Medische Beeldvorming en -analyse (E00D3A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken


Algemeen

Deze cursus geeft een introductie tot de hedendaagse medische beeldvorming. Hij behandelt daarbij zowel de gebruikte technieken en toestellen, als de toepassingen in de klinische praktijk en in de biomedische research. Allereerst wil deze cursus je de verschillende manieren bijbrengen van het in beeld brengen van morfologie, bloedvoorziening en functionele aspecten van organen en weefsels in het menselijke lichaam. Vervolgens willen we duidelijk het verschillende én elkaar aanvullende karakter van de mogelijke beeldvormingstechnieken beschrijven, op basis van hun informatieve inhoud. Ten slotte bespreken we hedendaagse technieken van beeldanalyse. Op die manier krijg je een duidelijk idee van de mogelijkheden en het gebruik van de medische beeldvorming binnen biomedische en klinische research.

Examenvorm

Rondleiding: Deelname aan de rondleiding is verplicht. Examen: Het examen omvat verscheidene examenonderdelen die op hetzelfde examenmoment ondervraagd worden door resp. Prof. Suetens, Prof. Dymarkowski, en Prof. Deroose. Deze onderdelen staan resp. op 2/5 (P.Suetens), 2/5 (S.Dymarkowski) en 1/5 (C.Deroose) van de punten. Het examen is mondeling met schriftelijke voorbereiding.

Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

Examenvragen Medische beeldvorming Examenvragen tot '12  


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen.)

Examenvragen '12-'13

Dymarkowski:

1) Contraststoffen in Echografie en MRI. (Beschrijf, eigenschappen, voorbeelden van toepassingen geven)

2) fMRI van de hersenen. (Beeldcontrast, werking, praktische uitvoering, klinische en niet-klinische voorbeelden) Extra: meer kunnen vertellen over de foto's die hij toont (CT hersenen met bloeding, MRI T1 en T2, Angiografie van hersenen, Echografie van galblaas met galsteen, X-stralen-buis,...)

Suetens:

1) Verloop van de lineaire attenuatiecoëfficiënt voor zacht weefsel, bot en jodium i.f.v. de energie. Schets en bespreek. Wat is beam hardening?

2) scantijd uitrekenen en uitleggen voor spiraal CT en 2D spin Echo MRI.

Deroose:

1) Skeletscintigrafie a. Nuttig voor osteolystische metastasen? b. Voor andere metastasen? Aanwenden andere nucleaire geneeskundige methoden? c. SPECT-CT? Sensitiviteit en specificiteit?

2) Hoe met BLI overleving van geïnjecteerde cellen opvolgen in een muis? Welke factoren kunnen de relatie signaal - celaantal verstoren?


Examenvragen 2016

Medische beeldvorming en -analyse Dymarkowski 1. Beeldvorming van bloedvaten in het hoofd. Met RX, CT, MRI of echo? Bespreek elke modaliteit en de eigenschappen van gebruikte contraststoffen. Naar welke techniek zou jouw voorkeur gaan?

2. Een man van 65j voelt zich onwel in de auto, en heeft hierdoor een ongeluk. Wanneer hij aankomt in het ziekenhuis heeft de man een lage hartslag die niet reageert op medicijnen. Er wordt een pacemaker aangebracht. Daarna klaagt de man van hoofdpijn en problemen met zicht en van enorme buikpijn. Hoe zou je dit hersenletsel en het trauma in de lever onderzoeken? Argumenteer de gebruikte technieken. Welke technieken zou je zeker niet gebruiken?

3. Een patient raadpleegt de neuroloog op spoedgevallen omwille van krachtsverlies in de rechterarm. Bij het klinisch onderzoek stelt de arts tevens vast dat de man lichtjes met zijn been sleept. Hij vermoedt een hersenletsel, vermoedelijk een tumor. De man is echter 2 dagen geleden ook gestruikeld en gevallen, dus een bloeding is niet uitgesloten. Welk onderzoek gaan we in de eerste plaats aanvragen om dit verder te onderzoeken? Leg de principes en het werkingsmechanisme van dit onderzoek uit. Gaan we contrastmiddelen toedienen? Waarom wel of waarom niet? Welke onderzoeken gaan we niet doen, en waarom niet?

4. De patient van vraag 3 blijkt inderdaad een hersentumor in de prefrontale cortex te hebben. De neurochirurg wordt erbij geroepen. Vooraleer deze onze patient opereert wil hij/zij weten waar de corticale regio’s - verantwoordelijk voor de beweging van de armen en benen - zich in de hersenen bevinden. Bovendien wenst hij/zij te weten waar de belangrijke wittestofbanen lopen die niet mogen worden doorgesneden. Met welke twee technieken kunnen we deze vragen oplossen? Leg uitgebreid de technische principes en het werkingsmechanisme uit van beide technieken. Zijn er patienten waarbij we een dergelijk onderzoek niet zouden kunnen uitvoeren?


Deroose

1. Vergelijk het soort straling gebruikt bij PET en BLI. Geef verschillen en gelijkenissen

2. Vergelijk FDG en glucose. En toon hiermee aan hoe FDG kan gebruikt worden bij de beeldvorming van kankercellen

3. Wat is FDG? Wat is FDG-aviditeit (op cel-en weefselniveau)? Welke factoren zijn verantwoordelijk voor de FDG-aviditeit in een tumor?

4. Beschrijf het fysiologisch principe van de myocardperfusiescintigrafie. Hoe kan men aan de hand van dit onderzoek cardiale ischemie opsporen? Welk type camera kun je hiervoor gebruiken?

Suetens

1. Geef de longitudinale en transversale relaxatie van M (T1 en T2 grafieken) voor witte, wgrijze materie en CSF. Interpreteer adhv deze conclusies de volgende beelden.

2. 2 CF doppler echo beelden. Wat voor beelden zijn dit? Hart

3. De volgende MR-beelden werden opgenomen met een 2D spin-echo sequentie (90°): http://i.imgur.com/0db62Z0.png

T1(vet)= 200 ms en T2(vet)= 100 ms T1(CSF: cerebrospinaal vocht) > 3000 ms en T2(CSF) > 2000 ms


- Schets de longitudinale magnetisatie Mz als functie van de tijd voor vet en CSF.

- Schets de transversale magnetisatie Mxy als functie van de tijd voor vet en CSF achtereenvolgens voor de drie getoonde beelden. Opgelet: hou rekening met de waarde van TR. (Dan 3 MR beelden met verschillende TR en TE)

4. In een populatiestudie wenst men een groep arachnofoben met een groep normalen met elkaar te vergelijken, zowel voor als na psychotherapie. Men kiest voor fMRI gevolgd door beeldanalyse. Leguit hoe men hierbij te werk gaat. (Het principe van fMRI moet je niet uitleggen.)

Examenvragen '13-'14 2e zit

Dymarkowski :

1) Bloedvaten kunnen worden in beeld gebracht met CT, MRI , echo en radiografie, bespreek telkens de techniek, voor en nadelen + gebruikte contraststoffen 2) Welke intensiteit hebben letsels op T1 en T2 verkorte beelden in verhouding tot de andere structuren. Wat zou dit dan kunnen zijn?

Suetens :

1) Hoe kan men bloedvaten in beeld brengen met MRI en CT + bespreek telkens de beeldvormingstechnieken. 2) Wat zijn de biologische effecten van een MRI + wat zijn de veiligheidsvoorschriften 3) Leg SPECT uit.

Deroose :

1) Skeletscintigrafie a. Nuttig voor osteolystische metastasen? b. Voor andere metastasen? Aanwenden andere nucleaire geneeskundige methoden? c. SPECT-CT? Sensitiviteit en specificiteit? 2) Hoe met BLI overleving van geïnjecteerde cellen opvolgen in een muis? Welke factoren kunnen de relatie signaal - celaantal verstoren?


Examenvragen Medische Beeldvorming januari 2013