Farmacologie en farmacokinetiek (E03N6A)

Uit WikiMedica
Naar navigatie springen Naar zoeken springen



Algemeen

Het doel van dit opleidingsonderdeel is dat je inzicht krijgt in het werkingsmechanisme van de verschillende klassen geneesmiddelen. Het is daarbij niet de bedoeling en ook niet mogelijk om exhaustief te zijn. Toch wil dit onderdeel je een kader bieden om nieuwe gegevens gemakkelijk te kunnen plaatsen en assimileren. Bovendien geven we een korte inleiding over het proces van ontwikkeling, evaluatie, registratie en terugbetaling, wat voor een aantal van de gediplomeerde BMW-studenten belangrijk kan zijn.


Examenvorm

U legt bij één van de docenten het volledige pakket farmacologie af. Het examen bestaat uit 4 vragen. De vragen zijn:

  1. Een open vraag.
  2. Toelichting van een casus/artikel omtrent medicatiegebruik.
  3. 2 vragen met verschillende onderdelen/topics waarbij situering/toelichting/verantwoording van antwoord wordt gevraagd.

Voor de schriftelijke voorbereiding hebt u minimum 60 minuten, en nadien kunt u zich in een volgorde naar keuze aanbieden voor het mondeling examen bij de u toegewezen examinator.


Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

Farmacologie_forum Vragen van het forum tot en met 2012

vragen farma 


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen.)

Examenvragen '12-'13

1. Geef de bijwerkingenvan NSAIDs door hun werkingsmechanisme

2. Case, vrouw, 15j, heeft duizeligheid, blurred vision (accomodatiestoornis door anticholinerge werking), hoofdpijn, polydipsie en -urie, etc, heeft anti histaminicum gekregen. verklaar de BW, welke symptomen te verwachten zijn, en waarvoor het GM voorgeschreven is.

3.a: opioiden interfereren met p.o. GM b.atenolol, verapamil en alphablockers vertragen de HR c. antimuscarinica, CA-I en ß-blockers voor glaucoom d. ezetimibe is een add-on GM

4. Verklaar de interacties: haloperidol en ropinirol; captopril en spironolactone; cortisone en naproxen; alcohol en een BDZ; lithium en zoutarm dieet

1. Bespreek de anti-epileptica en hun belangrijkste farmacokinetische eigenschappen.

2. Case: FDA (Food and Drug Administration) uitleggen en ook nog een paar dingen uit het eerste boek zoals Cmax bijvoorbeeld.

3. 5 juist/fout vragen: fibraten zijn aangewezen bij een te hoge cholesterol, lidocaine kan niet gebruikt worden als lokaal anestheticum bij een tandabces wegens de zwelling, paracetamol en codeine mogen niet in combinatie gebruikt worden bij risico op maagzweer, ...

4. 10 geneesmiddelen waarvan je het werkingsmechanisme, de receptor waar ze op inwerken en indicatie moest geven: leptocurare, risperidone, verapamil, ...

Examenvragen '13-'14

1. Bespreek anti epileptica , welke kanalen spelen hier een rol en welke farmaco gebruiken we hiervoor + bespreek farmacokinetiek

2. Case : patiente met ADHD neemt naast amfetaminezouten ook antidepresivum/anxiolitica pralextine ... helaas spelen slapeloosheid , angstaanvallen en trekt ze haar haar uit na een tijdje. Ze verminderen de dosis amfetamine en geven haar venlafaxine. Dit alles had te maken met CYP2D6 ...

-> uitleggen : ADHD , amfetamine als medicatie ? , pralextine= ? , venlafaxine= ? , en wat gebeurt er juist met CYP waardoor deze nevenwerkingen aanwezig zijn

3. juist fout :

-propanolol geven aan een diabeticus met te hoge bloeddruk ;

-TDM is nodig voor Li, digoxine en ACh esterase inhibitoren ;

-spironolactone en haloperidol geven geanycomastie;

-lidocaine kan niet gebruikt worden bij een tandabces door de aanwezige zwelling

4. tabel invullen , inhibitor ,competitieve antagonist,agonist; verapamil - scolopamine - risperidone - coxib - losartan - codeine - L-DOPA - omeprazole - leptocurare - domperidone

1. Geef de bijwerkingen van NSAIDs aan de hand van hun werkingsmechanisme

2. Een tekst over een patiënt met schizofrenie. Gebruik van carbamazepine, lithium, ... . Enkele farmaca verklaren en de tekst toelichten

3. stellingen toelichten: - Loopdiuretica, thiaziden en digitalis mogen samen gebruikt worden

- Diltiazem, nifedipine, nitroglycerinen en Captopril verlagen het hartritme

- Theofylline, digitalis en omeprazole hebben nood aan TDM

- Muscarinereceptorblokkers zijn niet aangewezen voor mannen boven de 60 en jonge kinderen

- TCA toedinging bij hartpatiënten

4. Tabel invullen met werkingsmechanismen, receptor (werkingsplaats) en gebruik simvastatin, propranolol, carbodopa, methylfenidaat, haloperidol, fenytoïne, sumatriptan, ...

Examenvragen '14-'15

  • Bespreek de nevenwerkingen en indicaties van geneesmiddelen die werken op de adrenerge synaps.
  • Bespreek alle farmacologische termen in het artikel.
  • Leg uit waarom ACE-inhibitoren gunstig zijn bij chronisch hartfalen
  • Case: vrouw 68jaar met schizofrenie; hypertensie en diabetes type II. Verlengd QT-interval, leg uit + verklaar geneesmiddelen die ze neemt.
  • beweringen:

- Clonidine direct stoppen en verderzetten met propranolol?

- Depressief persoon krijgt sympatomimeticum, best SSRI ipv MOA-inhibitoren toedienen.

- Diltiazem, nifedipine en captopril zorgen voor een verhoogd hartritme

- Tramadol is een sterk opoide analgeticum omwille van specifieke binding met opoide receptor

- Codeïne en paracetamol zijn samen sterker analgeticum

  • Leg effecten uit:

- 1 of ander lokaal analgeticum met tandabces

- lithium en NSAIDs

- spironolactone bij behandeling met thiazides, lisdiuretica en digoxine

- infliximab bij tuberculose

- haloperidol bij blaascontractie

  • Bespreek de autonome effecten van morfine + de verschillen met tradomal.
  • Artikel over een studie met anticoagulatia en NSAIDs
  • Bespreek de autonome effecten van morfine + de verschillende met tradomal.
  • Artikel over het CVA en het risico erop. Er stonden meerdere medicamenten in die je moest bespreken ( Sartanen, NSAID's en thrombocytenaggregatieremmers ) + het besluit van de studie in eigen woorden geven.
  • Geef uw mening over volgende stelling :

- Persoon met last van glaucoom geef je best TCA bij een depressie.

- Carbamezapine toont geen interactie met andere geneesmiddelen.

- 3 geneesmiddelen die zogezegd de hartslag zouden verlagen

- Dyskinsie veroorzaakt door anti-psychotica reageren gunstig op senergilline

- 3e generatie H2 remmers geven geen QT prolongatie ( Er stond wel degelijk H2 en niet H1 remmers, dat was de strikvraag )

  • Tabel met 10 geneesmiddelen, receptor, mechanisme en klinische indicatie geven :

- L-Dopa, Lidocaine, Theofylline, Calcium blokker, Prednisone, Omeprazole, ...

Examenvragen '15-'16

  • Bespreek het effect van ACE-I op chronisch hartfalen.
  • Lijst met geneesmiddelen en telkens een bijwerking. Bespreek of de bijwerking een effect is van het geneesmiddel of niet.

-codeïne - wazig zicht

-aspirine - melena

-rosuvastatine - spierpijn

-fenytoine - nystagmus

-methylfenidaat - slaapstoornissen

  • Stellingen (5) waarover je je mening moest geven.

-tramadol is een sterke analgeticum die specifiek op σ receptor bind (fout, zwakke en bind ook op andere receptoren) iemand die depressief is krijgt indirecte sympathomimetica, je kiest liever voor SSRI’s dan IMAO (juist, IMAO gaat effect van sympathomimetica juist potentiëren)

-paracetamol + codeïne geeft een sterker analgetisch effect dan beide apart (juist)

-TDM nodig voor Digoxine, Lithium en coumarines (juist, hebben alle 3 TDM nodig, en bij coumarine had ik een bijvraag: of dat ze het geneesmiddel zelf gingen monitoren of niet)

-fluoxetine en erythromycine hebben geen interacties met CYP (fout, wel CYP interacties)

  • “Casus’ : lijst met geneesmiddelen die standaard aanwezig zijn op een vliegtuig. Je moest van elk geneesmiddel zeggen waarvoor het gebruikt kan worden.

-Antihistaminica (tabletten en intraveneus)

-Lidocaïne IV (blijkbaar gaat dit aritmieën tegen als het IV wordt toegediend)

-aspirine

-atropine

-epinefrine (in 2 concentraties, bijvraag: intramusculair, want intraveneus mag niet en leg uit waarom)

-dextrose

-nitroglycerine

  • Indicaties en contra-indicaties van beta-blockers.
  • Een hele lijst met dingen zoals analgetica tabletten, bronchodilator, epinephrine,..+ geef waarom die gebruikt worden en geef een voorbeeld (dit was idem als nederlandstalige master)
  • Een vraag over interacties:

-Morphine en levo dopa samen oraal innemen

-Paracetamol met codeïne

  • Een aantal stellingen + waarom juist/fout:

-BZD doen de concentratie effect curve van GABA naar links verschuiven.

-Xylocaine is goed om tandabcessen te opereren.

-TCA’'s zijn goed voor depressieve patiënten met glaucoom.

  • Bespreek benzodiazepines: werking, farmacologische effecten en neveneffecten
  • Casus: vrouw met ADHD. Krijgt amfetamines en een geneesmiddel x dat zowel anxiolytisch als anti-depressief is. Ze heeft verschillende nevenwerkkingen: slapeloosheid, anxiogeen, ... Op een gegeven moment begint ze haar haren uit te trekken. Er wordt gestopt met het geven van amfetamines en de dosis van x wordt verlaagd. Tegelijk wordt een ander geneesmiddel toegediend y. Na onderzoek blijkt dat er een interactie was tussen het amfetamine en x omdat ze beide CYP2D6 gebruikten. Leg uit.

ADHD + geneesmiddelen

Geneesmiddel x : anxiolytisch (BZD) en anti-depressiva (SSRI → interacties met CYP2D6)

Geneesmiddel y met langere eliminatietijd dus minder abstinentieverschijnselen wanneer dosis BZD wordt verlaagd

CYP2D6 uitleggen

Bijvraag: wat is het substraat (amfetamine) en wat is de inhibitor (SSRI) van CYP2D6?

  • Stellingen:

-Lidocaïne en ibuprofen mogen samen gegeven worden bij iemand met hart problemen

-Fibraten zijn de eerste keuze bij hypercholesterolemie (bijvraag: geef een voorbeeld van een fibraat)

-De nieuwste generatie anti-histaminica zorgen niet voor torsades des pointes

-Spironolactone, amiloride, nsaids en captopril zorgen voor hyperkaliemie

  • Geef werkingsmechanisme, receptor en indicatie van 10 GNM (risperidone, leptocurare, een glucocorticoid, omeprazole, een sartaan, ciclosporine, scopolamine, een CCB, captopril, ...)

Bij het WM had je een paar keuzemogelijkheden (inhibitor van het ionenkanaal, competitieve antagonist, antagonist, agonist, …)

Examenvragen '16-'17

1) Bespreek de autonome effecten van morfine. Vergelijk deze met tramadol.

2) Artikel bespreken over vrouw met diabetes mellitus en manische episode. Lithium, gabapentine, benzodiazepines, antipsychotica, carbamazepine,... komen er in voor.

3) Geef uw mening over de volgende stellingen • lidocaine kan gebruikt worden voor lokale verdoving bij een tandabces door de aanwezige zwelling • nitroglycerine, captopril en verapamil vertragen de hartslag • TDM is nodig voor omeprazole, theofylline en een andere stof • Wanneer een chronische therapie met clonidine wordt stopgezet mag je meteen overschakelen op beta-blokkers • ….

4) Interacties: Bespreek de mogelijke interacties. • Digoxine, lis diuretica, spironolactone • fluoxetine, 2e generatie antihistaminica • glucocorticoiden, infliximab • ropirinol + antipsychoticum • ...

1. Bespreek werkingsmechanisme van benzodiazepines en hun farmacologische effecten en bijwerkingen.

2. Curve met (simva)statine en ezetimibe (zie slides casteels) wat is de “primary end point” hier? Bijvraag: wat is een Kaplan–Meier Curve?

3. Beweringen: a. Depressieve mensen met glaucoom behandel je best met fluoxetine ipv TCA. b. Donepezil, varenicline en setronen gaan doorheen de bloed hersen barrière en voeren hier ook hun therapeutisch effect uit. Bijvraag: Welke receptor binden deze setronen? c. Nifedipine, Enalapril en losartan vertragen de hartslag. d. Acute dyskinesieën bij neuroleptica reageren goed op selegiline. bijvraag: anticholinergica gebruikt bij deze acute dyskinesieën, curare zijn redelijk toxisch e. ASA en codeïne is een therapeutisch nuttige combinatie.

4. Tabel met geneesmiddelen: vul in: agonist (vol, partieel) /antagonist (competitief, niet-competitief) /inhibitor/ionenkanaalblokker,…, aangrijpingspunt/receptor klasse, therapeutisch doeleinde.

.risperidone

a. omeprazole b. fentanyl c. theofylline d. methylfenidaat e. methylprednisolone f. celecoxib

1. Bespreek noradrenaline in de adrenerge transmissie: indicaties en nevenwerkingen 2. Tekst over NSAID’s en bloedingsrisico, combi met anticoagulantia. Wat je moest uitleggen: NSAID’s, aspirine, NOACs 3. Stellingen uitleggen a. metoclopramide veroorzaakt acute dystonieën en worden behandeld met selegiline b. smelttabletten gaan via de vena cava superior naar de circulatie c. Nifedipine, Verapamil en nog iets verhogen de hartslag

1. Bespreek de Parkinson drugs: werkingsmechanisme & bijwerkingen

2. Case : patiente met ADHD neemt naast amfetaminezouten ook antidepressivum/anxiolitica pralextine (=SSRI) ... helaas spelen slapeloosheid , angstaanvallen en trekt ze haar haar uit na een tijdje. Aanpassing van dosering van amfetamine helpt niet. Uiteindelijk hebben ze door dat er interacties zijn tussen de amphetamine en pralexine. Ze verminderen de dosis amfetamine en geven haar venlafaxine (=SNRI). Dit alles had te maken met CYP2D6 …

3.Beweringen: a. Bupivacaine en epinephrine samen gebruiken heeft een gunstig therapeutisch effect. b. Je kan patiënten met een verleden van maagzweer behandelen met de combinatie codeïne-paracetamol. c. Een systemische behandeling met glucocorticoïden mag na 4 maanden niet abrupt gestopt worden. d. TDM nodig voor digoxine, coumarines en lithium e. Benzodiazepines schuiven de concentratie-effect curve van GABA naar rechts

4. Tabel met geneesmiddelen: vul in: agonist (vol, partieel) /antagonist (competitief, niet-competitief) /inhibitor/ionenkanaalblokker,…, aangrijpingspunt/receptor klasse, therapeutisch doeleinde.

.risperidone

a. -setron b. clonidine c. nifedipine d. celecoxib e. metoclopramide f. trastuzumab g. phenytoïne h. naloxone i. propanolol voormiddag 30/01 1.) bespreek de cholinerge transmissie. Geef de voornaamste geneesmiddelen, indicaties en nevenwerkingen 2.) casus over astmapatiënten, QT prolongatie, beta agonisten, beta blokkers, corticosteroïden, theofylline kwam er in voor. 3.) Stellingen a. fluoxetine heeft geen interacties met andere gnm (fout) b. dyskinesiën veroorzaakt door anti psychotica behandel je best met dopamine agonisten (fout) c. Geen interacties tussen moclobemide en gerijpte kazen (fout) d. TDM nodig bij cholinesterase inhibitoren, fenytoine, lithium en coumarines (niet bij cholinesterase inhibitoren, en bijvraag van hoe coumarines monitoren → aPPT) e. bij intoxicatie met heroïne geef je flumazenil (fout, je geeft naloxone want is een opioid en geen benzodiazepine) 4. tabel met gnm invullen agonist/antagonist enz, aangrijpingspunt en werking • metoclopramide •...sartan • organische nitraten • nifedipine • fenytoïne

Voormiddag 31/01

-Bespreek de indicaties en contra-indicaties van b-blokkers -Bespreek de volgende casus met focus op de farmacologische termen: Casus van een patiënt met amandelkanker die een fentanylpleister heeft en die ook de volgende medicijnen nam: paracetamol, diclofenac, morfine, diazepam, zolpidem, metoclopramide, statine en lidocaïne als spray. De dosis fentanyl werd over een maand langzaam verhoogt. Patiënt krijgt een fungale infectie en krijgt daarvoor een azole toegediend. Patiënt sterft enkele dagen later met als doodsoorzaak fentanyl overdosis. (=> azole is een cyp3A4 inhibitor, fentanyl is een cyp3a4 substraat). bespreek de volgende stellingen:

--Je kan na langdurig gebruik van clonidine, methylprednisolone en oxazepam abrupt stoppen. --Aspirine en phenytoïne hebben geen interacties. --NSAIDS die anaphylactische shock veroorzaken is een voorbeeld van een type B bijwerking. --Nieuwste generatie antihistaminica vertonen geen QT prolongatie. Bijvraag: geef een derde generatie antihistaminica + hoe werkt Qt prolongatie --feochromocytoom behandel je best met anticholinergica.

10 Geneesmiddelen captopril simvostatine varenicline morfine statine verapamil furosemide coumarine Fluoxetine Methylfenidaat

Examenvragen '17-'18

Examenvragen farmacologie '17-'18