Inleiding psychologie, medische en gezondheidspsychologie (E05Y8A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken


Algemeen

Bij het voltooien van dit opleidingsondeel is de student in staat om:

  • belangrijke processen van het psychologisch functioneren, zoals waarneming, geheugen, aandacht, leren, emotie en stress, sociale interactie en persoonlijkheid, te definiëren en te begrijpen;
  • van de hierboven genoemde basisprocesses de ontwikkeling over de levensloop te taxeren;
  • te begrijpen hoe psychologische processen en gedragingen een rol spelen in de kansen op gezondheid en ziekte, en omgekeerd, hoe ziekte een invloed heeft op het psychologisch functioneren en gedrag;
  • te begrijpen hoe psychologische processen en gedragingen tijdens ziekte en hospitalisatie en de wederzijdse interactie tussen patient en zorgverleners het verdere verloop van ziekte, herstel en levenskwaliteit kunnen beïnvloeden;
  • te begrijpen hoe deze psychologische processen, gedragingen en interacties kunnen beïnvloed worden met het oog op het verbeteren van somatische en psychische gezondheid.

Examenvorm

Toetsing gebeurt op drie niveau's

- kennis van basisfeiten en -begrippen

- inzicht in en redeneervermogen aan de hand van de aangereikte denkkaders

- creatief hanteren van aangereikte denkkaders om concrete praktijkvoorbeelden te structureren en te begrijpen

Het examen bestaat uit 1 geïntegreerd schriftelijk examen, bestaande uit zowel meerkeuzevragen (met giscorrectie) als een open vraag.

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen)

- Bij professor Van Diest zijn haar slides zonder notities vaak moeilijk te begrijpen. Zelfs met notities blijven sommige delen vaag.

- Bij professor Vandenbergh staat in het boek eigenlijk niet veel extra ten opzichte van de slides. Zo nuttig is het boek dus niet.

- Onderschat het vak niet, veel studenten laten dit vak liggen en eindigen met een herexamen. Je moet er nu ook niet superveel tijd in steken op voorhand, maar het al eens bekijken is geen slecht idee.


Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

Samenvattingen prof. Vandenberghe (medische psychologie), aangevuld met Psychology For Medicine.

1 1 stress en gezondheid 2 2 chronische ziekte - dood 3 3 psychosomatiek 4-5-6 4-5-6 immuniteit - respiratoire gezondheid - GI systeem 7 7 voortplanting en endocrinologie 8 8 therapietrouw

Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen)

Examenvragen psychologie 2016 - 2017_

Examenvragen Psychologie 15-16

Opgepast: vanaf 2015 nieuwe structuur van het vak. Vroeg werd dit vak door Omer Van Den Berghe gegeven, nu zijn er 3 aparte professoren: Van Diest, Schaeken en Vandenbergh (=/= Omer Van Den Berghe). Examenvragen van voor juni 2015 zijn dus niet meer relevant.


Examenvragen juni 2015: Psychologie


Examenvragen '14 - '15

Hoofdvragen

  • Leg (a) de voet-in-de-deur techniek uit en (b) stereotypering en leg uit hoe (a) en (b) al dan niet positief in de dokterspraktijk gebruikt worden.
  • Een man komt bij jou die al meermaals geprobeerd heeft te stoppen met drinken. Hij beseft zelf dat hij een probleem heeft (al minimaliseert hij dat), vindt dat het genoeg geweest is en dat er iets moet veranderen. Hij heeft al een aantal keren zelf een poging ondernomen, maar verloor telkens weer de controle. Hoe pak je het gesprek aan? Welke modellen gebruik je hiervoor?
  • Thomas is een masterstudent en voor zijn thesis laat hij 1000 studenten twee vragenlijsten invullen. Eén die peilt naar hun optimisme en een andere die peilt naar hun verkoudheidssymptomen. Hij vindt een negatieve correlatie tussen optimisme en symptomen van verkoudheid. Hij concludeert dat optimistische studenten minder vatbaar zijn voor verkoudheden.
(a) Is zijn conclusie correct? Leg uit.
(b) Waardoor kan deze relatie verklaard worden? Geef drie mogelijkheden en eventueel voorbeelden.

Meerkeuze

1. Welk van de volgende aspecten speelt geen rol bij deindividuering?

 a) Agressie
 b) Verhoogde arousel
 c) Verminderd verantwoordelijkheidsgevoel
 d) Anonimiteit

2. 2 stellingen: 1) Grootte- en vormconstantie zijn 2 voorbeelden van top-down invloed bij waarneming 2) Onderzoek heeft uitgewezen dat oefening belangrijker is dan aanleg

 a) Stelling 1 is juist, stelling 2 is fout
 b) Stelling 1 is juist, stelling 2 is juist
 c) Stelling 1 is fout, stelling 2 is juist
 d) Stelling 1 is fout, stelling 2 is fout

3. Eveline laat haar dochtertje zonder problemen spelend achter op de mat bij vrienden terwijl zij het huis gaat verkennen. Als ze terugkomt gaat het meisje gewoon verder met spelen en reageert ze niet op de aankomst van haar mama. Hun band is waarschijnlijk een van:

 a) Veilige gehechtheid
 b) Afwerende gehechtheid
 c) Vermijdende gehechtheid
 d) Gedesoriënteerde gehechtheid

4. Zita zit met vragen als: 'wie ben ik?' en 'wat wil ik later doen?' Zij zit volgens het model van Erickson waarschijnlijk in de volgende fase:

 a) Basisschoolleeftijd
 b) Adolescentie
 c) Vroege volwassenheid
 d) Middelbare volwassenheid

5. Welke uitspraak over de seriële positiecurve is fout?

 a) Het herinneren van de laatste gegevens kan verminderd worden door de persoon kort acherwaarts te laten tellen
 b) Door het voorrangseffect worden de laatste gegevens beter onthouden. Dit komt omdat deze nog in het KTG ziten.
 c) ...
 d) a, b en c zijn alledrie correct

6. Hazel liep gisteren in het bos naast Lente die de hele tijd liep te snotteren en niezen. Nu is Hazel zelf ook ziek. Ze denkt dat het gewoon komt doordat ze naast Lente gelopen heeft gisteren, die de hele tijd liep te snotteren en te hoesten. Hazel is:

 a) 2-4 jaar
 b) 4-7 jaar
 c) 7-9 jaar
 d) 9-11 jaar

7. Welke uitspraak geeft op de meest correcte manier de relatie weer tussen negatieve affectiviteit (en stress?) En asthma?

 a) Negatieve affectiviteit en stress hebben een invloed op het aantal asthma-aanvallen, de frequentie van de aanvallen en de ernst van de symptomen.
 b) NA en stress hebben een invloed op het aantal asthma-aanvallen en de frequentie ervan.
 c) NA en stress hebben een invloed op het aantal asthma-aanvallen, de frequentie ervan, de ernst van de symptomen en het ontstaan ervan.
 d) ...

8. Een vierling lijdt aan dezelfde genetische aandoening. Ze hebben allemaal een progressieve aantasting van het semantische geheugen, maar niet van het episodisch en procedureel geheugen. Welke van de 4 broers heeft her het minste last van bij zijn beroep?

 a) Broer A, wielrenner
 b) Broer B, leerkracht Duits
 c) Broer C, boekhouder
 d) Broer D, advocaat

9. Iemand moet een sportwedstrijd doen, maar is niet super gestressed (goed voorbereid en zo). Wat is waar?

 a) Cortisol en adrenaline zeer sterk gestegen
 b) Vagale reactie, cortisol licht gestegen
 c) Parasympatische reactie met sterke activatie van HPA-as
 d) Sympatische reactie, cortisol ligt gestegen

10. Welke van de volgende structuren is niet betrokken bij de negatieve feedback van cortisol?

 a) Amygdala
 b) Hypofyse
 c) Hypothalamus
 d) Hippocampus

11. X stelt zich vragen zoals 'Wie ben ik'? en 'Wat ga ik later doen?' In welke fase van de ontwikkeling volgens Erikson bevindt x zich?

 a) Basisschool
 b) Adolescentie
 c) Vroege volwassenheid
 d) Midden volwassenheid

12. Wat voor preventiemaatregel is het vaccineren van bejaarde mensen met het griepvaccin?

 a) Selectief/primair
 b) Selectief/secundair
 c) Universeel/ primair
 d) Universeel secundair

13. X ging vroeger altijd met de fiets naar het werk. Hij heeft echter besloten om vanaf nu de auto te nemen. Hij merkt echter dat hij er 20 minuten langer over doet om op zijn werk te geraken met de auto. X besluit daarom na 2 weken om toch weer met de fiets naar het werk te gaan. En inderdaad hij is 20 minuten minder lang onderweg. Welke vorm bekrachtiger/straf is dit?

 a) Positieve bekrachtiger
 b) Negatieve bekrachtiger
 c) Positieve straf
 d) Negatieve straf

14. Welk van volgende opties zal het minst doeltreffend zijn om de sterftecijfers in België op langere tijd (>30j) te doen dalen? Ervan uitgaande dat alle opties hieronder volledig uitvoerbaar zijn (herinner mij de juiste formulering niet meer).

 a) Betere preventie door bevolking beter te informeren over gevaar van roken, belang van sporten, van een gezonde levensstijl...
 b) ...
 c) Betere curatieve kankerbehandeling, zodat patiënten langer kunnen leven met hun kanker
 d) Ervoor zorgen dat sigaretten helemaal niet meer beschikbaar zijn

15. Medicatie M. Schaal van 0-30 voor GI-symptomen (0 - helemaal geen last, 30 - extreem veel last). Mensen worden in 3 groepen onderverdeeld. Groep 1 krijgt medicatie M + opvolgingstherapie, groep 2 krijgt placebo en opvolgingstherapie en groep 3 krijgt enkel dezelfde opvolgingstherapie als groep 1 en 2. Gemiddelde score op GI-symptomenschaal van de 3 groepen samen was 19. Na het onderzoek kon men vaststellen dat: Score voor groep 1 nog 7 was, groep 2 11 en groep 3 16. Wat kan men hieruit besluiten?

 a) Groep die medicatie gekregen heeft is effectief met 4 punten naar beneden gegaan
 b) Placebo-respons is met 8 punten naar beneden gegaan
 c) Placebo-effect (in enge zin) is netto met 3 punten naar beneden gegaan
 d) Farmacologisch effect van M is een daling van 7 punten

16. Patiënt moet 1 maal per dag medicatie nemen tussen 18u en 21u gedurende 1 maand. Na 1 maand zie je deze patiënt terug op consultatie en kom je te weten dat hij 15 dagen zijn medicament op het juiste uur genomen heeft, 1 dag niet en 14 dagen op een ander moment. Wat kan je zeggen over de therapietrouw in dit verband?

 a) Indien model van dose-frequency, kan men zeggen dat het om goede therapietrouw ging
 b)Indien model van dose-frequency, kan men zeggen dat het om partiële therapietrouw ging
 c) Dose-frequency is 50%
 d) Men kan niet spreken over dosefrequency, want de medicatie moest niet op bepaald moment genomen worden maar in een tijdsvork

17. Een alcohol-verslaafde heeft een laps, welke situatie zal hem het meeste kans geven om in relapse te vallen?

 a) Door situationele en interne attributie
 b) Door verminderde cognitieve dissonantie
 c) Door sociale druk om te drinken
 d) Door te denken "eens een alcoholieker, altijd een alcoholieker"

18. Waarin past reattributiemodel het best?

 a) Slecht nieuwsgesprek
 b) Arts - patiënt samenwerkingsmodel (?)
 c) Calcary-Cambridge model
 d) Crisis model


19. Welk van volgende stellingen over pro-inflammatoire cytokines is correct?

 a) Tijdens chronische stress kunnen ze geproduceerd worden door neuronen
 b) Ze oefenen een effect uit op de hersenen via craniale zenuwen
 c) Ze worden enkel perifeer geproduceerd, niet in de hersenen
 d) Ze zorgen voor een grieperig gevoel, koorts, depressieve gevoelens en verhogen het risico op kanker


20. De dwaling van de gokker valt te verklaren door:

 a) Beschikbaarheidsheuristiek
 b) Representativiteitsheuristiek
 c) Valse consensuseffect
 d) ...

Examenvragen '16 - '17

Hoofdvragen

Open vraag 1

4 groepen: alcohol in bar (1), alcohol in kantoor (2), placebo in bar (3), fruitsap in kantoor (4) grafiekresultaten: cognitieve test → 4 het beste, 1 en 3 een pak minder, 2 het slechtste hartslag metingen → 1 en 2 verhoogd, 3 sterk verlaagd, 4 niet significant verschillend zin in nog een glas → 1 > 3 > 2 > 4 opdracht: verklaar en waarom relevant in dagelijks leven

Open vraag 2

Patiënt komt bij jou als arts om te praten over zijn alcoholprobleem. Hij heeft al verschillende keren geprobeerd te stoppen, maar zonder succes. Hoe pak je het gesprek met de man aan? Beantwoord op een gestructureerde manier en licht alle gebruikte modellen zorgvuldig toe. Geef ook aandachtspunten bij het gesprek.

Meerkeuze

1. Er wordt een brief gestuurd naar alle geregistreerde chronisch zieke patiënten met daarin een uitnodiging dat ze gratis een griepvaccin mogen halen bij hun huisarts. Deze interventie is:

 a) Primair, universeel
 b) Primair, selectief
 c) Secundair, selectief
 d) ...

2. Welke piste zal op termijn (30 jaar) in Europa het minst zorgen voor een daling van het sterftecijfer (in de veronderstelling dat alle interventies perfect uit te voeren zijn)

 a) Sigaretten volledig verbieden
 b) Primaire evidence based preventie
 c) Investeren in gezondheidsvoorlichting rond roken en eetgedrag
 d) Armoede bestrijden

3. Welke uitspraak is het meest correct

 a) Faciale emotie-uitdrukking heeft 2 functies: enerzijds moduleren van zintuigelijke input en anderzijds communicatie
 b) Construïstische theorie zegt dat emoties voor het grootste deel aangeboren zijn
 c) ...
 d) ...

4. Bas wil zelf zijn boterham met choco smeren. Als zijn vader de pot choco neemt, legt hij zijn handen op de boterham en roept 'neen, ik doen!'. Bas is ongeveer ... jaar en het conflict in zijn levensfase is ...

 a) 3; vertrouwen vs fundamenteel wantrouwen
 b) 4; autonomie vs schaamte en twijfel
 c) 3; initiatief vs schuldgevoel
 d) 5; vlijt vs minderwaardigheid

5. Welke deugd kan men bereiken in de adolescentie

 a) Trouw
 b) Hoop
 c) Liefde
 d) Zelfvertrouwen

6. Bij welke school uit de psychologie past de geheugentheorie van Atkinson en Schriffin

 a) Structuralisme
 b) Functionalisme
 c) Cognitieve psychologie
 d) ...

7. Iemand geeft je een geschreven brief en je kan deze onmiddellijk lezen; dit is NIET te wijten aan:

 a) Template matching
 b) Kenmerkenherkenning
 c) Top-down processing
 d) Bottom-up processing

8. Redenen achter het fenomeen conformisme

 a) Dingen die je niet weet willen toetsen aan anderen, erbij willen horen
 b) Meegaand karakter, aanvaard worden door de groep
 c) Autoritaire opvoeding, aanvaard worden door de groep
 d) Aanvaard worden door de groep en bij dubbelzinnigheid op de anderen hun antwoord letten

9. Welke psychologische stroming focust op adaptief gedrag

 a) Behaviorisme
 b) Functionalisme
 c) Cognitieve psychologie
 d) ...

10. Bij haar eerste operatie vertoont een vrouwelijke arts-assistent zenuwachtigheid. De rest van haar groep zijn mannen. Haar stageleider schrijft de zenuwen toe aan het feit dat ze een vrouw is. Dit komt door:

 a) Beschikbaarheidsheuristiek
 b) Valse consensus
 c) Stereotypering
 d) ...

11. Welke stelling omtrent levensverwachting in België klopt niet

 a) De levensverwachting blijft stijgen, vooral bij hoger opgeleiden
 b) Iets omtrent potentieel verloren levensjaren bij mannen vs vrouwen
 c) Iets omtrent verloren gezonde levensjaren bij mannen vs vrouwen
 d) Lager opgeleiden drinken meer en roken meer

12. Gegeven: grote tabel met resultaten over een bevraging van aanwezigheid van stress bij andere onderzochte variabelen (studiejaar, regelmatig naar de les, geslacht, examen resultaten, ...). Welke bewering is NIET correct?

 a) Vrouwelijke studenten hebben meer stress
 b) Studenten met meer stress hebben slechtere resultaten
 c) Studenten met fysieke klachten rapporteren meer stress
 d) Studenten die naar de les gaan hebben evenveel stress als studenten die niet gaan

13. Wat is correct in verband met tolerantie

 a) Mannen zijn toleranten voor alcohol dan vrouwen
 b) Tolerantie heeft een biologisch en psychologisch aspect
 c) Tolerantie is het grootst wanneer men drugs in nieuwe omstandigheden neemt
 d) ...

14. Een telefoonnummer bestaat uit een vast aantal cijfers beginnend met een code voor een zone (Leuven bijvoorbeeld 016). Waarom zijn we in staat een telefoonnummer te onthouden

 a) Iconisch geheugen heeft een capaciteit die de lengte van het telefoonnummer niet overschrijdt
 b) Fonologisch geheugen heeft meer slots
 c) Oproepaanwijzigingen
 d) Catastrofale interferentie wordt verhinderd

15. Medicatie M. Schaal van 0-30 voor GI-symptomen (0 - helemaal geen last, 30 - extreem veel last). Mensen worden in 3 groepen onderverdeeld. Groep 1 krijgt medicatie M + opvolgingstherapie, groep 2 krijgt placebo en opvolgingstherapie en groep 3 krijgt enkel dezelfde opvolgingstherapie als groep 1 en 2. Gemiddelde score op GI-symptomenschaal van de 3 groepen samen was 19. Na het onderzoek kon men vaststellen dat: Score voor groep 1 nog 7 was, groep 2 11 en groep 3 16. Wat kan men hieruit besluiten?

 a) Groep die medicatie gekregen heeft is effectief met 4 punten naar beneden gegaan
 b) Placebo-respons is met 8 punten naar beneden gegaan
 c) Placebo-effect (in enge zin) is netto met 3 punten naar beneden gegaan
 d) Farmacologisch effect van M is een daling van 7 punten

16. Marieke heeft brandwonden die elke dag verzorgd moeten worden. Elke dag biedt ze meer en meer verzet. Als ze haar proberen te verzorgen, wordt ze helemaal wild zodat de verpleegkundige niet anders kan dan later terug te komen. Papa geeft haar soms een snoepje, mama knuffelt en troost haar. Soms moet er iemand komen die haar kalmeert met een handpop. De reden dat ze steeds lastiger en lastiger wordt is te wijten aan ... en ...

 a) Positieve bekrachtiging en negatieve bekrachtiging
 b) Positieve bekrachtiging en negatieve straf
 c) Negatieve bekrachtiging en variabel ratio bekrachtigingsschema
 d) ...

17. De dokter vraagt aan elke patiënt of ze frequent pijn hebben. Patiënten die op het moment van de consultatie pijn ondervinden, rapporteren frequenter pijn te hebben dan patiënten die op dat moment geen pijn hebben. Welke 'sin of memory' past hierbij?

 a) Suggestibiliteit
 b) Bias
 c) Misattributie
 d) Blokkering

18. Welk besluit kan je niet trekken uit diermodellen in verband met ontwikkelingsmodellen

 a) Positieve ervaringen in de jonge levensfase zorgen voor minder stress later
 b) Het diertje even scheiden van zijn mama zorgt voor een hogere stressactiviteit later
 c) ...
 d) ...

19. Wat is juist in verband met vreesconditionering?

 a) Angst is context gebonden. Je zal dus niet snel angstig zijn in een andere omgeving dan die waar angst geleerd is
 b) Door angstconditionering is de perceptie van mensen minder goed bij het inschatten van deze klachten als bij gelijkaardige lichamelijke klachten
 c) ...
 d) ...

20. Wat klopt over perceptuele constataties?

 a) Hierdoor zien we het verschil tussen stilstaande en bewegende beelden
 b) Correctie van onze gewaarwording
 c) ...
 d) ...

21. Vraag over borstkanker

 a) ...
 b) ...
 c) ...
 d) ...

22. Vraag in verband met de pijnpoorttheorie

 a) Stress --> depolarisatie dorsale motorneuronen --> pijnpoort minder geactiveerd
 b) ...
 c) ...
 d) ...

23. Vraag in verband met dose frequency

 a) ...
 b) ...
 c) ...
 d) ...

24. Emoties met een lage arousal en negatieve valentie roepen het volgende op:

 a) Antinoceptieve banen minder actief, dorsale hoorn hyperpolarisatie
 b) Antinoceptieve banen minder actief, dorsale hoorn depolarisatie
 c) Antinoceptieve banen meer actief, dorsale hoorn depolarisatie
 d) Antinoceptieve banen meer actief, dorsale hoorn hyperpolarisatie

25. Vraag in verband met de Barker-hypothese

 a) Intra-uteriene invloeden hebben latere invloeden
 b) ...
 c) ...
 d) ...

26. Parentificatie?

 a) Wanneer je al op jonge leeftijd belast wordt met volwassen taken
 b) ...
 c) ...
 d) ...

27. Geïntegreerde rouw?

 a) Rouw met opflakkeringen, niet constant aanwezig
 b) ...
 c) ...
 d) ...

28. Vraag in verband met hartslagvariabiliteit

 a) Een verlaagde hartslagvariabiliteit verhoogt de kans op hartritmestoornissen
 b) ...
 c) ...
 d) ...

29. Wat is geen voorbeeld van secundair ziektevoordeel?

 a) Extra aandacht van familie, vrienden, hulpverleners, ...
 b) Dankzij ziekte is visie veranderd, meer belang aan familie, cultuur, ...
 c) Financiële voordelen: sociale zekerheid
 d) Een vreemdeling zal niet gerepatrieerd worden

30. Evaluatie van het stappenplan in verband met planningsmodel preventieve interventies

 a) Evaluatie van gezondheidseffecten - evaluatie van effecten op gedrag - evaluatie van effecten op determinanten - interventie ontwikkelen - implementeren
 b) ...
 c) ...
 d) ...

31. Welke stelling is het meest juist?

 a) Gedurende langere tijd grotere porties eten leidt tot meer honger
 b) Lineair verband met meer eten en gewicht bijkomen
 c) ...
 d) ...

32. Welke stelling is juist?

 a) Er wordt ALTIJD een verband gezien tussen NA en hyperventilatie
 b) We zien geen verschil in activatie van hersenstructuren bij functionele en somatische klachten
 c) Hyperventilatie gebeurt enkel in negatieve situaties
 d) ...

33. Pijnpoorttheorie; wat is FOUT?

 a) Pijnpoorttheorie is een voorbeeld van het signaal-filter model
 b) Pijnpoorttheorie kan gebruikt worden bij het verklaren van kanker
 c) Pijnpoorttheorie - placebo
 d) Pijnpoorttheorie kan partieel het catastroferen bij chronische ziekten verklaren

34. Vraag in verband met een man die al 15 jaar gestopt was met roken en nu opnieuw naar café gaat waar hij destijds begonnen is met roken

 a) ...
 b) ...
 c) ...
 d) ...

35. Hawthrone experimenten

 a) ...
 b) ...
 c) ...
 d) ...

36. Vraag in verband met een reclame van McDonnalds en honger. Wat klopt volgende de James-Lange theorie?

 a) Kwijlen --> interpretatie van honger
 b) ...
 c) ...
 d) ...

37. Wat is correct?

 a) Alexithymie zorgt voor een amplificatie van klachten
 b) Alexithymie krijgt een plaats in de moderne visie op rouw, maar niet bij Kubbler-Ross
 c) ...
 d) ...

Examenvragen '17-'18

Openvragen

1. iemand met lage rugpijn. heeft meer pijn s’avonds na een drukke werkdag en is ervan overtuigd dat er iets ergs aan de hand is met zijn rug. dokters vinden niets mis dus hij gaat naar zijn huisarts. Zij stelt dat een rugzenuw ontstoken is en dringend behandeld moet worden. Ze stelt een nieuwe experimentele drug voor (eigenlijk geeft ze hem een placebo). Na 1 maand zegt frank dat alles veel beter gaat en dat hij opnieuw fysieke activiteiten doet en dat de medicatie direct werkte.

a. geeft de 3 manieren waarom Frank die frank zijn aandacht beïnvloeden

b. leg de 3 werkingsmechanismen die hier van pas komen voor placebo

c. beargumenteer het gedrag van de arts. Maakt ze hier ethisch gebruik van de placebo?

2. Persoon met onverklaarbare (volgens resultaten) darmklachten die slechte mentale gezondheid vermeld (slaaptekort, stress, ziek kind, …)

a. Wat is je meest waarschijnlijke diagnose? Licht deze kort toe

b. Hoe ga je dit aanpakken (bespreken resultaten, diagnose, verdere behandeling)? Bespreek de modellen die je hiervoor zou gebruiken en wat je doelstellingen zijn


Tips: leer grafieken en studies te interpreteren. En onderschat het vak niet. Ook de fysiologie van de stress is belangrijk. Namen en hypothesen worden gevraagd in de MKV zonder context, leer ze dus ook goed Voor het deel medische psychologie gaat het merendeel van de vragen over het interpreteren van nieuwe grafieken, niet per se uit vanbuiten geleerde verschillen (veel vragen over statistisch (in)significante verschillen e.d., zorg dat je dit begrijpt, want wordt niet echt breed besproken id les, aangezien GNK al statistiek heeft gehad) Voor algemene psychologie werden de onderzoeken verondersteld gekend te zijn via de namen vd onderzoekers, dit ook grondig leren! sommige meerkeuzevragen van andere jaren komen opnieuw terug!