 sp. Evidence-based medicine (Aertgeerts Bert | Bullens Dominique | Buntinx Frank | Buyse Gunnar | De Nys Katelijne | De Vleeschouwer Steven | Decallonne Brigitte | Demedts Ingrid | Deroose Christophe | Gayan-Ramirez Ghislaine | Lewi Liesbeth | Matheï Catharina | Meyfroidt Geert | Nafteux Philippe | Ramaekers Dirk | Snoeck Robert | Tejpar Sabine | Troosters Thierry | Vermeire Séverine | Wuyts Wim )

Dit OLA bestaat uit zes modules. In een eerste onderdeel wordt een algemene inleiding gegeven rond Evidence-Based Medicine en de relevantie van deze manier van denken belicht. Een tweede onderdeel spitst zich toe op het snel zoeken van relevante degelijke medische informatie. Een derde onderdeel focust op het kritisch lezen van verschillende designs, RCT, diagnostiek, epidemiologische studies en Systematische Reviews. Een vierde onderdeel leert de student de evidence piramide kritisch te bekijken vertrekkende vanuit een klinische Evidence-based praktijkrichtlijn. Daarna komen de basisprincipes van HTA aan bod. Tenslotte wordt in een vijfde onderdeel de hele cyclus doorlopen. Zo maakt de student kennis met alle vaardigheden die nodig zijn om vanuit een klinisch probleem te komen tot een gefundeerde oplossing van de vraag vanuit het oogpunt van de verschillende actoren (patiënt, gemeenschap, arts en morele waarden). De contacturen zullen bestaan uit 10 lessen van 90 minuten, aangevuld met 8 werkcolleges van 120 minuten.


  • 2 sp. Het maken van Best-bets in verschillende disciplines

De student zet zelfstandig de eerste vier stappen van de EBM-methode. Vanuit een klinisch probleem formuleert hij/zij een beantwoordbare vraag, zoekt efficiënt de relevante literatuur, interpreteert deze kritisch en brengt resultaten samen. De resultaten worden op een bijeenkomst met hun collega’s gepresenteerd en in groep wordt bekeken welke strategie voor dit probleem moet worden gehanteerd. Ze weten te discussiëren op een rationele manier en de gevonden resultaten te vertalen naar de praktijk. De student maakt een BET (Best Evidence Topic), vertrekkende vanuit Problem Oriented Evidence that Matters (POEM) en zet dan de resultaten om in een PowerPoint en presenteert dit tijdens een stafvergadering.

Examenvorm

Type : Partiële of permanente evaluatie met examen tijdens de examenperiode Evaluatievorm : Schriftelijk, Verslag, Presentatie, Self assessment/Peer assessment Vraagvormen : Meerkeuzevragen, Open vragen Leermateriaal : Rekenmachine

Het examen van dit OPO bestaat uit verschillende delen:

Beoordeling Evidence Based Medicine: hierbij wordt een schriftelijk examen afgenomen (cf. Berlin questionnaire) met meerkeuzevragen en giscorrectie, waarbij de verschillende klinische designs worden getoetst en gekeken wordt of de student voldoende kennis heeft van de statische termen en deze kan toepassen op de klinische praktijk. Dertig vragen met een maximumduur van het examen van 120 minuten. Bijkomend krijgen studenten een zoekvraag op basis van een concreet klinisch probleem waarvoor ze 30 minuten krijgen. Het efficiënt zoeken, het onderscheid maken tussen de verschillende publicatiedesigns en het terugvinden van relevante kengetallen worden daarbij objectief getoetst. Dit schriftelijke examen telt voor 60% van de punten (waarvan 80% voor het meerkeuzevraagexamen en 20% voor de zoekvraag).

Beoordeling best bets: studenten schrijven en presenteren twee best bets in groep die worden beoordeeld door de docent volgens vooraf gespecifieerde criteria (zie Toledo voor bijkomende informatie). De eerste best bet wordt formatief geëvalueerd, waarbij de studenten via de peerassessment op Toledo individuele feedback geven op elkaars werk en de docenten feedback geven op de groepspresentatie. De tweede best bet wordt summatief geëvalueerd. De docent geeft een beoordeling per groep (telt voor 30%). De studenten geven via de peerassessment op Toledo individuele feedback op de medestudenten van hun groep (telt voor 10%). Bij het niet tijdig invullen van deze verplichte summatieve peerassessment behaalt deze student een nulscore op dit onderdeel.

Voor beide onderdelen wordt afgerond tot 2 cijfers na de komma. Het totaalpunt wordt op basis van deze 2 afgeronde deelpunten afgerond tot een geheel getal.

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen.)


- Het is niet nodig om het boek 'Inleiding in Evidence-based medicine' te kopen om het vak te kunnen leren.


Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

Samenvatting Aertgeerts - Soubry: File:Samenvatting Aertgeerts - Soubry.pdf Pauline Mertens Academiejaar 2015-2016


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen.)

Examenvragen 2017-2018

Examenmoment 1

ZOEKVRAAG


Je bent cardioloog in een ziekenhuis, met expertise in PCI en CABG. Er wordt aan jou gevraagd om op een stafvergadering een uiteenzetting te geven over de medische behandeling (geneesmiddelen) bij hartfalen met LVEF > 40%. Jouw collega's vinden dit niet nodig, want zij menen dat de standaardbehandeling al jaren betablokkers, ACE-i, ARB's... zijn. Een andere collega zegt je dat er recentelijk, vorig jaar, een artikel is verschenen in een gerenommeerd tijdschrift voor cardiologie, waarin toch wat nieuwe inzichten zijn gevonden. Aan jou wordt gevraagd om de beste en meest recente evidentie op tafel te leggen voor de meeting die binnen een halfuur plaatsvindt.


1. Welke outcome past het best bij de te zoeken evidentie?

a. Cardiovasculaire mortaliteit

b. Ziekenhuisopnames en algemene mortaliteit

c. Algemene mortaliteit

d. Levenskwaliteit bij de bejaarde patiënt


2. Welke soort artikels zoek je?

a. Systematic reviews

b. RCTs


3. Wat is de NNT van een betablokker? (op basis van resultaten in artikel)


4. Wat is de NNT van een ACE-i?

a. Niet te berekenen, want er was geen significant verschil in de outcome van placebo vs. ACE-i.


MEERKEUZEVRAGEN


1. Wat klopt over een cohortstudie?

a. Het onderzoekt incidentie bij een zeldzame aandoening

b. Het onderzoekt prevalentie bij een zeldzame aandoening

c. Het onderzoekt incidentie bij een veelvoorkomende aandoening

d. Het onderzoekt prevalentie bij een veelvoorkomende aandoening


2. Bepaal sensitiviteit, specificiteit, PPV en NPV uit onderstaande tabel. (CAVE: het kan zijn dat de tabel niet volgens de typische 2x2-tabel-indeling geschikt is. Haal zelf de juiste waarden eruit en stel een tabel op.)


3. Op welke manier kan je publicatiebias niet vermijden?

a. Enkel Engelstalige artikels nemen

b. Ook niet-significante studies erbij betrekken


4. Detailvraag: welke maatregelen zijn genomen om de veiligheid van borstimplantaten de verzekeren? (cfr. voorgaande jaren)

a. Coronaire stents

b. CE label (EU niveau)

c. Oprichting Raad


5. Gegeven: tabel met testen voor schouderpathologie (rotator cuff scheur), waarin sensitiviteit, specificiteit, LR+ en LR- van elke test staan, met tussen haakje de CI's van de LR's. Welke bewering klopt?

a. Test X is een goede uitsluiter

b. Als we Test Y gebruiken, weten we zeker dat het geen spierscheur is, als de test positief is op spierscheur (?).

c. Geen enkele test is een goede aantoner/uitsluiter.


6. In een uitgebreide studie werd onderzocht of een nieuwe dieetpil CV-sterfte vermindert. 1000 obese patiënten namen deel aan dit onderzoek. Deelnemers kregen at random respectievelijk wel (n=500) en niet (n=500) een behandeling met de werkzame stof. Gedurende 1 jaar kreeg de behandelde groep de dieetpil en de controlegroep een zetmeelpil van dezelfde vorm, kleur en smaak. Elke maande werden patiënten in de behandelingsgroep gecontroleerd op bijwerken, de patiënten in de controlegroep werden slechts om de 6 maand onderzocht. In de behandelingsgroep werden 10x minder CV overlijdens opgemerkt dan in de controlegroep. U stelt zich de vraag of de kwaliteit van het gevoerde onderzoek overtuigend is. Welke van volgende verklaringen klopt?

a. De studie was niet dubbelblind

b. Deze prospectieve dubbel blinde RCT onderzocht het resultaat dat relevant was voor de onderzoeksvraag

c. De studie is niet prospectief

d. De studie evalueerde een niet-relevant eindpunt

Examenvragen 2016-2017

'''3/02'''

- Welke uitspraak klopt over klinische paden

- Welke uitspraak klopt met betrekking tot evidence based medicine

a. alleen nuttig omdat het de kosten reduceert in voor een ziekenhuis, gelukkig geeft het geen extra morbiditeit/complicaties

b. evidence based en geeft betere kwaliteit

c. zo weet de huisarts voor en na de opname exact wat er gepland moet worden, welke onderzoeken gedaan moeten worden

- Wat is allocation bias ?

- Vraag over confounding en effect modification bij roken en hypertensie tijdens zwangerschap en mors in utero (niet zeker)

a. Roken is de grootste oorzaak

B. HT is grootste oorzaak en roken is een confounder

c. HT is een effect modifier

- Heel veel vragen waarbij je via nomogram de post-test probabiliteit moest berekenen

- Bij roken heb je 6% kans op AMI, als je niet rookt heb je 4% kans op AMI. Welke uitspraak klopt:

a. als je rookt heb je 150% meer kans op een infarct

b. als je rookt heb je 200% meer kans op een infarct

c. als je rookt heb je 50% meer kans op een infarct

- Vraag met inleiding over DVT en recidief, waarbij ze het onderscheid wilden maken tussen de twee. Ze vergeleken twee groepen, ofwel met een nieuwe DVT ofwel met een recidief (aantallen zijn gegeven) Met een MRI hadden ze een specificiteit van ~100% en een sensitiviteit van ~95%. Welke uitspraak klopt

- Vraag over cannabis en pijn met een forest plot

a. cannabis heeft significant invloed op pijn

b. aantallen zijn te klein om statistisch iets over te zeggen

Opzoekvraag MeSH: (pre-hospital) induced hypothermia AND out of hospital cardiac arrest.

'''12/01'''

- Bereken PPV

- Ellenlange inleiding steeds bij vragen dus moeilijk te onthouden

- 2 extreem moeilijke detailvragen over HTA, 1 over het schandaal over borstimplantaten en dan: wat is juist? (Onkelinx heeft in dat jaar die regel ingevoerd, … (in die aard)), 1 over KCE en EUnetHTA enz wat is juist? (in welk jaar KCE daarbij gekomen is en wat EUnetHTA nu doet ipv zij, of KCE het begin was van EBM richtlijnen in België…)

- OR: wat is juist?

a. De OR is gelijk te stellen aan de RR als er in de doelpopulatie slechts weinig mensen de aandoening ontwikkelen.

b. …

- Een paar keer een vraag over confounder vs effect modifier en wat je moest doen om hier in je studie rekening mee te houden (blinderen en randomiseren of statistisch verwerken)

- Vraag 1 van het voorbeeld examen, maar nu was de test negatief.

- Vragen met Forest Plots, die je moet interpreteren of het effect significant/heterogeen is

- aantal vragen waarbij je nakans moet berekenen met LR (in 1 vraag werden 2 testen vergeleken: in een lange tekst stonden voor beide testen sensitiviteit en specificiteit, onder de tekst van een half blad stond dan in het vet gedrukt: LR test 1 = 10,46 en LR test 2 = … , maar deze kwamen totaal niet overeen met de waarden die je uitkwam als je de LR narekende vanuit de sensitiviteit en specificiteit. Uiteindelijk waren 2 antwoorden juist, indien je vertrok vanuit de zelf berekende LR (indien je de gegeven LR gebruikte kwam je niets uit): 5% nakans en het onderste (iets van nakans test 2 is groter dan test 1), de andere mogelijkheden waren 1% en 2%)

- Wat is de QALY dat deze persoon gaat winnen door een operatie: afleiden uit grafiek (50% leven gedurende 5 jaren naar 75% leven gedurende 10 jaren)

- Goed weten wanneer een studie significant is of niet ( zeker kunnen aflezen in een forestplot)

- Heterogeniteit werd ook enkele keren bevraagd

- Abstract, met dan de vraag; welk soort bias is er in deze studie?

a. Allocation bias,

b. Selection bias

c. …

d. Geen bias

- Abstract met de vraag: wat is er juist?

a. De zoekmethode, het selectieproces en de methodologische beoordeling zijn goed beschreven

b. De zoekmethode en het selectieproces zijn goed beschreven, de methodologische beoordeling niet

c. …

Zoekvraag: Casus waarin je als cardioloog in een nieuw ziekenhuis gaat werken, je merkt dat ze er vaak CABG doen voor multi-aantasting van de coronairen, ook bij niet-diabetespatiënten. In het vorige ziekenhuis dat je werkte deden ze meer PCI met drug eluting stent. Je zegt dit aan je diensthoofd en die vraagt je om de evidence op tafel te leggen.

- Wat is de outcome die je voor ogen hebt?

a. Mortaliteit, ongeacht de doodsoorzaak

b. Mortaliteit, met speciale aandacht voor AMI en CVA

c. Kwaliteit van leven na de ingreep, aangezien het vaak over bejaarde patiënten gaat

d. Mortaliteit bij het verlaten van het ziekenhuis

- Welk soort studie zoek je?

a. Meta-analyse, misschien een Cochrane systematic review als het even kan

b. Meerdere randomised controlled trials

c. Een kosten-baten studie aangezien het hier toch over grote bedragen gaat

d. ... C - CABG vs PCI + DES -> effect op mortaliteit. Wat is de NNT of NNH?

A. NNH rond de 330

b. NNH rond de 100

c. NNT rond de 330

d. NNT rond de 100

e. dit kan of mag je niet berekenen

- CABG vs PCI + DES -> effect op AMI. Wat is de NNT of NNH?

a. NNH tussen de 5 en 10d

b. NNH tussen de 15 en 25

c. NNT tussen de 5 en 10

d. NNT tussen de 15 en 25

e. dit kan of mag je niet berekenen

- Geef de referentie van het artikel dat je gebruikt hebt.