Initiatie tot het medisch wetenschappelijk onderzoek (E04Y6A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken



Algemeen

Doelstellingen:

  1. Je kan onderscheid maken tussen wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke informatie.
  2. Je herkent de verschillende soorten medisch-professionele informatie, zoals cursussen, handboeken, peer-reviewed artikelen, internetinformatie en richtlijnen.
  3. Je kent het gebruik van Pubmed en de verschillende databanken voor literatuur uit de basiswetenschappen en de klinische wetenschappen.
  4. Je kent de inhoud en betekenis van de empirische cyclus en het belang van het formuleren van een door nieuw wetenschappelijk onderzoek uit te testen hypothese.
  5. Je kent de basisbegrippen van de bio-statistiek (populatie versus steekproef, beschrijvende statistiek, p-waarde en betrouwbaarheidsinterval, power), en kan deze toepassen bij het kritisch lezen van wetenschappelijke literatuur.
  6. Je kan de meest frequent gebruikte statistische technieken (vergelijken van gepaarde en ongepaarde gemiddelden en proporties, lineaire regressie, ANOVA) toepassen en interpreteren.
  7. Je kent de eerste beginselen van kritisch bekijken van wetenschappelijke artikels (basiswetenschappen en medische literatuur)

Examenvorm

Multiple choice examen. De kennis en inzicht van de student op het vlak van algemene principes van het kwantitatieve en statistische denken worden getoetst (paradigma’s van kwantitatief onderzoek zoals representativiteit en vergelijkbaarheid; schattings- en toetsingsprincipes, type respons, type covariaat,..); er wordt nagegaan of de student gerapporteerde resultaten kritisch kan benaderen, onjuistheden kan herkennen.

Er worden 55 meerkeuzevragen gesteld met telkens 4 antwoordmogelijkheden, met giscorrectie. Zowel de hoorcolleges als de statistische werkzittingen worden getoetst via het meerkeuzevragenexamen.

De bibliotheek werkzittingen worden getoetst aan de hand van een opdracht voorafgaand de examenperiode. Dit leidt tot een verslag.

Er is één eindscore op 20 punten met volgende weging:

- meerkeuzevragenexamen 91,67 %

- bibliotheek opdracht: 8,33 %

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen.)

- Bekijk de weblectures zeker al een keer voor de blok en noteer goed bij op je slides. Zo ga je jezelf veel tijd besparen tijdens de blok, die je dan kan besteden aan andere vakken.

- Het is vooral belangrijk om de grote lijnen te snappen, echt moeilijke details worden minder gevraagd.

- Mispak je niet aan dit examen! Ook al lijkt het dat er weinig wordt aangeleerd, moet je het toch wel snappen


Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

Bestand:Voorbeeldvragen (Toledo).docx

File:Theorie_cursus.docx - Een uitgeschreven versie van de weblectures. Ik sta niet garant voor de informatie in dit bestand.

File:Formularium_biostatistiek.docx - Ik sta niet garant voor de informatie in dit bestand.


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen.)

Examen 2017-2018

1. Wat is naast bloed, zwarte gal en geelgroene gal 1 van de 4 lichaamssappen in het vitalisme

A) Slijm
B) Urine
C) Etter
D) stoelgang 

2. Welke boundary staat zonder twijfel in zware risico

A. Biodiversiteit
B. CO2 uitstoot
C. Ozonlaag-depletie

3. In welke paragraaf van deze inleiding staat de onderzoeksvraag vermeld?

A. Paragraaf 1
B. Paragraaf 2
C. Paragraaf 3
D. Geen van bovenstaande was het dees ni


4. Door welke technologische doorbraak kon men het experiment van Hersey en Chase verwezelijken dat via micro-organismen een bacterie besmetten

A. Immunogoud elektronenmicroscoop
B. Het radioactief merken van micromoleculen 
C. Crisp cas 9 

5. Welk van odnerstaande technieken weerspiegelde het paradigma van de 17e /18e eeuw omtrend ziekten

A. Vaccinaties
B. Aderlating
C. Onthoofding
D. Steriliseren

6. Welke uitspraak is correct over de piramide van haynes

A. Bovenaan is de snelste manier op EBM te vinden
B. Onderaan staan de pioneers..
C. Praktijkrichtlijnen staan aan de top


7. Wat is het meest betrouwbare uit de volgende titels

A. Dit was een richtlijn
B. RCT
C. Meta-analyse

8. Welke uitspraak over wetenschap is niet correct

A. Wetenschap is onfeilbaar
B. Theorie wordt 'wetenschap' als bepaalde observaties in tegenspraak kunnen zijn
C. Wetenschappelijke kwaliteit stijgt als diverse pogingen tot falsificatie niet succesvol zijn
D. Precieze voorspellingen nodig

9. Kritisch beoordelen van een artikel is belangrijk. Om een artikel te kunnen beoordelen moeten we gaan kijken naar de methodesectie. Wanneer er weinig bias terug te vinden is kan je op zijn minst vertrouwen op de resultaten. Daarmee is het nog niet mogelijk om de resultaten toe te passen op de patiënt die voor jou zit. Selection bias, performance en detection bias zijn allemaal belangrijke vormen van toeval die je moet trachten uit te pluizen in jouw kritisch bekijken van het artikel. Wat zegt u attrition bias?

 A. Bias bij het selectief rapporteren van de resultaten
 B. Bias bij het selectief uitvallen of exclusie na de randomisatie
 C. Bias door de vertekening van de resultaten door het selectief includeren van personen
 D. Bias waarbij patiënten in de ene groep nog een andere behandeling krijgen dan in de andere groep

10. 1)Een dataset bevat 1000 metingen van een continue variabele X. Hetgemiddelde, de mediaan, de standaardafwijking en de interkwartielafstand noterenwe met respectievelijk µ1, med1, s1 en IRQ1. Vervolgens worden de 400 middelsteX-waarden weggegooid. Wat overblijft is dus een dataset met de 300 hoogste ende 300 laagste X-waarden. Het gemiddelde, de mediaan, de standaardafwijking ende interkwartielafstand van de overblijvende 600 metingen noteren we metrespectievelijk µ2, med2, s2 en IRQ2. Welk van de volgende uitspraken is metzeker heid correct?

A. Med1 = Med2

11. Welk van de volgende factoren beïnvloedt de lengte van het betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde (bij een normale verdeling)?

 A. Het gemiddelde in de steekproef
 B. Het gemiddelde in de populatie
 C. De grootte van de steekproef
 D. De grootte van de populatie

12. In een bloeddruk studie heb ik voor 15 patiënten de systolische bloeddruk onder placebo-condities. Voor 15 andere pati¨enten heb ik de bloeddruk gemeten na toediening van een bloeddruk remmer. Ik bereken het gemiddelde binnen beide groepen en trek die van mekaar af. Ik noem dat het ‘gemiddelde verschil’. Ik kan mij 4 situaties voorstellen: Situatie 1: het gemiddelde verschil is statistisch significant en medisch relevant Situatie 2: het gemiddelde verschil is niet statistisch significant en medisch relevant Situatie 3: het gemiddelde verschil is statistisch significant en niet medisch relevant Situatie 4: het gemiddelde verschil is niet statistisch significanten niet medisch relevant Welke situaties kunnen niet voorkomen?

 A. Situatie 2 kan niet voorkomen; alle andere wel
 B. Alle situaties kunnen voorkomen
 C. Situatie 3 kan niet voorkomen; alle andere wel
 D. Situaties 2 en 3 kunnen niet voorkomen; situaties 1 en 4 kunnen wel voorkomen

13. Welke bewering over multiple testing (meervoudig toetsen) is correct?

 A. Meervoudig toetsen behoudt de type I fout indien er gepast voor het aantal toetsen gecorrigeerd wordt, door de type I fout voor elke toets apart te doen dalen
 B. Meervoudig toetsen behoudt de type I fout indien er gepast voor het aantal toetsen gecorrigeerd wordt, door de type I fout voor elke toets apart te doen dalen. Dit geldt voor afhankelijke toetsen, voor onafhankelijke toetsen is geen correctie nodig 
 C. Meervoudig toetsen behoudt de type I fout indien er gepast voor het aantal toetsen gecorrigeerd wordt, door de type I fout voor elke toets apart te doen dalen. Ditgeldt voor onafhankelijke toetsen, voor afhankelijke toetsen is geen correctie nodig
 D. Meervoudig toetsen is geen probleem bij paarsgewijze gegevens

14. Gegeven: Xi ∼ N(µ,σ2). Welke schatter voor σ² is fout?

A. s^2 =1/(n − 1) Xni=1(Xi − X) ik dacht deze? Ja want zonder kwadraat is de som van afwijkingen 0 stond hier zeker geen macht? Want ik dacht van wel? Er stond zeker geen macht en vandaar was het dit antwoord
B. s^2 =1/(n − 1) Xni=1(Xi − X)^2
C. s^2 =1/(n) Xni=1(Xi − X)^2
D. s^2 =1/(n + 1) Xni=1(Xi − X)^2


15. Je hebt een gemiddelde van 3 en de standaardeviatie is 3, wat is de kans dat je willekeurig een positief getal krijgt?

A. 68 %
B. 84 %
C. 50%

16. Welke stelling over ordinale variabelen is juist?

De modus en de mediaan kan je gebruiken als locatiemaat en het is kwalitatief 

17. Men wilt onderzoeken of het al dan niet roken (rokers - niet rokers) een invloed heeft op het bevallen met een keizersnede. Welke test gebruikt men hier best voor? a) ongepaarde t-test b) gepaarde t-test c) McNemar d) Chi-kwadraat test

18) M.b.v. gegeven outcome tabel de F-waarde en bijhorende p berekenen

A. F = 55, p<00001
B. F= 3
C. F= -16,...
D. F= 16,...

19) wat is de voornaamste reden van retractie van een artikel?

Opzettelijke fouten
Conflict of interest

20) Schuit: wat is de stabiele toestand waarnaar we willen terugkeren (heeft te maken met veerkracht van de aarde)

Anthropocene 
Eoceen
Holoceen
Geen van bovenstaande 

21) ergens R² bij berekenen, formule was gegeven en ook waarde van SSR en SSE

R = 0,49

22) logistische regressie is mogelijk bij

Wel bij prospectief - wel bij retrospectief

23) Tabel van equivalentietestengegeven waar non-inferiority is weggeglaten. Bij 1-zijdig en 2-zijdig toetsen, kennen we de hogere 4 situaties. Welke vande vier mogelijkheden vult de lege plek correct op?

A. H0 : µ < µ0, Ha : µ ≤ µ0; H0 ⇐⇒] − ∞, µ0 + ∆]
 B. H0 : µ > µ0, Ha : µ ≤ µ0; H0 ⇐⇒ [µ0 + ∆, +∞[. 
 C. H0 : µ < µ0, Ha : µ ≤ µ0; H0 ⇐⇒] − ∞, µ0 − ∆]
 D. H0 : µ < µ0, Ha : µ ≥ µ0; H0 ⇐⇒ [µ0 + ∆, +∞[ 

24) artikel gegeven over onderzoek naar transvetten in de voeding. Wat is de onderzoeksvraag?

Is er een verschil in invloed voor transvetten op het serum als voor gesatureerde A?
Is er een correlatie tussen transvetten in voeding en transvetten in het serum
Wat is het effect van voedings transvetten op het lipoproteine gehalte in serum 

25) welke bron was het meest kwaliteitsvol

Die waar alles van auteur, artikel, tijdschrift enzo in stond en waar meta-analyse stond

26) Welke uitspraak is foutief (over het nakijken van veronderstellingen)?

A. Bij lineaire regressie kijkt men gelijkheid van variantie na
 B. Bij ANOVA kijkt men gelijkheid van variantie na
 C. Bij lineaire regressie kijkt men lineariteit na
 D. Bij ANOVA kijkt men lineariteit na.

27) De χ2toets met continuïteitscorrectie wordt toegepast:

A. Bij 2 × 2 tabellen met grote verwachte aantallen.
 B. Bij 2 × 2 tabellen met minstens 1 klein verwacht aantal.
 C. Bij 2 × 2 tabellen met een aantal zeer grote en enkele kleine verwachte aantallen.
 D. Bij 2 × 2 tabellen afkomstig van gepaarde testen.

28) De McNemar toets wordt toegepast:

A. Bij 2 × 2 tabellen met grote verwachte aantallen.
 B. Bij 2 × 2 tabellen met minstens 1 klein verwacht aantal.
 C. Bij 2 × 2 tabellen met een aantal zeer grote en enkele kleine verwachte aantallen.
 D. Bij 2 × 2 tabellen afkomstig van gepaarde testen.

29)Bij een χ2qverdeling (‘met q vrijheidsgraden’) geldt:

A. Het kritisch punt neemt toe met toenemende q.
 B. Het kritisch punt neemt af met toenemende q
 C. Het kritisch punt is onafhankelijk van q
 D. Het kritisch punt is een niet-monotone functie van q

30) Er is een van de volgende beweringen waar (n is de steekproefgrootte).Welke?

A. Als n stijgt, stijgt het populatiegemiddelde
 B. Als n stijgt, daalt het populatiegemiddelde
 C. Als n stijgt, daalt de standaardfout.
 D. Als n stijgt, stijgt de standaardfout

31)Om op de vraag ‘Is er een verschil in BMI (Body Mass Index) op de leeftijdvan 30 jaar tussen mannen en vrouwen?’ te kunnen antwoorden gebruiken we best:

A. een ongepaarde t-toets.
 B. lineaire regressie
 C. een gepaarde t-toets
 D. 1-weg ANOVA

32)Beschouw het lineaire regressiemodel: yi = β0 + β1xi + εi. Veronderstel dat alle assumpties voldaan zijn. Welke bewering is juist?

A. Als iemand een toename heeft in xi met 1 eenheid, dan neemt yi toe met 1eenheid.
 B. Als iemand een toename heeft in xi met 1 eenheid, dan neemt yi toe met β1eenheden. 
 C. Als twee personen een verschil in xi hebben van 1 eenheid, dan is hun verwachtverschil in yi 1 eenheid.
 D. Als twee personen een verschil in xi hebben van 1 eenheid, dan is hun verwachtverschil in yi β1 eenheden.

33) voor lineaire regressie geldt:

De respons is uitsluitend continue; x kan eender wat zijn

34) iets over de interpreteerbaarheid van alfa en beta bij logistische regressie bij een retrospectieve studie

Alfa is niet interpreteerbaar, beta wel
Hier had ik echt geen flauw idee van… 

35) ik test de nulhypothese σ² = σ²0 tegenover het tweezijdige alternatief. Van welke vorm is dit alternatief

σ² =/= σ²0

36) de nulhypothese is µ = 1. Wat kan niet voorkomen?

1 ligt in het betrouwbaarheidsinterval en het resultaat is significant 
0 ligt in het betrouwbaarheidsinterval en het resultaat is significant
0 ligt in het betrouwbaarheidsinterval en het resultaat is niet significant
1 ligt in het betrouwbaarheidsinterval en het resultaat is niet significant

37) tabel met enkel BI gegeven, geen p waarde 0 lag dacht ik niet in het BI

P waarde is groter dan 0,05
P waarde is kleiner dan 0,05
De variaties zijn zeker gelijk 

38) Een tabel met outcomes van levene test en t-toets. Welke uitspraak is correct?

De nulhypothese van alle t-toetsen in deze tabel is µ=0

Nog een tiental oefeningen waar je gegevens moest afleiden uit een statistica weergave. Deze waren moeilijker dan de WZ …


Examen 2016-2017

1. Een reeks getallen bevat een gemiddelde, een interkwartielafstand en mediaan; namenlijk G1, Q1 en Med1. Men neemt nu de middelste 400getallen weg en bekomt dus nu een gemiddelde, interkwartielafstand en mediaan G2, Q2 en Med2. welke uitspraak is waar?

A: Med1 = Med 2
B: Gem 1= gem2
C: Q1 > Q2
D: Q1 < Q2

2. enkele vragen over Planet bounderies

3. Wie is de groep die een artikel bekritiseerd, voordat deze gepubliceerd

A: Peer (review)
B: editor
C: wetenschapper
D: producent


Examen 2014-2015

1)Een dataset bevat 1000 metingen van een continue variabele X. Hetgemiddelde, de mediaan, de standaardafwijking en de interkwartielafstand noterenwe met respectievelijk µ1, med1, s1 en IRQ1. Vervolgens worden de 400 middelsteX-waarden weggegooid. Wat overblijft is dus een dataset met de 300 hoogste ende 300 laagste X-waarden. Het gemiddelde, de mediaan, de standaardafwijking ende interkwartielafstand van de overblijvende 600 metingen noteren we metrespectievelijk µ2, med2, s2 en IRQ2. Welk van de volgende uitspraken is metzekerheid correct?

  A. µ2 = µ1
  B. med2 = med1
  C. s2 = s1
  D. IRQ2 ≥ IRQ1.

2) Welk van de volgende factoren benvloedt de lengte van het betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde (bij een normale verdeling)?

  A. Het gemiddelde in de steekproef
  B. Het gemiddelde in de populatie
  C. De grootte van de steekproef.
  D. De grootte van de populatie
  

3)Onderzoekers zijn genteresseerd in de volgende onderzoeksvraag: Is er voor het dieet een verband tussen de lengte en het gewicht?Welke statistische analyse kan je gebruiken om hierop een antwoord te geven? Je mag er van uit gaan dat aan de assumpties voor alle mogelijke analyses voldaan is.

  A. Chi-kwadraat-toets
  B. 1-weg ANOVA
  C. Gepaarde t-toets
  D. Lineaire regressie.

4)Om op de vraag ‘Is er een verschil in BMI (Body Mass Index) op de leeftijdvan 30 jaar tussen mannen en vrouwen?’ te kunnen antwoorden gebruiken we best:

  A. een ongepaarde t-toets.
  B. lineaire regressie
  C. een gepaarde t-toets
  D. 1-weg ANOVA

5) In een bloeddruk studie heb ik voor 15 patienten de systolische bloeddrukonder placebo-condities. Voor 15 andere pati¨enten heb ik de bloeddruk gemetenna toediening van een bloeddrukremmer. Ik bereken het gemiddelde binnen beidegroepen en trek die van mekaar af. Ik noem dat het ‘gemiddelde verschil’. Ik kanmij 4 situaties voorstellen: Situatie 1: het gemiddelde verschil is statistisch significant en medisch relevantSituatie 2: het gemiddelde verschil is niet statistisch significant en medischrelevant Situatie 3: het gemiddelde verschil is statistisch significant en nietmedisch relevant Situatie 4: het gemiddelde verschil is niet statistisch significanten niet medisch relevantWelke situaties kunnen niet voorkomen?

  A. Situatie 2 kan niet voorkomen; alle andere wel
  B. Alle situaties kunnen voorkomen.
  C. Situatie 3 kan niet voorkomen; alle andere wel
  D. Situaties 2 en 3 kunnen niet voorkomen; situaties 1 en 4 kunnen wel voorkomen

6) (Tabel van equivalentietesten met vakje rechtsvanonder open). Bij 1-zijdig en 2-zijdig toetsen, kennen we de hogere 4 situaties. Welke vande vier mogelijkheden vult de lege plek correct op?

  A. H0 : µ < µ0, Ha : µ ≤ µ0; H0 ⇐⇒] − ∞, µ0 + ∆]
  B. H0 : µ > µ0, Ha : µ ≤ µ0; H0 ⇐⇒ [µ0 + ∆, +∞[.
  C. H0 : µ < µ0, Ha : µ ≤ µ0; H0 ⇐⇒] − ∞, µ0 − ∆]
  D. H0 : µ < µ0, Ha : µ ≥ µ0; H0 ⇐⇒ [µ0 + ∆, +∞[

7)Er is een van de volgende beweringen waar (n is de steekproefgrootte).Welke?

  A. Als n stijgt, stijgt het populatiegemiddelde
  B. Als n stijgt, daalt het populatiegemiddelde
  C. Als n stijgt, daalt de standaardfout.
  D. Als n stijgt, stijgt de standaardfout

8)Gegeven: Xi ∼ N(µ,σ2). Welke bewering is juist?

  A. X ∼ N(nµ, nσ^2)
  B. X ∼ N(µ,σ^2/n).
  C. X ∼ N(µ,σ^2√n)
  D. X ∼ N(nµ, σ2)

9) Welke bewering over multiple testing (meervoudig toetsen) is correct?

  A. Meervoudig toetsen behoudt de type I fout indien er gepast voor het aantaltoetsen gecorrigeerd wordt, door de type I fout voor elke toets apart te doen dalen.
  B. Meervoudig toetsen behoudt de type I fout indien er gepast voor het aantaltoetsen gecorrigeerd wordt, door de type I fout voor elke toets apart te doendalen. Dit geldt voor afhankelijke toetsen, voor onafhankelijke toetsen is geencorrectie nodig
  C. Meervoudig toetsen behoudt de type I fout indien er gepast voor het aantal toetsengecorrigeerd wordt, door de type I fout voor elke toets apart te doen dalen. Ditgeldt voor onafhankelijke toetsen, voor afhankelijke toetsen is geen correctie nodig
  D. Meervoudig toetsen is geen probleem bij paarsgewijze gegevens

10)Bij een χ2qverdeling (‘met q vrijheidsgraden’) geldt:

  A. Het kritisch punt neemt toe met toenemende q.
  B. Het kritisch punt neemt af met toenemende q
  C. Het kritisch punt is onafhankelijk van q
  D. Het kritisch punt is een niet-monotone functie van q

11) Gegeven: Xi ∼ N(µ,σ2). Welke schatter voor σ2is onvertekend? (zie antwoorden op vragenforum toledo)

  A. s^2 =1/(n − 1) Xni=1(Xi − X)
  B. s^2 =1/(n − 1) Xni=1(Xi − X)^2
  C. s^2 =1/(n) Xni=1(Xi − X)^2
  D. s^2 =1/(n + 1) Xni=1(Xi − X)^2

12) De McNemar toets wordt toegepast:

  A. Bij 2 × 2 tabellen met grote verwachte aantallen.
  B. Bij 2 × 2 tabellen met minstens 1 klein verwacht aantal.
  C. Bij 2 × 2 tabellen met een aantal zeer grote en enkele kleine verwachte aantallen.
  D. Bij 2 × 2 tabellen afkomstig van gepaarde testen.

13)De χ2toets met continuïteitscorrectie wordt toegepast:

  A. Bij 2 × 2 tabellen met grote verwachte aantallen.
  B. Bij 2 × 2 tabellen met minstens 1 klein verwacht aantal.
  C. Bij 2 × 2 tabellen met een aantal zeer grote en enkele kleine verwachte aantallen.
  D. Bij 2 × 2 tabellen afkomstig van gepaarde testen.

15) Beschouw het lineaire regressiemodel: yi = β0 + β1xi + εi. Veronderstel dat alle assumpties voldaan zijn. Welke bewering is juist?

  A. Als iemand een toename heeft in xi met 1 eenheid, dan neemt yi toe met 1eenheid.
  B. Als iemand een toename heeft in xi met 1 eenheid, dan neemt yi toe met β1eenheden.
  C. Als twee personen een verschil in xi hebben van 1 eenheid, dan is hun verwachtverschil in yi 1 eenheid.
  D. Als twee personen een verschil in xi hebben van 1 eenheid, dan is hun verwachtverschil in yi β1 eenheden.

16) Logistische regressie kan toegepast worden:

  A. wel bij prospectieve studies — wel bij retrospectieve studies.
  B. wel bij prospectieve studies — niet bij retrospectieve studies
  C. niet bij prospectieve studies — wel bij retrospectieve studies
  D. niet bij prospectieve studies — niet bij retrospectieve studies

17) Bij logistische regressie:

  A. kan men geen rekening houden met stratificatoren
  B. kan men slechts rekening houden met 1 enkele stratificator die binair is
  C. kan men slechts rekening houden met continue stratificatoren (1 of meer)
  D. kan men rekening houden met 1 of meer stratificatoren, van om het even welktype

18)Welke uitspraak is foutief (over het nakijken van veronderstellingen)?

  A. Bij lineaire regressie kijkt men gelijkheid van variantie na.
  B. Bij ANOVA kijkt men gelijkheid van variantie na.
  C. Bij lineaire regressie kijkt men lineariteit na.
  D. Bij ANOVA kijkt men lineariteit na.
  

19)Welke actie onderneemt men bij invloedrijke observaties in een lineaireregressie?

  A. Een invloedrijke observatie wordt nooit verwijderd.
  B. Een invloedrijke observatie wordt soms verwijderd, afhankelijk van de context.
  C. Een invloedrijke observatie wordt altijd verwijderd.
  D. Het probleem stelt zich niet: bij lineaire regressie kunnen geen invloedrijkeobservaties voorkomen.

20) Waar staat het eerste symbool van het 'GATE frame' voor (omgedraaide driehoek).

  A. selecteren van patiënten (inclusie en exclusie criteria).
  B. Groepen vergelijken
  C. Bepalen van de outcome
  D. Bepalen hoe de outcome staat in de maatschapij (ethische consequenties)

21) Kritisch beoordelen van een artikel is belangrijk. Om een artikel te kunnen beoordelen moeten we gaan kijken naar de methodesectie. Wanneer er weinig bias terug te vinden is kan je op zijn minst vertrouwen op de resultaten. Daarmee is het nog niet mogelijk om de resultaten toe te passen op de patiënt die voor jou zit. Selection bias, performance en detection bias zijn allemaal belangrijke vormen van toeval die je moet trachten uit te pluizen in jouw kritisch bekijken van het artikel. Wat zegt u attrition bias?

  A .Bias bij het selectief rapporteren van de resultaten
  B. Bias bij het selectief uitvallen of exclusie na de randomisatie. 
  C. Bias door de vertekening van de resultaten door het selectief includeren van personen
  D. Bias waarbij patiënten in de ene groep nog een andere behandeling krijgen dan in de andere groep

22)Een eerste stap in het bekijken en uitzoeken van relevante artikels is het duidelijk bepalen van een onderzoeksvraag. Zo kan je vanuit een klinische casus duidelijk aangeven wat voor jou de belangrijkste elementen zijn van de op te lossen problematiek. Welk acroniem wordt hiervoor gebruikt?

  A. PICO.
  B. GATE-frame
  C. ROB-tool
  D. EBM

23) Bij het beantwoorden van een klinisch probleem is het belangrijk om na te gaan welke behandeling het meest effectief is. Hiervoor ga je kijken naar artikels die beschikken over het juiste design. Je weet ook dat er een hiërarchie is tussen de verschillende designs. Met andere woorden sommige designs geven meer zekerheid over de resultaten en zijn dus meer betrouwbaar. Dit noemt men de "levels of evidence". Welke studie verkies je en is het meer betrouwbaar om je op te baseren wanneer je iemand een behandeling wil aanraden?

  A. Een RCT
  B. Een systematic review met meta-analyse. 
  C. Een case report
  D. Een systematische review

- Als bijlage drie artikels (artikels van prof Schuit die we besproken hebben in de les, enkel het abstract). Deze handelen over retraction, illegaal handelen van ivoor en de groei van de wereldbevolking. Hier worden negen vragen over gesteld: - 24) Vraag over abstract retractie: Het abstract is...

  A. Comparatief paradigma
  B. Representatief paradigma
  C. Prospectieve studie
  D. Gerandomiseerde studie

25)Welke uitspraak is correct?

  A. Door te herschalen (delen door de Keniaanse populatie en dan vermenigvuldigen met wereldpopulatie) kunnen we de illegale dodingen per persoon voor de hele wereld berekenen.
  B. Door te herschalen (delen door de Keniaanse populatie en dan vermenigvuldigen met wereldpopulatie) kunnen we de illegale dodingen per persoon voor de hele wereld schatten.
  C. Door te herschalen (delen door de site-specifieke populatie en dan vermenigvuldigen met de nationale populatie) kunnen we de illegale dodingen per persoon voor de hele wereld berekenen.
  D. Door te herschalen (delen door de site-specifieke populatie en dan vermenigvuldigen met de nationale populatie) kunnen we de illegale dodingen per persoon voor de hele wereld schatten.

26)Welke conclusie komt uit het onderzoek zelf en niet door de journalist?

  A. Er bestaat geen snelle manier om de wereldbevolking te laten dalen.
  B. Het toenemen van het aantal teruggetrokken artikels is te verklaren door het toegenomen aantal onderzoekers.
  C. Om het illegaal doden tegen te gaan, moeten er strengere regels komen in Kenia en meer toezicht.

27) 28) 29) 30) 31) 32)

- Dan krijg je een inleiding van een onderzoek waarbij je de onderzoeksvraag moest zien terug te vinden. - 33) De onderzoeksvraag staat in:

  A. Paragraaf 1B. Paragraaf 2
  C. Paragraaf 3.
  D. De onderzoeksvraag staat niet duidelijk vermeld 

(Antwoord?)

34) We testen een groeihormoon op volgroeide muizen. We geven ze elke maand een kleine dosis groeihormoon. Elke week wordt de grootte van de muizen gemeten. Welke analyse kan er worden toegepast?

  A. Lineaire regressie 
  B. Logistieke regressie
  C. Ongepaarde t toets
  D. Geen van bovenstaande. 

(Antwoord?)

35) We bestuderen een variabele X die de normale verdeling volgt in de populatie. We vinden een gemiddelde 4 en als standaarddeviatie 2. Wat is de kans dat we toevallig een positieve X waarde bekomen?

  A. 97,5%.
  B. 95%
  C. 68 %
  D. 34%

36) Welke stelling is correct:

  A. De standaarddeviatie is de vierkantswortel van de variantie.
  B. De variantie is de vierkantswortel van de deviatie
  C. ...
  D. ...

37) Een tabel is gegeven met resultaten van een analyse. We zien de resultaten van de t test en de levene's test. Bij de t - toets zagen we een betrouwbaarheidsinterval van het verschil. Welke analyse is hier toegepast?

  A. Gepaarde t - toets
  B. Ongepaarde t - toets
  C. Anova 
  D. Geen van bovenstaande

38) 39)Er was een 2x2 tabel gegeven met geobserveerde gegevens. De gegevens kwamen overeen met de gegevens van de tabel die verwacht werd (expected). Die was niet gegeven, moest je zelf berekenen. Wat kunnen we besluiten over de p-waarde?

  A. p = 0
  B. p = 1
  C. 0 < p
  D. 0.05 < p < 1.

40) (werd geschrapt tijdens het examen)

In een steekproef van 25 joggers werd het maximum volume zuurstofopname (VO2) gemeten. Het gemiddelde in deze groep werd bepaald als 47.50 ml/kg met een standaarddeviatie van 13.04 (ml/kg)2. In een controle groep van 26 niet-joggers bleek het gemiddelde 37.50 ml/kg met een standaarddeviatie van 16.01 (ml/kg)2. Welk van de volgende betrouwbaarheidsintervallen is correct voor het gemiddelde van ´e´en van de groepen?
  A. 16,01−1,96 47,5 √25;16,01 + 1,96 47,5 √25
  B. 47,50−2,00 13,04 √26 ;47,50 + 2,00 13,04 √26
  C. 47,50−1,96 13,04 √26 ;47,50 + 1,96 16,01 √26
  D. 47,50−1,96 13,04 √25 ;47,50 + 1,96 13,04 √25


Voorbeeldvragen (Toledo)

Examenvragen 2013 - 2014

1. Welke database hoort niet thuis in het rijtje?

a) Medline Plus.

b) Embase

c) BMJ

d) Cochrane


2. Wat zijn de voorwaarden voor lineaire regressie?

a) constante verhouding tussen X en Y, symmetrie, constante varianties

b) lineare verhouding tussen X en Y, symmetrie, constante varianties.

c) lineare verhouding tussen X en Y, symmetrie, lineaire varianties

d) lineare verhouding tussen X en Y, asymmetrie, constante varianties


3. gegeven: kruistabel

   20     30
   10      40

expected tabel

E11 E12 E21 E22

Wat is de waarde van E11?

a)15.

b)35

c)30

d)50


4. (zelfde tabel) Wat is de odds ratio?

a)

b)3,87

c)2,67.

d)1,65


5. Men wilt een onderzoek doen om de BMI de vergelijken bij 5 en 30 jarigen. Welke statistische test kan hier best voor gebruikt worden?

a)ongepaarde t-test.

b) gepaarde t-test

c) lineaire regressie

d) ANOVA


6. Men wilt onderzoeken of het al dan niet roken (rokers - niet rokers) een invloed heeft op het bevallen met een keizersnede. Welke test gebruikt men hier best voor?

a) ongepaarde t-test

b) gepaarde t-test

c) 1-weg ANOVA

d) Chi-kwadraat test.


7. Welke stelling over nominale variabelen is niet juist?

a) Ze zijn kwalitatief

b) alleen de modus kan berekend worden

c) binaire variabelen zijn nominale variabelen waarbij er maar 2 mogelijkheden zijn

d) 1 van de vorige 3 stellingen is fout.


8. Wat moet je niet doen bij het toepassen van EBM?

a) zoeken naar objectieve informatie

b) toepassen in de juiste context

c) de vooropgestelde hypothese bewijzen.

d) evalueren van de resultaten


9. er wordt een steekproef genomen bestaande uit 800 waarden, wanneer je de 100 hoogste en 100 laagste waarden schrapt, waarvan ben je zeker dat dit NIET verandert?

a)Gem blijft zelfde

b)Modus blijft zelfde

c)Interkwartiel blijft hetzelfde

d)Mediaan blijft hetzelfde.


10.wat is een juist ivm pseudowetenschap en wetenschap

a)wetenschap is onfeilbaar, pseudowetenschap niet

b)wetenschappers zijn allemaal academisch opgeleid, dit is niet zo voor pseudowetenschappers

c) wetenschap is gebaseerd op een theorie

d)wetenschapwordt gemeten aan de falsificaticriteria.


11.Wat is Pico voluit?

a) patient intervention comparison outcome.

b) patient intervention computed outcome

c) patient intervantion cross-sectional outcome

d)


12. Men wil zien of er een verband is tussen het gewicht van de moeders en dat van hun pasgeboren baby's. Welke test kan je het beste gebruiken?

a) ongepaarde t-test

b) gepaarde t-test

c) logistieke regressie

d) lineaire regressie.


13. Wat is waar over de dualiteit van het betrouwbaarheidsinterval en het niveau van significantie?

a) Het betrouwbaarheidsinterval bevat alle nulhypothesen die geaccepteerd zouden worden als de som van het interval en de significantie 100% is.

b) Het betrouwbaarheidsinterval bevat alle nulhypothesen die geaccepteerd zouden worden als het product van het interval en de significantie 100% is

c) Het betrouwbaarheidsinterval bevat alle nulhypothesen die geaccepteerd zouden worden als het verschil van het interval en de significantie 100% is

d) Het betrouwbaarheidsinterval bevat alle nulhypothesen die geaccepteerd zouden worden als het interval en de significantie tegengesteld zijn


14. We kunnen spreken van lineaire regressie als de functie ...

a) lineair is in X

b) lineair is in Y

c) lineair is in de beta-parameter.

d) lineair is in X, Y en de beta-parameters?


15. Statistische significantie en wetenschappelijke relevantie (bijv.: het verschil is groot genoeg). Als we het gemiddelde verschil tussen bloeddrukken onder twee behandelingen schatten en nagaan of het significant verschillend is van nul, dan kunnen we er gebruik van maken (bijvoorbeeld in het medisch onderzoek, de klinische praktijk, enz.):

a)indien het significant is (ongeacht de relevantie)

b)indien het relevant is (ongeacht de significantie)

c)indien het zowel significant als relevant is.

d)het is niet mogelijk van hier een algemene uitspraak over te doen


16. Wat is de mediaan van de volgende reeks getallen: 1,3,7,7,10,11,12,15,20,25

a)7

b)10,5.

c)11,1

d)24


17. Wat is de mediaan van een even reeks getallen?

a)laagste waarde

b)middelste waarde

c)gemiddelde van de twee middelste waarden.

d)hoogste waarde


18. Verschil tussen chi kwadraat en fisher exact toets?

a) chi kwadraat bij grote steekproef en fisher exact bij kleine steekproef

b) chi kwadraat bij kleine steekproef en fisher exact bij grote steekproef

c) chi kwadraat bij grote verwachte waarden en fisher's exact bij kleine.

d) Altijd fisher exact gebruiken want chi kwadraat toets is slechts een benadering


19. Als ik iets "tot op het bot" wil onderzoeken met een kritische blik en zelf de relevante artikels kritisch wil bekijken, dan raadpleeg ik best:

a)Een SR

b)1 of meerdere RCTs.

c) een interessante cohort case study

d) ...


20. Welke van volgende studies is geen klinische studie? (er stonden 4 verwijzingen naar studies die ik uiteraard niet heb onthouden, en in de titel van die studies kon je dan zien dat er 1 studie was uitgevoerd op ratten, dus dat was het antwoord)

vb. verwijzing naar artikel: Hooper L, Thompson RL, Harrison RA, Summerbell CD, Ness AR, Moore HJ, Worthington HV, Durrington PN, Higgins JP, Capps NE. Risks and benefits of omega 3 fats for mortality, cardiovascular disease, and cancer: systematic review. BMJ. 2006 Apr 1;332(7544):752-60. Teksten:21. Onderzoek 1 waarom werd er op verschillende anatomische plaatsen getest op kanker?

a) naar gelang de anatomische positie van de darm, kan de chemische substantie de darmcellen bereiken

b) naar gelang de anatomische positie van de darm... rectaal & collateraal

c)

d) alle drie de bovenstaande antwoorden


22. Waarom wordt onderzoek 2 uitgevoerd

a) Er is een vermoeden van een niet bewezen verband tussen koffie/thee en kanker

b) Men wilt weten of genetische factoren in het caffeïnemetabolisme de kans op kanker veranderen

c)

d)


23. Waarom hebben de 2 onderzoeken een verschillende uitkomst?

a) onderzoek 1 is een retrospectieve studie en 2 een prospectieve studie (of andersom)

b) Bij 1 werd er langer gewacht

c)

d) geen van bovenstaande


24. Wat is correct mbt koffiestudie 1:

a) er werd rekening gehouden met etniciteit, leeftijd & geslacht voor de resultaten

b) er werd geen rekening gehouden met andere mogelijke factoren voor CKR

c)

d)


25. Wat wordt er gedaan met drop-outs in dit onderzoek?

a) vermeld, niet geanalyseerd

b) vermeld en gebruikt in een alternatieve analyse

c) er zijn geen drop-outs

d)

Examenvragen 2012 - 2013

Voorbeeldvragen “Initiatie Wetenschappelijk Onderzoek” (Vraag 1 tot 10) 18 november 2012

+

Examen 2012-2013 (1e versie) -> Voorbeeldvragen (1-10) kwamen er letterlijk in


VRAAG 1. Wat zijn de zogenaamde “peers” in het systeem van het publiceren van nieuw onderzoek in een wetenschappelijk tijdschrift?

A collega-onderzoekers van een andere universiteit die op hetzelfde onderwerp werken

B collega’s in het team van de onderzoeker die iets wil onderzoeken

C onderzoekers waarop het werk van het huidig onderzoek steunt

D onderzoekers waarnaar het artikel in de literatuurlijst verwijst


VRAAG 2. Welk deel van het artikel is (naast de titel) voor vrijwel alle PubMed artikels online zichtbaar?

A resultaten

B methodiek

C abstract

D literatuurverwijzingen


VRAAG 3. Wat is FOUT i.v.m. “retraction” (terugtrekken na publicatie) van een wetenschappelijk artikel?

A de frequentie van dit fenomeen neemt de laatste jaren sterk toe

B de auteurs krijgen voor men overgaat tot de retractie het recht op antwoord

C het fenomeen gebeurt efficiënter (sneller) bij tijdschriften met een groot prestige

D alle artikels met aangetoonde wetenschappelijke fraude worden teruggetrokken


VRAAG 4. kritisch beoordelen van een artikel is belangrijk. Om een artikel te kunnen beoordelen moeten we gaan kijken naar de methodesectie. Wanneer er weinig bias terug te vinden is kan je op zijn minst vertrouwen op de resultaten. Daarmee is het nog niet mogelijk om de resultaten toe te passen op de patiënt die voor jou zit. Selection bias, performance en detection bias zijn allemaal belangrijke vormen van toeval die je moet trachten uit te pluizen in jouw kritisch bekijken van het artikel. Wat zegt u attrition bias?

A Bias bij het selectief rapporteren van de resultaten

B Bias bij het selectief uitvallen of exclusie na de randomisatie

C Bias door de vertekening van de resultaten door het selectief includeren van personen

D Bias waarbij patiënten in de ene groep nog een andere behandeling krijgen dan in de andere groep


VRAAG 5. Een eerste stap in het bekijken en uitzoeken van relevante artikels is het duidelijk bepalen van een onderzoeksvraag. Zo kan je vanuit een klinische casus duidelijk aangeven wat voor jou de belangrijkste elementen zijn van de op te lossen problematiek. Welk acroniem wordt hiervoor gebruikt?

A PICO

B GATE-frame

C ROB-tool

D EBM


VRAAG 6. Bij het beantwoorden van een klinisch probleem is het belangrijk om na te gaan welke behandeling het meest effectief is. Hiervoor ga je kijken naar artikels die beschikken over het juiste design. Je weet ook dat er een hiërarchie is tussen de verschillende designs. Met andere woorden sommige designs geven meer zekerheid over de resultaten en zijn dus meer betrouwbaar. Dit noemt men de "levels of evidence". Welke studie verkies je en is het meer betrouwbaar om je op te baseren wanneer je iemand een behandeling wil aanraden?

A Een RCT

B Een observationele studie

C Een case rport

D Een systematische review


VRAAG 7. De reden om een willekeurige steekproef (random sample) te selecteren is:

A om conclusies te trekken over de groep van subjecten in de willekeurige steekproef

B om een representatief beeld te krijgen over de populatie waaruit de steekproef genomen is

C om groepen binnen de populatie waaruit de steekproef genomen is met elkaar te vergelijken

D in sommige gevallen om een representatief beeld te krijgen over en in andere gevallen om groepen te vergelijken binnen de populatie waaruit de steekproef genomen is


VRAAG 8. Welk van de volgende beweringen is foutief?

A het gemiddelde is een maat voor de spreiding binnen een populatie

B de mediaan is een locatie-maat voor de populatie

C de interkwartielafstand is een maat voor de spreiding binnen een populatie

D de modus (mode) is een maat voor de locatie binnen een populatie


VRAAG 9. Stel dat we een nulhypothese willen toetsen dat een verschil in bloeddruk tussen een voor- en een nameting gelijk is aan nul (Ho: μ = 0). Welke bewering is correct?

A Het betrouwbaarheidsinterval voor het verschil bevat 0 enkel en alleen als de nulhypothese wordt verworpen.

B Het betrouwbaarheidsinterval bevat altijd de nul-waarde (hier μ = 0).

C Hoe groter het betrouwbaarheidsniveau (confidence level), hoe langer het betrouwbaarheidsinterval.

D Hoe groter de grootte van de steekproef (n), hoe langer het betrouwbaarheidsinterval.


VRAAG 10 Statistische significantie en wetenschappelijke relevantie (bijv.: het verschil is groot genoeg). Als we het gemiddelde verschil tussen bloeddrukken onder twee behandelingen schatten en nagaan of het significant verschillend is van nul, dan kunnen we er gebruik van maken (bijvoorbeeld in het medisch onderzoek, de klinische praktijk, enz.):

A indien het significant is (ongeacht de relevantie)

B indien het relevant is (ongeacht de significantie)

C indien het zowel significant als relevant is

D het is niet mogelijk van hier een algemene uitspraak over te doen


VRAAG 11 Screeningprogramma's-blablabla- wat zegt u lead time bias

A de patient herinnert de eerst klachten niet

B Er wordt voor 3 jaar ipv 5 jaar getest

C De ziekte wordt vroeger opgespoord, maar de overlevingstijd verandert niet

D


VRAAG 12 Wat is de interkwartiel afstand van de volgende reeks getallen: 1,3,7,7,10,11,12,15,20,25

A 11,1

B 25-1=24

C 15-7=8

D 7


VRAAG 13 Wat is de mediaan van de volgende reeks getallen: 1,3,7,7,10,11,12,15,20,25

A 7

B 10,5

C 11,1

D 24


VRAAG 14 Wat is de gemiddelde van de volgende reeks getallen: 1,3,7,7,10,11,12,15,20,25

A 7

B 10,5

C 11,1

D 24


VRAAG 15 Wat is het bereik van de volgende reeks getallen: 1,3,7,7,10,11,12,15,20,25

A 7

B 10,5

C 11,1

D 24


VRAAG 16 Welke van volgende reeks bevat enkel spreidingsmaten??

A variantie-gemiddelde-modus

B variantie-interkwartielafstand-bereik

C standaarddeviatie-gemiddelde-mediaan

D gemiddelde-mediaan-modus


VRAAG 17 Welke van volgende reeks bevat enkel locatiematen?

A variantie-gemiddelde-modus

B variantie-interkwartielafstand-bereik

C standaarddeviatie-gemiddelde-mediaan

D gemiddelde-mediaan-modus


VRAAG 18 Inleiding van een artikel; wat voor onderzoek is dit

A cohort studie

B RCT

C Systematic review

D Systematic review met meta-analyse


VRAAG 19 waarvan worden de meeste artikels teruggetrokken?

A fraude

B dubbel publiceren

C fout in methodologie

D onbewuste,kleine fouten


VRAAG 20 Wat is EBM niet

A een hulpmiddel

B een overleginstrument

C een evaluatie-instrument

D een nieuwe tak van de geneeskunde


VRAAG 21 wat heeft Popper toegevoegd aan het onderscheid tussen pseudowetenschap en wetenschap

A het ontstaan van logisch redeneren of experimenten

B het falsificatiecriterium

C dat observaties in tegenspraak kunnen zijn

D ...


VRAAG 22 Wat bedoelde Newton met zijn uitspraak 'if I have seen further, it is by standing on the shoulders of giants'?

A hij was zelf nogal klein van gestalte (Britse humor)

B wetenschappers moeten niet concurreren, maar samenwerken: ze hebben hetzelfde doel, nl waarheid vinden

C wetenschappers bouwen voort op werk van eerdere wetenschappers

D


VRAAG 23 We hebben een databank met gegevens over Belgische vrouwen. Wat kunnen we hier niet uit afleiden?

A de prevalentie van baarmoederhalskanker

B het gemiddelde verschil tussen oestrod... Level voor en na de menopauze

C het percentage ...

D de kans op besmetting met HIV bij hetero's bij onveilige seks


VRAAG 24 Welke uitspraak is juist?

A attrition bias is bij het selectief includeren van bepaalde personen

B detection bias is bij het bepalen van de outcome (fzo)

C performance bias is bij het excluderen van bepaalde personen

D reporting bias is bij het uitvoeren (fzo)


VRAAG 25 Welke uitspraak is fout?

A wetenschap is onfeilbaar

B volgens Einstein zijn precieze voorspellingen nodig

C theorie wordt 'wetenschap' als bepaalde observaties in tegenspraak kunnen zijn

D


VRAAG 26 3 stukjes uit een inleiding: welk stuk bevat de onderzoeksvraag


VRAAG 27 een titel: wat kunnen we hierover zeggen?

A de outcome ontbreekt

B de titel bevat alle gegevens om een pico op te stellen

C de indextekst en comparison ontbreken

D de populatie wordt niet duidelijk weergegeven


VRAAG 28 Welke uitspraak klopt? (de antwoorden waren langer, maar het kwam hierop neer)

A betrouwbaarheidsniveau = significantieniveau

B betrouwbaarheidsniveau is tegengesteld aan significantieniveau

C betrouwbaarheidsniveau x significantieniveau = 1

D betrouwbaarheidsniveau + significantieniveau = 1


VRAAG 29 Hoe berekenen we de standaarddeviatie?

A alle resultaten optellen, delen door de steekproefgrootte en hieruit de vierkantswortel

B alle resultaten optellen, hiervan het gemiddelde aftrekken, delen door n en hieruit de vierkantswortel

C alle resultaten min het gemiddelde, deze optellen, kwadrateren, delen door n en hieruit de vierkantswortel

D alle resultaten min het gemiddelde, kwadrateren, alle resultaten optellen, delen door n en hieruit de vierkantswortel


VRAAG 30 Welke uitspraak is juist?

A het betrouwbaarheidsinterval wordt groter als n groter wordt

B het betrouwbaarheidsinterval wordt groter als het betrouwbaarheidsniveau groter wordt

C

D


VRAAG 31 welke uitspraak volgt uit een gegeven figuur?


VRAAG 32 We kunnen spreken van lineaire regressie als de functie ...

A lineair is in X

B lineair is in Y

C lineair is in de beta-parameters

D lineair is in X, Y en de beta-parameters


VRAAG 33 Wat is het minst belangrijk in het proces waarin beslist wordt of een artikel wordt opgenomen in een tijdschrift?

A onderzoek naar de interesse van het lezerspubliek

B prioriteit bepalen van het artikel door de editor

C bemerkingen rapporteren aan de auteur van het artikel

D onderzoek naar geldigheid door peers

VRAAG 34 Griepmedicijnonderzoek bij patiënten op de spoedafdeling. 15 van de 20 mensen hebben verminderde griepsymptomen. Welk argument kan niet aangehaald worden over het feit dat het onderzoek niet correct is uitgevoerd (of iets in die aard)

A er is geen vergelijkingsgroep

B de mensen op de spoed hebben sowieso al ergere griepsymptomen dan de mensen die thuis zitten

C de steekproef is te klein

D er is geen dubbele blindering

VRAAG 35 Wat is de opbouw van een researchartikel?

A abstract - resultaat - discussie - referenties

B referenties - resultaat - abstract - discussie

C resultaat - discussie - referentie - abstract

D geen algemene regel


VRAAG 36. Een middel tegen maaglast wordt toegediend aan 35 patiënten. 3 uur later hebben 20 van de 35 patiënten geen last meer. Hieruit kunnen we besluiten:

A het middel werkt

B het middel werkt niet

C niets, want steekproef is te klein

D niets, want er is geen comparison


VRAAG 37 Voor een artikel gepubliceerd wordt, wordt dit nagelezen door experts. Deze noemen we

A peers

B authors

C editors

D geen algemene naam


VRAAG 38 Een oneven aantal getallen wordt gegeven. Deze worden gerangschikt van klein naar groot. De mediaan is

A het eerste getal

B het middelste getal

C het gemiddelde van de twee middelste getallen

D het laatste getal


VRAAG 39 Een even aantal getallen wordt gegeven. Deze worden gerangschikt van klein naar groot. De mediaan is

A het eerste getal

B het middelste getal

C het gemiddelde van de twee middelste getallen

D het laatste getal


VRAAG 40 Volgende reeks van 11 getallen wordt gegeven: 1 3 7 7 7 11 12 15 25 35 50. Bereken gemiddelde

A 7

B 11

C 15,73

D 49


VRAAG 41 Volgende reeks van 11 getallen wordt gegeven: 1 3 7 7 7 11 12 15 25 35 50. Bereken mediaan

A 7

B 11

C 15,73

D 49


VRAAG 42 Volgende reeks van 11 getallen wordt gegeven: 1 3 7 7 7 11 12 15 25 35 50. Bereken bereik

A 7

B 11

C 15,73

D 49


VRAAG 43 Volgende reeks van 11 getallen wordt gegeven: 1 3 7 7 7 11 12 15 25 35 50. Bereken modus

A 7

B 11

C 15,73

D 49


VRAAG 44 Volgende reeks van 11 getallen wordt gegeven: 1 3 7 7 7 11 12 15 25 35 50. Ik noteer per ongeluk 350 in plaats van 35. Welke stelling is correct?

A dit heeft geen invloed op het gemiddelde

B dit heeft geen invloed op de mediaan

C dit heeft geen invloed op het bereik

D dit heeft geen invloed op de standaardfout