Metabolisme en voeding (E03Y6A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken



Algemeen

De inhoudelijke doelstellingen van dit opleidingsonderdeel zijn de opbouw van voldoende kennis en inzicht over drie onderwerpen die onderling sterk samenhangen:

- het normale verloop, regeling en de dysfunctie (bijvoorbeeld stofwisselingsziekten, complexe ziekte) van de grote metabole processen in het menselijk organisme;

- de kennis en grondslagen van de werking van het menselijke hormonale systeem en de neurotransmitters/neuropeptiden van het zenuwstelsel;

- de basisprincipes van een gezonde voeding, met daarin een bespreking van algemene principes, de macronutriënten en de micronutriënten.


Daarnaast heeft het opleidingsonderdeel in zijn praktische organisatie drie globale objectieven met betrekking tot wat studenten kunnen bereiken:

- voldoende kennis en inzicht vergaren voor het verkrijgen van een credit (een 10 of meer op het examen) voor dit opleidingsonderdeel;

- lange-termijn kennis en inzicht opbouwen die niet snel vergeten wordt na het behalen van de credit en die bruikbaar en toepasbaar blijft in het latere beroep;

- interesse bij studenten opwekken voor het onderwerp; hen engageren om er meer over te weten te komen dan strikt nodig is voor het examen.


Examenvorm

Meerkeuzevragenexamen; 60 vragen (4 antwoordmogelijkheden) - met giscorrectie

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen)

- Het is belangrijk om goede notities te hebben van de lessen van professor Waelkens. Als je alles wat hij zegt en tekent in de les goed noteert, heb je een samenvatting van zijn cursus en moet je het acco boek eigenlijk niet meer leren. Hij vraagt zelden iets dat hij niet in de les gezegd heeft.

- Bij professor Schuit moet je het boek goed in detail kennen (een beetje zoals bij celbiologie 1). Begin op tijd met leren voor dit vak. Het is een heleboel leerstof en alles begint op elkaar te lijken. In het boek van professor Schuit staat er per hoofdstuk een geschat aantal uren van de tijd die je er in moet steken. Dit is meestal te veel, maar het geeft een idee.

- Het deeltje voeding bestaat uit heel veel slides. Het is niet nodig om dit in de kleinste details te kennen. Voornamelijk de gevolgen van een tekort aan vitamines/ mineralen zijn belangrijk om te kennen. Als je dit deel kent, zijn de vragen op het examen ‘puntenpakkers’ (H11 van het handboek van Schuit is hiervoor handig).


Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

- Notities bij Schuit 2016-2017 - Boek en notities van de les samengebracht in 1 bestand 2016-2017

- Mineralen - Overzicht mineralen van voeding 2016-2017

- Inhoudstafel Metabolisme Waelkens - Bewerkte inhoudstafel cursus Waelkens 2016-2017


- Studentencursus Waelkens

- File:Overzicht_vitaminen_Schuit.docx - Een zo volledig mogelijk overzicht van alle vitaminen. Waarschijnlijk zullen er nog enkele fouten in zitten. Ik sta niet garant voor de informatie in dit bestand.

- File:Overzicht_medicamenten_Schuit.xlsx - Een overzicht van de antimetabolieten van purine- en pyrimidinesynthese. Ik sta niet garant voor de informatie in dit bestand.

- File:Overzicht_ziektes_Waelkens.docx - Een overzicht van alle in de lessen aan bod gekomen ziekten. Dit is dus geen overzicht van alle in de cursus besproken ziekten. Ik sta niet garant voor de informatie in dit bestand.


- Pathways metabolisme 2016-2017 - Een overzicht met zowat alle te kennen pathways. Ik ben niet verantwoordelijk voor eventuele fouten in dit bestand.


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen)

Examen 2017-2018

CASUS 1: over 2 (eeneiige) broers met een energieverbruik van 300W gedurende 5 uur. Die elks een dieet proberen. Hoog KH dieet en laag KH dieet. Vragen over casus 1: 1. 5 uur trainen aan gemiddeld 300Watt geeft een energieverbruik in de spieren van:

500kcal
1500kcal
5000kcal
20200kcal
  Vraag werd geschrapt, maar volgens de prof was C het juiste antwoord

2. Het feit dat ze eeneiige tweelingen zijn is …

relevant wegens polymorfisme in enzymen
relevant wegels paralogie
relevant wegens orthologie
niet relevant

3. Op het eind van een wedstrijd trekt een van de broers een sprint van 30s welk molecule levert hier de energie aan welke spieren?

Creatine-P aan witte spiervezels
Creatine-P aan rode spiervezel
Ketonlichamen aan witte spiervezels
Ketonlichamen aan rode spiervezels

4. Als de broers weer uitgerust zijn gaan ze ketonen toevoegen met een kleuring en kijken waar de ketonen naartoe gaan. Wat zie je?

A. Marco, die amper koolhydraten eet, die zijn ketonen gaan naar de hersenen
B. Nico, hersenen
C. Marco, skeletspieren
D. Nico, skeletspieren

5. Hoe heet de methode van Nico/Mario(degene die net voor de wedstrijd ketonen innam)

Atkins methode
Nutritionele ketose
Fysiologische ketogenese
Geen van de bovenstaande

CASUS 2: over een 40 jarige Congoleese moeder (ze heeft 4 kinderen) die behandeld wordt met een middel voor diabetes, glibenclamide, dat K(ATP)-kanalen doet sluiten. Ze heeft onderrug en nierpijn, en klaagt van bloederige urine. Ze wordt opgenomen in het ziekenhuis. Bloedwaarden: glycemiewaarde is 6,5 mmol/l en de rode bloedcellen hebben een aberrant uitzicht: er zijn stukken uit. Urinewaarden: geen glucose, witte bloedcellen, rode bloedcellen of ketonlichamen te bespeuren en wel hemoglobine in de urine. Concentratie hemoglobine in de RBC ligt rond de 100 (ondergrens voor normaal is 130) Vragen over casus 2:

6. Effect van het middel wordt best verklaard door:

Verhoogde werking van adrenaline op beta cellen
Versterking van de glucose werking op beta cellen
Verminderde glucose werking
Iets met GLP-1 remt de werking van de ß-cel

7. Welk type diabtes heeft de vrouw waarschijnlijk, naargelang de waarde die ze vertoonde:

Zwangerschapsdiabetes
Type 1
Type 2
Pre diabetes pre diabeet wordt volgens mij niet behandeld

8. De vrouw had type O bloedgroep; de volgende twee stellingen worden gegeven:

   Stelling I: bloedgroep O ontstaat omdat het allel niet voor functioneel enzym kan coderen
   Stelling II: bloedgroep O zal antigen A en antigen B als lichaamsvreemd ervaren 

(stelling 2 was misschien iets anders geformuleerd, ik ben hier niet meer zeker van, ze klopte wel in ieder geval)

Beide stellingen correct
Beide stellingen foutief
Stelling 1 correct, stelling 2 foutief
Stelling 1 foutief, stelling 2 correct

9. Met deze verschijnselen aan welke pathway moeten we aandacht geven?

glyocogenolyse
gluconeogenese
ketogenese
pentosefosfaatweg (G6PD-deficiëntie) 

10. Nadat de patiënt stabiel is krijg je de kans om te praten over haar vroegere levensjaren. In verband met deze casus zal ze gelijke symptomen verkrijgen indien ze in contact

komt met …
Een bepaald soort bonen
Toegevoegde suikers
Fructosehoudende fruitpap

6 vragen waarbij 4 begrippen in 2 kolommen staan. Met de antwoordmogelijkheden. Men moet tellen hoeveel van die begrippen totaal staan onder de juiste kolommen.

11. Kolom 1: (reversibele inhibitie): statine (juist), 5-fluoro uracil (fout)

     Kolom 2: (zelfmoordinhibitie): allopurinol  juist), methotrexaat (fout) 
1 begrip staat op juiste plaats
2 begrippen staan op de juiste plaats
3 begrippen staan op de juiste plaats
4 begrippen staan op de juiste plaats

12. Kolom 1: (heemsynthese): porfyrie (juist), ferrochelatase (juist)

     Kolom 2: (heemafbraak): pica (fout), icterus (juist)
1 begrip staat op de juiste plaats
2 begrippen staan op de juiste plaats
3 begrippen staan op de juiste plaats
4 begrippen staan op de juiste plaats

13. Kolom 1: (wateroplosbare vitaminen): pellagra (juist, vit. B3), rachitis (fout, vit. D)

     Kolom 2: (vetoplosbare vitaminen): Hemorragische diabetes in neonatus (juist, vit. K), xeroftalmie (juist, vit. A)
1 begrip staat op de juiste plaats
2 begrippen staan op de juiste plaats
3 begrippen staan op de juiste plaats
4 begrippen staan op de juiste plaats

14. Kolom 1: (essentiële AZ) proline (fout), serine (fout)

     Kolom 2: (niet-essentiële AZ) glycine (juist), lysine (fout)
1 begrip staat op de juiste plaats
2 begrippen staan op de juiste plaats
3 begrippen staan op de juiste plaats
4 begrippen staan op de juiste plaats

15. Kolom 1: (regeling door fosforylatie): glycogeensynthase (juist), fosforylase kinase (juist)

     Kolom 2: (regeling door allosterie): PFK-1 (juist), fructose-1,6-bisfosfatase (juist)
1 begrip staat op de juiste plaats
2 begrippen staan op de juiste plaats
3 begrippen staan op de juiste plaats
4 begrippen staan op de juiste plaats

16. Kolom 1: (stofwisselingsziekte): jicht (fout), adrogenitaal syndroom (juist)

     Kolom 2: (complexe ziekte): neonatale screening (fout)
1 begrip staat op de juiste plaats
2 begrippen staan op de juiste plaats
3 begrippen staan op de juiste plaats
4 begrippen staan op de juiste plaats

17. Glucocorticoiden veroorzaken

Ontstekingsreactie
Activatie van immuunsysteem 
Afbraak van weefselproteïnen
Activatie ACTH 

18. Palmitinezuur/palmitaat is een

Mono-onverzadigd vetzuur
Poly-verzadigd vetzuur
Verzadigd vetzuur
Essentieel vetzuur

19. Aanmaak bradykinine via

Vrijgesteld door een fosfolipase
Hoog molecuul gewicht kininogeen in plasma
Uit de membraan fsoiets
Uit vrij plasma kinine?

20. Hormonen uit het bijniermerg

Binden aan intracellulaire receptoren
Worden NIET opgeslagen in vesikels
Reizen door de bloedbaan gebonden aan plasmaeiwitten
Hebben allen de gemeenschappelijke voorloper phenylalanine 

21. Wat is er niet juist in verband met de regeling van acetyl CoA carboxylase

Fosforylering/defosforylering
Citraat
Polymerisatie
Translocatie 

22. Wat is juist in verband met het NT dopamine?

L-DOPA kan niet door de bloed hersenbarrière
Een tekort aan dopaminerge neuronen komt voor bij Parkinson (In het antwoord stond iets van “te kort aan dopaminerge neuronen”).
Een tekort zorgt voor schizofrenie 
DOPA decarboxylase is substraatspecifiek

23. Wat is de beste [methode?] om voedingstekorten in een bevolking te meten?

Aanbevolen dagelijkse hoeveelheid
Adequate hoeveelheid
Gemiddelde inname
Aangeraden dagelijkse hoeveelheid fsoiets?

24. Een onderzoek (DALY’s): welke voedingsgebonden parameter bij Belgische bevolking geeft het beste weer:

Ondervoeding bij kinderen
Hoge bloeddruk
Te weinig fruit 
Te weinig granen 

25. Gemakkelijke methode voor het bepalen van de lichaamssamenstelling. Meer bepaald om je patiënten op te volgen.

bio elektrische impedantie
antropometry
CT
karkas analyse

26. Hoe ga je van primaire naar secundaire galzouten?

7-alfa-dehydroxylatie
12-alfa-dehydroxylatie
3-alfa-dehydroxylatie
3-bèta-dehydroxylatie

27. Welk glycosaminoglycaan zit in het glasachtig lichaam van het oog?

Heparine
Hyaluronzuur
Vitronectine 
glucuronzuur

28. Iemand heeft Icturus door een tumor die de galweg blokkeert, wat stapelt zich op?

Biliverdine
Bilirubine
Bilirubine-monoglucuronide
Bilirubine-diglucuronide

29. Welke wet is er belangrijk in metabolisme, waardoor er een continue ATP-productie (?) nodig is?

1ste wet van Newton
2de wet van Newton
1ste wet van de thermodynamica
2de wet van de thermodynamica

30. Welk enzym zorgt voor de omzetting van cholesterol naar pregnelonol?

Side cleavage enzyme

31. Waar zorgt CYP 450 voor, buiten de fase 1 reacties.

Afbraak melatonine
Aanmaak Adrenaline
galzuren

32. Een vrouw is zwanger van een kind met kernicturus door … en dan nog iets

Heemafbraak door polymorfisme
Heemsynthese door polymorfisme
Heemafbraak paralogie   
Heemsynthese paralogie

33. Welke stofwisselingsziekte geeft klachten door het tekort van metabolieten distaal van de mutatie in de metabole stap?

albinisme 
alkaptonutrie 
ziekte van Pompe
Fructosemie

34. Wat is de functie van HMG-CoA reductase?

Acetyl-CoA + acetoacetyl-CoA => HMG-CoA
Omzetting naar mevalonaat
Omzetting naar acetoacetaat

35. Welk aminozuur wordt niet gebruikt voor de synthese van eiwitten?

Citrulline 
Carnitine
inosine

36. Wat is ziekte van Fabry?

X gebonden dominant
X gebonden recessief
Autosomaal recessief 
Autosomaal dominant

37. Wat doet hormoon sensitief lipase (HSL) ?

De overgang van DG naar MG
Overgang van TG naar DG
Overgang van MG naar glycerol
Overgang van TG naar MG

38. Iets met hormoon dat warmte produceert en een lange halve waarde tijd heeft:

Thyroxine
ACTH
cortisol

39. Hormoon dat defect is bij cretinisme?

Thyroxine
Groeihormoon
insuline

40. Waar wordt erythropoeïtine (EPO) gemaakt?

Milt
Beenmerg
Nieren
Erythrocyten

41. Wat bevat HDL veel?

Relatief voor TG
Relatief veel eiwitten
Relatief veel lipiden
Komt van IDL

42. Op wat werkt Vit A in bij xeroftalmie enz?

Transcriptiefactoren
Enzym
Co-enzym
GPCReceptor 

43. Stelling 1: fructosamine-3-kinase maakt eiwitherstel mogelijk bij crosslinks

     Stelling 2: glomerulosclerose is een voorbeeld van macro-angiopathie
Beide stellingen fout
Beide stellingen juist
Stelling 1 juist, stelling 2 fout
Stelling 1 fout, stelling 2 juist

44. Wat valt samen in oorzaak en voorkomen met obesitas en diabetes (men doelde duidelijk op metabool syndroom)

jicht 
Engelse ziekte

45. Regeling synthese mineralocorticoiden

renine-angiotensinesysteem
Insuline

46. Wat klopt niet in verband met het purinosoom

Covalente bindingen tussen subeenheden
Tri en difunctionele enzymen
Cytoplasma
Feedback-inhibitie

47. Wanneer treedt er tijdelijk een positieve stikstofbalans op?

Bij zwangerschap
Acute ontsteking
Morbiede obesitas
Ondervoeding

48. Pompe opstapeling is

Lysosoom
Mitochondrion
Cytoplasma 

49. Waar zorgen transvetten voor?

Hoge LDL, lage HDL
Hoge LDL, hoge HDL
Hoge LDL, hoge TG
Hoge LDL, lage TG

50. In wat zit een S groep

Ceramide
Ganglioside
Leukotriënen
Anandamine

51. Waaruit zijn de endorfines gemaakt

POMC
Pro-dynorfine  
pro-enkefaline

52. Vanaf welke BMI-grens spreekt men van overgewicht in een caucasische populatie?

20
25
30
40

53. Deficiëntie gelinkt met ethylisme (symptomen Wernicke Korsakov syndroom gegeven)

Avitaminose B1
Avaminose B6
Avitaminose A
Avitaminose C

54. Sporter met acromegalie, welk eiwit heeft hij misbruikt?

Groeihormoon
Schildklierhormoon

55. Je neemt een bloedstaal en er vormt zich een melkachtige troebeling op, wat is juist?

Veel triglyceriden
Veel cholesterol
Weinig triglyceriden 
Weinig cholesterol

56. Wat beschrijft het best chronische jicht? Er stond toch wat is een typisch kenmerk he?klopt!

Tophi
Podagra
Chronisch verhoogde urikemie
Alle bovenstaande

57. Wat is waar over fructose-corn-syrup:

Het wordt specifiek gemetaboliseerd in de lever deze normaal gezien (want dat was anders dan glucose) Deze was niet juist denk ik. Deze is wel juist zie in sofia suikers staat 

100% van de fructose in de lever gemetaboliseerd -->Zie vraag C:

Fluxregulatie door insulineconcentratie
Wordt efficiënt ingebouwd als glycogeen of sowiets
Kan niet worden ingebouwd in VLDL

58. Een vraag over energycharge. Waarom is het dimensieloos?

Er staat zowel in de teller als in de noemer een ‘concentratie’
Het wordt voor vele verschillende ‘aspecten’ ivm metabolisme gebruikt ofzoiets?
Het geldt voor alle compartimenten apart of samen ofzoiets?
Iets met, het kan sterk dalen/stijgen en heeft een waarde van 0,9 ofzoiets?

59. Hoge concentratie LDL in bloed, hoe verdwijnt dit?

LCAT
ABC transporter
Receptor-gemedieerde endocytose
Uitscheiding via de nieren → nierfiltraat

60. Welke stof komt qua functie het best overeen met die van glycine?

Gamma amino boter zuur
5-HT
Glutamaat
Serine


Examenvragen 2016-2017

1. GABA...

A: is een inhibitorische neurotransmitter.
B: ontstaat door decarboxylatie van glutamine 
C: komt vooral buiten de hersenen voor
D: is een voorloper van asparaginezuur

2. Wat is er kenmerkend voor de eilandjes van Langerhans in de pancreas van patiënten met type 1 diabete?

A: neerslag extracellulair eiwit en toename bèta massa
B:  neerslag en afname bèta massa
C: insulitis en afname bèta massa.
D: insulitis en toename bèta massa

3. Menselijk vetzuursynthase maakt

A: vetzuren met C16.
B: met C18
C: met C20

D: met C22

4. Voorbeeld(en) van biologische evolutie van een bepaalde patiënt is...

A: resistentie tegen methotrexaat in tumorcellen, door amplificatie van één bepaald gen.
B: na insulinebehandeling daalt de niet-enzymatische glycering-gehalte van de diabetispatiënt
C: de verandering van transaminase concentratie in het bloed van de patiënt in functie van het genezingsproces
D: alle voorgaande zijn goede voorbeelden

5. Welke stof is een hormoon?

A: 1,25-dihydroxycholecalciferol.
B: alfa-tocotriënol
C:pyridoxamine-5-fosfaat
D: taurocholaat

6. pre-pro insuline naar proinsuline

A: signaalpeptide verwijderen.
B: afsplitsing A-keten van B-keten
C: verwijderen C-peptide
D: zwavelbruggen verwijderen

7. Sommige apolipoproteïnen zijn essentieel voor de stimulatie van specifieke enzymen. De bedoelde apolipoproteinen zijn

A: ApoCII en ApoAII
B: ApoCII en ApoAI.
C: ApoCI en ApoAII
D: ApoCI en ApoAI

8. wat is belangrijk in de energiebalans, naast de eerste wet van de thermodynamica?

A: verzadiging en voldoening.(dit want de eerste wet van de thermodynamica gaat al over basaal en fysiek)
B: basaal metabolisme 
C: fysieke activiteit
D: energiedensiteit

9. Welk enzym zorgt voor vorming DAG en eerste vrije vetzuur

A: ATGL.
B: HSL
C: MGL
D: lipolipase

10. Er bestaat bij de mens een stofwisselingsziekte van het 21-hydroxylase in de bijnier. Hierbij ontstaan symptomen die te verklaren zijn door overdreven stimulatie van steroïdsynthese met als resultaat een ‘escape’-route van afwijkende steroïden. Gebrek aan welk normaal hormoon is verantwoordelijk voor de overdreven stimulatie in de bijnier?

A: Cortisol.
B: ACTH
C: Oestrogeen
D: Testosteron


11. Wat is de beste verklaring waarmee de lever het AANTAL parallel werkende glycogeenmoleculen bepaalt die het bloedglucose moeten bufferen tijdens/tussen de maaltijden?

A: aantal moleculen glycogenine.
B: Ca2+ concentratie
C: reciproke regeling
D: branching en debranching enzym

12. Een student met een normale BMI en ongeveer 10 kg triglyceridenreserve zou - al fietsend van de binnenstad naar campus Gasthuisberg - ongeveer zestig kilogram meer lichaamsgewicht met zich mee moeten sleuren, indien de grootste strategische brandstofvoorraad in zijn/haar lichaam opgeslagen zou zijn in de vorm van glycogeen. Welke factor zorgt voor de meeste kilo’s extra lichaamsgewicht?

A: de watermantel die glycogeen met zich mee moet dragen.
B: laag ATP-rendement bij glycogeenverbranding 
C: vertakte structuur van het lichaamsglycogeen
D: de lage oxidatietrap van de glycogeen C-atomen

13. de meest voorkomende oorzaak van een stofwisselingsziekte is een mutatie in een gen dat codeert voor een...

A: enzym.
B: hormoonreceptor
C: hormoon
D: regulatorisch eiwit

14. Bij een patiënt wordt struma (krop) vastgesteld. Na een grondig anamnese blijkt dat de patiënt voldoende jodium consumeert. Welk ander micronutriënt kan aanleiding geven tot de vorming van struma door de interactie met jodium?

A: Selenium.
B: ijzer
C: zink
D: vitamine D

15. opstapeling van vetten door overgewicht

A: is primaire risicofactor
B: is intermediaire risicofactor.
C: Heeft meer effect bij vrouwen dan bij mannen (ofzoiets toch)
D: geen belang bij kinderen

16. Tijdens de opbouw van isoprenoïden volgens het ‘legosteenprincipe’ van aanbouw worden in de eerste fase twee geactiveerde C5-metabolieten aan elkaar gekoppeld. Welke zijn dit?

A: IPPP + mevalonaat
B: IPPP + dimethylallylpyrofosfaat.
C: HMG-CoA + mevalonaat
D: HMG CoA + IPPP

17. somatostatine inhibeert de secretie van...

A: adrenocorticotroop hormoon
B: follikel stimulerend hormoon
C:  melanocyt stimulerend hormoon
D:  geen van bovenstaande.

18. Secundaire galzouten ontstaan door een 7-alfa dehydroxylatie in...

A: in de lever, voor hun secretie in de galwegen
B: in de lever na heropname via enterohepatische circulatie
C: in de darm door bacteriële flora.
D: in de nieren door een fase II detoxificatie

19. hormonen van bijniermerg

A: worden opgeslagen in intracellulaire vesikels.
B: binden aan intracellulaire receptoren
C: worden afgeleid van tryptofaan
D: worden gebonden aan eiwitten in het plasma vervoerd

20. welk koolhydraat is theoretisch beschikbaar maar in de praktijk nooit aanwezig in voedingsmiddelen?

A: amylose
B: amylopectine
C: glycogeen.
D: raffinose

21. wat werkt mee suikerverlagend met insuline tijdens de maaltijd

A: GLP-1.
B:  somatostatine
C:  cortisol
D: adrenaline	

22. Tijdens de eerste maaltijd in de nieuwe alma gaat het over gezonde voeding en de vitaminen die in onzichtbare hoeveelheden nodig zijn in onze voeding om ons gezond te houden. Gedurende de discussie wordt er door twee studenten het volgende beweerd:

I:  Specifieke metabole wegen in het menselijk lichaam zijn absoluut noodzakelijk om het vitamine aan te maken
II: enkele vitaminen kunnen door cellen in het menselijk lichaam worden aangemaakt
A: beide uitspraken zijn juist.
B: beide uitspraken zijn fout
C: I is juist, II is fout
D: II is juist, I is fout 

23. Aceton

A: gasuitwisseling thv de longblaasjes.
B: snelle enzymatische vorming
C: zorgt voor aanzuring van het bloed
D: alle bovenstaande

24. prostacyclinen gemaakt door welk enzym?

A: cytochroom P450
B: 5-lipoxygenase
C: cyclo-oxygenase. 
D: endopeptidase

25. Het tripeptide dat de NADPH elektronen die afkomstig zijn van de pentosefosfaatweg zal gebruiken voor het herstel van oxidatieve schade heet…

A: Glutathion.
B: Glutaredoxine
C: glutamyl-glutamine-glycinamide
D: Geen van bovenstaande

26. Cadmium, lood en kwik zijn toxisch. Lood toxiciteit uit zich met name door de rem van één metabole weg. Welke weg wordt bedoeld?

A: de aanmaak van heem.
B: de aanmaak van GABA
C: de aanmaak van vitamine D
D: de aanmaak van schildklierhormonen

27. Op consultatie komt een jonge vrouw afkomstig uit IJsland met klachten van fotofobie (“het minste daglicht in de ogen doet pijn”). Lichamelijk onderzoek wijst op littekens door herhaaldelijke verbranding. Onderzoek van de urine toont geen glucose, geen albumine, maar wel een vreemde baksteenrode verkleuring. Aan welke soort problematiek denk je?

A: stofwisselingsziekte. ('porfyrie' maar term werd niet gegeven op examen)
B: metabool syndroom
C: acute loodintoxicatie
D: Vitamine A-tekort

28. Iemand leidt aan microcytaire bloedarmoede waardoor de bloedcellen biconcaaf en opgezwollen zijn, wat is de oorzaak?

A: vit B12 tekort
B: foliumzuurtekort
C: combinatie van bovenstaande

29. Wat past het beste bij mechanisme van een reeks voedingseffecten die men vertaalt als “A calorie is NOT a calorie”

A: alcohol (7 Kcal/g) > koolhydraten (4 Kcal/g)
B: vetten (9 Kcal/g) > eiwitten (4 Kcal/g).
C: eten van groenten bevordert bepaalde darmbiotica
D: Combinatie van vorige

30. Glucokinase, heeft een regulatorisch eiwit, regeling?

A: Verstopt enzym. 
B: Fosforylering → GLK uitgeschakeld
C: Allosterie → GLK aanschakelen
D: genexpressie

31. Wat gebeurt in bruine vetcellen

A: ATP uit vetten 
B: ATP uit glucose
C: energie uit deel van proton motive force
D: kinetische energie uit water

32. Als je eet, maar geen koolhydraten, komt de gluconeogenese op gang. Wat kom ietsje later eveneens op gang

A: pentosefosfaatweg
B: lipolyse
C: Cori-cyclus 
D: ketogenese. 

33. Wat heeft geen verhoogd effect op de HDL concentratie?

A: Koolhydraten.
B: Cholesterol
C: Alcohol 
D: Verzadigde vetzuren

34. Wat helpt het best tegen atherosclerose

A: hoge LCAT
B: lage LCAT
C: hoge HDL en lage LDL.
D: lage HDL en hoge LDL

35. Metabolisering glucose en fructose in lever, wat verschilt?

A: de fluxcontrole door insuline en glucagon. 
B: het celtype in de lever dat verantwoordelijk is
C: energieopbrengst per gram brandstof
D: het celcompartiment waar dit gebeurt

36. Groeihormoon

A: Dag- en nachtritme. 
B: Plasmaproteïne gebonden
C: neurohypofyse gevormd
D: wordt niet meer aangemaakt door volwassenen

37. Welke bewering(en) in verband met de bijzondere ATP behoefte van de hersenen is juist?

stelling I: Deze behoefte is globaal voor de hersenen nagenoeg dezelfde als je blokt voor een examen of als je droomt over de grote vakantie.
stelling II:Deze behoefte vertoont gedurende de slaap heel weinig regionale verschillen.
A: I is juist, II is fout 
B: beide uitspraken zijn juist
C: geen van beide is juist
D: I is fout, II is juist

38) Wat is delta-aminolevulinaat metaboliet in heemsynthese. C18-trans-onverzadigd vetzuur metaboliet voor polyamine-synthese een omega-3 polyonverzadigd vetzuur

39. Er bestaat in het menselijk metabolisme AZ die niet gebruikt worden als bouwsteen voor de eiwitsynthese, maar wel als metaboliet. Welke van onderstaande biomoleculen is hiervan een goed voorbeeld?

A: putrescine
B: citrulline.
C: inosine 
D: carnosine

40. Synthese van welke base draagt het meeste bij aan een verhoging van het reducerend vermogen (NADPH)?

A: hypoxanthine
B: adenine
C: thymine.
D: guanine

41. Endorfines...

A: worden aangemaakt vanuit pro-opiomelanocortine.
B: behoren tot de eicosanoïden
C: ontstaan door omzetting van pre-enkefalines
D: worden gecodeerd door het prodynorfine gen

42. Regeling van synthese glucocorticoïde?

A: Hypofyse-hypothalamus.
B: renine-angiotensine
C: genexpressie in bijniermerg
D: activiteit van fenylethanolamine N-methyltransferase

43. Van welk molecule is serotonine afgeleid?

A: tryptofaan.
B: tyrosine
C: serine
D: ceramide

44. De retina van ons oog bevatten heel wat celtypen naast de fotoreceptieve staafjes- en kegeltjescellen. Een belangrijk retinaceltype is de pimentcel die melanine opstapelt en die een rol speelt in de erfelijk bepaalde aftakeling van de retina. De belangrijkste metabole functie van deze retinale pigmentcellen is…

A: recyclage van cis-11 retinal-isomeer in de visuele cyclus.
B: kleurvorming door melanine
C: de productie van lactaat met een laag ATP-rendement
D: recycleren van glutamine uit GABA en glutamaat

45. Stel: de chemische score van rijsteiwit is 36% en van bruine boneneiwit eveneens 36%. Wat is de meest waarschijnlijk antwoord voor de nieuwe chemische score van het voedingseiwit dat aanwezig is op een bordje eten dat voor de helft bestaat uit rijst en voor de helft uit bruine bonen? De nieuwe chemische score heeft een waarde die...

A: groter is dan 36 procent.
B: kleiner is dan 36%
C: gelijk is aan 36% 
D: hangt af van voedingstoestand van de persoon

46. Een belangrijke stap in de synthese van thyroxine is de oxidatieve koppeling van...

A: DIT + DIT (2x dijodothyrosine). 
B: DIT + MIT
C: vier MIT (4x monojodothyrosine)
D: MIT + MIT

47. Alcohol en aldehyde oxidatie in het cytoplasma

A: een fase II reactie
B: een cytP450 isomeer
C: door NADH dehydrogenase.
D: microsomale reductasen

48. Dysbiose van de darmflora kan bijdragen tot het ontstaan van metabool syndroom. Welke van onderstaande factoren is hierbij het meest relevant?

A: Activatie van het immuun systeem in het witte vetweefsel
B: vermindering van energie-extractie uit vezels 
C: Verhoogde secretie van glucagon-like peptide 1
D: verhoogde gevoeligheid voor de werking van insuline

49. Stofwisselingsziekten leiden vaak tot een verminderde flux van een bepaalde metabole weg. Voor welke stofwisselingsziekte biedt deze metabole vertraging voor de mensheid onder bepaalde omstandigheden een voordeel?

A: occulocutane vorm van albinisme
B: milde vorm van de ziekte van Pompe
C: adrenogenitaal syndroom bij meisjes
D: non-sferocytische hemolyitsche bloedarmoede.

50. Schizofrenie door opstapeling

A: dopamine.
B: DOPA
C: acetylcholine
D: adrenaline

51. Belangrijkste neurotransmitter in beloningssysteem bij snoepen?

A: Dopamine.
B: serotonine 
C: prostaglandinen
D: endocannabinoïden

52. Wat klopt ivm de metabole regeling van fructose

A: zorgt efficiënt voor triglyceriden.
B: in alle lichaamscellen omgevormd tot fructose-1-fosfaat
C: worden onveranderd uitgescheiden in gal
D: gebeurt in de dunne darm enkel

53. Door welke metabole stoornis ontstaat diabetische ketoacidose

A: relatief insulinetekort 
B: hoge ratio glucagon/insuline.
C: ernstige insulineresistentie
D:  absoluut gebrek aan glucagon

54. wat is geen aanpassing van het lichaam aan starvation?

A: fysiologisch vetreserve
B: adaptatie van hersenen qua brandstofverbruik
C: sterk induceerbare ketogenese
D: verminderde energie-uitgave per dag door hersenen.

55. wat gebeurt er bij verminderde vasopressine werking

A: verbeterd leer- en geheugen
B: verhoogd plasmavolume
C: hogere bloeddruk
D: polyurie.

56. chylomicronen

A: laag lipidengehalte
B: laag eiwitgehalte.
C: hebben een hoger soortelijk gewicht dan VLDL
D:  aangemaakt in leverparenchymcellen

57. mineralocorticoïden verhogen...

A: de urine kaliumconcentratie.
B:  de urine natriumconcentratie
C:  de plasma H+ concentratie
D:  de plasma NH4+ concentratie

58. niet enzymatische glycering, wat is waar?

A:  fructosamine 3 kinase kan dit herstellen.
B: komt enkel bij oude mensen voor
C: bestaat niet bij mensen met een normale glykemie
D: verdwijnt bij mensen met diabetes door het behandelen met insuline 

59. Als de actine/mysoinefilamenten van de witte spiervezel vergeleken worden met een motor en glycogeen met een soort brandstof die de motor doet werken, dan kan je gaan nadenken over de glycogenolyse en het waarom van de fosforolyse reactie ten opzichte van de hydrolytische reactie. Wat in de fosforolyse maakt van glycogeen betere brandstof?

A: hoger rendement
B: brandstoftank lekt niet
C: geen van bovenstaande
D: twee bovenstaande gelden.

60. De reciproke regulatie van glycogenolyse en glycogeensynthese enerzijds glycolyse/gluconeogenese anderzijds heeft zowel bij de mens als vele diersoorten grote voordelen. Een ervan is het constant houden van bloedglucose. Een ander voordeel is het vermijden van zogenaamde futiele cycli die als belangrijkste nadeel hebben:

A: teveel metabolieten
B: te weinig metabolieten
C: verspilling adenosine - 5- trifosfaat.
D: diffusieafstand vergroten



Examenvragen 2015-2016

1. Energy charge. Wat is het MINST juist:

A: ATP verhoogt anabole flux
B: AMP verlaagt de katabole flux (dit was de juiste formulering)
C: AMP beinvloedt fluxbepalende enzymen
D: ADP beïnvloed fluxbepalende enzymen

2. Wat lag aan de basis van ontdekking vitaminen

A: malaria
B: pellagra
C: diabetes?
D: metabolic syndrome

3. De meest voorkomende stofwisselingsziekte heeft te maken met?

A: pentosefosfaatweg 
B: glycolyse
C: glycogeensynthese
D: lipidenmetabolisme 

4. Student moet heel veel plassen, wat heeft hij?

A: abnormaal veel stress
B: te kort aan vassopressine
C: overproductie antidiuretisch hormoon
D: tumor epifyse

5. Welk hormoon bindt niet op een tryosine gekoppelde receptor?

A: groeihormoon
B: glucagon
C: vasopressine
D: epo

6. Wat heb je nodig om feomelanine te maken en niet om eumelanine te maken

A: Cysteïne
B: Tyrosine
C: Tryptofaan
D: Threonine

7. Aanbevolen zoutconsumtie?

A: Verschilt van persoon tot persoon
B: 11-12 gram
C: Zo weinig mogelijk
D: minder dan 6 gram

8. Wat is een dubbele indirecte meettechniek voor het bepalen van lichaamssamenstelling?

A: Bio-electrical impedance
B: Onderwater wegen
C: CT scan
D: karkasanalyse

9. Wat voor soort proteine wordt door de statines geremd?

A: Enzyme
B: Receptor
C: Transcriptiefactor

10. Wat is een gevolg van chirurgische schildklier wegname?

A: Myxoedeem
B: Cretinisme
C: Te weinig TRH
D: Te weinig TSH

11. Wat zorgt voor de omzetting van angiotensinogeen naar angiotensine 1?

A: Renine
B: Angiotensin converting enzyme

12. Welk enzym is belangrijk voor de synthese van prostacyclines?

B: 5'-Lipoxygenase
C: Cycloxygenase
C: Desmolase
D: endopeptiden

13. Tot wat leidt pica (het opeten van alles wat op de grond ligt door baby's) van loodhoudende verf?

A: Problemen met heem synthese
B: Probleem met VZ synthese

14. Welk mineraal heeft de hoogste biobeschikbaarheid?

A: Jodium
B: Mangaan
C: Ijzer

15. Wat is de slechtste toestand voor de patiënt om atherosclerose te ontwikkelen?

A: hoog LDL, laag HDL
B: laag LDL, hoog HDL
C: hoog LDL, laag LCAT

16. Op welke hypofysaire afscheiding zal somatostatine het grootste effect hebben?

A: groeihormoon
B: T4
C: Follikel stimulerend hormoon

17. Op welke mineraaldeficientie moet een arts bedacht zijn als een patient met krop (goiter) presenteert?

A: jodium

18. Vraag over cyt450: hoeveel atomen zuurstof (afkomstig van O2) worden in het substraat ingebouwd?

A: 1 zuurstof molecule/atoom
B: 2 zuurstof moleculen/atomen
C: geen zuurstof moleculen
D: varieert tussen de paralogen

19. Hielprik bij pasgeborenen heeft als primair doel... Te voorkomen

A: chronische nierinsufficientie
B: iets met lever (leverde)
C: Schade aan centraal zenuwstelsel
D: schade aan perifeer zenuwstelsel

20. Wat zijn gut-brain-peptiden?

A: Peptiden die een rol in zowel het CNS als in het maagdarmstelsel spelen
B: Peptiden in het CNS die voor de regeling van de werking van het maagdarmstelsel zorgen
C: Peptiden die in de darmen gemaakt worden en dan naar de hersenen gaan
D: peptiden die het hongergevoel beinvloeden

21. Twee stellingen over fructose. * voor je gezondheid heb je geen fructose nodig * het fructosemetabolisme wordt door insuline meer gestimuleerd dan glucosemetabolisme

A: 1e is juist, 2e is fout
B: 2e is juist, 1e is fout
C: Beide juist
D: Beide fout

23. Hoe kunnen we recente toename obesitas verklaren?

A: mod... Door vroegere hongerperiodes
B: nog niet geheel gekende relatie tussen gen en omgevingsfactoren 

24. Vraag over MODY gen defficienetie. Wat kan je niet zeggen.

A: start op jonge leeftijd
B: afhankelijk van omgevingsfactoren
C: betacelmassa gedaald
D: gedaalde insulinesecretie

25. Voor energiebalans is de eerste wet van de thermodynamica belangrijk. Wat is nog belangrijk concept?

A: fysieke activiteit
B: basaalmetabolisme
C: energiedensiteit
D: verzadiging en voldoening

26. Wat is onjuist over basaalmetabolisme? Het is groter bij... ( per kg)

A: jongens dan meisjes
B: pubers dan peuters
C: stress door infectie
D: na adaptatie aan koude

27. Hla2 gen belangrijk voor

A: type 1 diabetes
B: type 2 diabetes
C: obesitas

28 Wat bepaalt bovenste grens voor opslaan van triglyceriden in vetcellen?

A: leptine
B: insuline
C: glucagon
D: adrenaline

29. Hydroxylatie 18 medisch belangrijk voor...

A: testosteron
B: aldosteron
C: pregnolon?
D: androsteendion

30. Xeroftalemie door tekort aan vitamine a omdat...

A: g proteïne receptor binden
B: enzym
C: transcriptiefactor

31. Alanine en pyruvaat regeling om in gluconeogenese te komen

A: op transcriptieniveau, PEPCK
B: fosforylatie, PEPCK
C: fosoforylatie, tandem enzym
D: transcriptiefactor, tandem enzym

32. Wat zorgt voor de omzetting van primaire naar secundaire galzouten?

A: 7α dehydroxylatie
B: 12 hydroxylatie
C: conjugatie met cysteïne

33. Wat draagt niet bij tot een diabetesvoet

B: microangiopathie
C: imuunsysteem
D: ketoacidose

34. Wat inhibeert hepcidine?

A: Ferroportine
B: Haepsedine

35. Hoe zet de glucagon signaling cascade de insuline signaling cascade uit van de glycogeensynthese/glycogenolyse? Welk enzym is hier specifiek voor nodig?

A: Fosforylase kinase
B: PP1
C: adenylaatcyclasen
D: fosfodiësterasen

36. Hoe ontstaat non sferocytische bloedarmoede

B: Ijzer tekort
C: Vitamine B12 tekort
D: Combinatie van alle voorgaande

37. De meeste vitaminen zijn actieve bestanddelen, Vitaminen kunnen we zelf aanmaken?

A: Beiden juist
B: beiden fout
C: 1 fout, 2 juist
D: 1 juist 2 fout

38. Welk lipoproteïn heeft het laagste soortelijk gewicht

A: chylomicronen
B: VLDL
C: LDL
D: HDL

39. Limiterend eiwit in peulvruchten

A: lysine
B: methionine
C: threonine
D: Tryptofaan

40. Patiënt met fenylketonurie mag niet... Eten (niet-calorische zoetstof)

A: Succralose
B: aspartaam

42. Vetzuursynthase levert welke vetzuren af

A: C14
B: C16
C: C18
D: C20

43. ribonucleotidereductase katalyseert hoeveel chemisch verschillende reacties

A: 1
B: 2
C: 3
D: 4

44. Waar heeft een persoon met hyperbeta last van?

A: hoge LDL
B: lage LDL
C: Hoge HDL
D: Lage HDL

45. Wat is een voordeel van glucose-1-fosfaat als eindpunt van van glycogenolyse tov glucose

A: Energierendement
B: compartiment van productie

46. Waar werkt cholesteroldesmolase

A: lysosomen
B: mitochondrium
C: Desmosoom

47. Wat is geen stofwisselingsziekte?

A: acute jicht
B: Syndroom van Lesh-Nhyan
C: acute porfyrieen

48. Waar is een met CoA geactiveerde metaboliet nodig?

A: ketogenese
B: glycogenese
C: ureumcyclus

49. waarop wijst een verhoogde concentratie van metaphrinezuur, .... in de urine?

B: verhoogde productie aldosteron
C: verhoogde productie aan catecholamines

50. Een verhoogde plasmaconcentratie glucocorticoïden stimuleert...

A: verhoogde afscheiding ACTH
B: afbraak van weefselproteïnen
C: immuunsysteem

52. Behandeling van herpes

A: acyclovir
D: Methotrexaat

53. Welke enzyme zorgt voor de eventuele overdracht van cholesterol van HDL naar VLDL?

A: LTAC
B: cholesterol ester transfer protein:CETP

54. Welke enzyme zorgt voor de klieving van triacylglycerol naar diacylglycerol en eht eerste vrije vetzuur?

A: ATGL 
B: hormoon sensitief lipase
C: MGL 

55. Dysbiose met darmbacterien en het ontwikkelen van metabool syndroom

A: verminderde schildklieren
B: vernietiging van bèta cellen
C: verhoogde gevoeligheid insuline
D: lage ontstekingsgraad van abdominaal vet

56. glucocorticoiden hebben effect op

A: transcriptie
B: translatie

57. Waaruit wordt in de industrie high-fructose corn syrup (fructose-stroop) gemaakt (of zoiets)?

A: Cellulose
B: Zetmeel
C: Lactose

58. Iets met bruine vetcellen: wat is niet juist

A: bevindt zich in de omgeving van de sleutelbeenderen
B: er is weinig variatie tussen volwassenen onderling
C: hoge expressie van UCP1
D: kan getrained worden in koude omstandigheden

59. pro-insuline omzetten in insuline

A: C-peptide verwijderen
B: signaalpeptiden verwijderen
C: iets met de zwavelbruggen

Examenvragen 2014-2015

1) Wat is geen lipid messenger?

A:Anandamine

B:Thromboxaan

C:Diacylglycerol

D:fosfatidylcholine

2) Welke stoffen zorgen voor relaxatie van bloedplaatjes en met welke receptor?

A:Thromboxanen op nucleus receptor

B:Thromboxanen op uitwendige receptor

C:Prostacyclines op nucleus receptor.

D:Prostacyclines op uitwendige receptor

3) Een jong koppel komt met hun baby bij u in de praktijk. Het kind moet hevig braken en is hiermee begonnen sinds het naast melk ook begonnen is fruitpap te eten. De ouders zijn familie van elkaar (volle neef en nicht). Welke stofwisselingsziekte heeft het kind waarschijnlijk?

A:Fructosemie.

B:Galactosemie

C:Diabetes type 1

D:Ziekte van Pompe

4) Wat is de voornaamste functie van biotine?

A:Carboxylatie

B:Decarboxylatie

C: iets met ACP?

5) Welke specifieke reactie gebeurt er in de pentosefosfaatweg bij de aanmaak van RNA?

A:6-fosfogluconaat naar ribose-5-fosfaat.

B:Ribulose-5-fosfaat naar ribose-5-fosfaat

C: Heptulose-fosfaat naar ribose-5-fosfaat

D: Glucose-6-fosfaat naar fructose-6-fosfaat. (Modaliteit 3: ribose-5-fosfaat maken uit fructose-6-fosfaat & glyceraldehyde-3-fosfaat via Transketolase (TKT), Transaldolase (TALDO1) en vervolgens nog eens TKT)

6) De glycolyse en gluconeogenese zijn bijna elkaars tegenovergestelde, maar welke stap is niet hetzelfde in de gluconeogenese?

A:Hexokinase.

B:Glucose import en export

C:Enolase

D:Thio-esterase

7) Een jongeman van 21 krijgt een hartinfart en het zit in de familie. Zijn broer van 24 heeft het ook gehad en een neef ook op jonge leeftijd. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak?

A:te veel cholesterol in de lever

B:te veel cholesterol buiten de lever.

C:te veel triglyceriden in de lever

D:te veel triglyceriden buiten de lever


8) Welk hormoon zorgt voor het incretine effect

A: GLP-1

B: glucagon

9) Onder invloed van insuline zal

A: Glycogeensynthase fosforyleren

B: Fosforylasekinase fosforyleren

C: A & B kloppen

D: Noch A, noch B kloppen.

10) De diagnose van shizofrenie wordt vastgesteld a.d.h.v. verlaging des-Tyr-endorfine. Dit omwille van

A:verlaging a-endorfine

B:verhoging a-endorfine.

C:verlaging Bèta-endorfine

D:het actiever zijn van het gamma-endorfine aminopeptidase

11) Eumelanine en feomelanine wordt opgebouwd uit:

A: Tyrosine

B: Tryptofaan

C: Eumelanine uit tyrosine, feomelanine uit tryptofaan

D: Geen van beiden

12) Het DOPA decarboxylase is nodig voor

A: Dopamine te vormen

B:

13) Welke koppel micronutrienten deficiënties komen het meest voor:

A: Selenium en jodium

B: Vitamine A, ijzer

C: Vitamine B12, ijzer

D: Koper en ...

14) Beste beschrijving van ondervoeding

A: BMI onder 17,5 kg/m^2

B: totaal tekort aan caloriën

C: aftakeling door chronisch tekort

D: gevolg van een ziekte?

15)Waarbij komt argininosuccinaat voor:

A: afbraak purines

B: afbraak AZ

C: synthese AZ

D: synthese purines

16)Wat is ONJUIST m.b.t. GABA?

A: kan niet door de HBB

B: is een excitatorische NT.

C: wordt omgezet in succinaat

D: wordt gemaakt uit glutamaat?

17) Wat is onjuist over fytaat:

A: zorgt voor een verhoogde Ca2+ opname

B: bakkersgist breekt fytaat af

C:

18) Wat is de structurele overeenkomst tussen Acetyl-Co A en ATP

A: 3 fosfaten

B: ribose-adenine-fosfaat

C: stuctruur van panthotheenzuur

19) Wat leidt tot hypobeta

A: afwezigheid/deficiëntie van apoA

B:afwezigheid/deficiëntie van apoB.

C:afwezigheid/deficiëntie van apoC

D: te veel aan apoA

20) fatty streak komt door:


A:te veel cholesterol in de lever

B:te veel cholesterol buiten de lever.

C:te veel triglyceriden in de lever

D:te veel triglyceriden buiten de lever

21) Jonge man heeft hartaanval. We doen een onderzoek op de aanwezigheid van apoB100 in het bloed. De meet waarde van apoB100 zal...

A: boven de bovengrens van normale apoB100 liggen

B: binnen de normale grenzen van apoB100 liggen

C: onder de ondergrens van normale apoB100 liggen

D: Alle bovenstaande zijn even waarschijnlijk

22) waaraan zal je een tekort hebben als je te lang antibiotica neemt?

A: biotine

B: niacine

C: Thiamine

D: Riboflavine

23) je meet een hoge waarde xanthotheenzuur in bloed. Dit komt door te kort aan...

A: vit B1

B: vit B2

C: vit B3

D: vit B6.

24) 2 lopers zijn aan het argumenteren over elke stelling juist is als ze een afstand van 10 km aan hoge snelheid ( in 40 min) of lage snelheid ( in 1u lopen). Wat is juist? Bij een hogere snelheid zal:

A:... je meer energie gebruiken

B:... je een hogere metabole flux hebben

C:... je meer vet verbranden

D:...je meer spiervezels gebruiken

25) overeenkomst tussen kilinogeen en angiotensinogeen? 

A: beiden in de omgeving van de nieren gevormd

B: worden inactief geproduceerd

C:

D:

26)Wat is belangrijkste enzym in het maken van Pateled Activating Factor?

A: cyclo-oxygenase

B: 5-Fluor uracil

C: fosfolipase A2

D: endopeptidase

27) Wat heb je nodig voor de laatste stap in het maken van testosteron?

A: reductase en intracellulaire receptor

B: reductase en membraanreceptor

C: oxidase en intracellulaire receptor

D: oxidase en membraanreceptor

28) groeihormoon

A: productie stopt als je volgroeid bent

B: productie kan stilgelegd worden door een hersentrauma.

29) Waar zal de afbraak van triglyceriden groter zijn dan de aanmaak?

A: lever

B: witte vetcellen

C: ter hoogte van de endotheelcellen.

30) wat is juist? 5 fluoro-uracil en methotrexaat

A: zijn beide zelfmoordinhibitoren

B: zijn beide competitieve inhibitoren

C: zijn respectievelijk zelfmoord (5FU) en competitief

D: zijn respectievelijk competitief (5FU) en zelfmoord

31) Wat zorgt voor hydroxytyrosine (?) en hydroxylysine (?)

A: vitamine A

B: vitamine B1

C: vitamine C

D: vitamine D

32) Welke micronutriënten zijn met elkaar gelinkt?

A: Zink en koper

B: Ijzer en ...

C: Ijzer en ...

D: Jood en selenium.

33) Wat is waar over de glycogeensynthese en afbraak?

A: hun eerste metabolieten zijn hetzelfde

B: gebeurt in hetzelfde compartiment

C: de geactiveerde metaboliet van de glycogeensynthese is hetzelfde als de synthese van ...

D:

34) Wat is NIET waar over de corticoïden bij de man

A: iets over sulfaat (DHEAS)

B: mineralocorticoïden worden het meest gemaakt.

C:

D:

35) Wat is juist over de functie endocannabinoïden

A: Zorgen voor communicatie "de andere kant op" in het CZS.

B:

C:

D:

36) Cortisol duurt langer om in te werken dan Adrenaline. Dit komt doordat:

A: het aantal receptoren is groter voor adrenaline

B: De voorraad adrenaline is groter voor adrenaline

C: Het duurt langer om cortisol te maken vanuit het startmetaboliet

D: De afstand die afgelegd moet worden?

Examenvragen 2013-2014

Reeks 1

1. Rol van irisine

   a) Energiemetabolisme van spieren verhogen
   b) Hersenen gaan over op ketogenese 
   c) Wit vet verbruinen.
   d) Alle bovenstaande zijn juist 

2. Butyraat gaat naar

   a) Lever
   b) Nier
   c) Colon.
   d) Maag

3. Wat hebben carbamoyl synthetase I en carbamoyl synthetase II gemeenschappelijk

   a) Substraat voor het N-atoom
   b) Substraat voor het C-atoom.
   c) Expressie in verschillende delen van de cel
   d) Expressie tussen weefsels

4. Hoe kan de expressie van een enzym op een translationele wijze geregeld worden?

   a) rRNA
   b) microRNA.
   c) ubiquitilering
   d) tRNA

5. Wat is er waar over groeihormoon?

   a) het is niet afhankelijk van het waak-slaap ritme
   b) De secretie kan verstoord worden bij een schedeltrauma.
   c) Bindt aan een tyrosinekinase receptor
   d)

6. Een lipoxygenase heeft altijd een voorkeur voor 1 C atoom. Welk C atoom zit hier niet bij?

   a) 2.
   b)5
   c)12
   d)15

7. Hoeveel NANA's zitten er in GM3?

   a)0
   b)1.
   c)2
   d)3

8. Bij welke ziekte is het aan te raden alfa-glycosidase bij te geven?

   a) Ziekte van Fabry.
   b) ziekte Tay-sachs
   c) ziekte van Gaucher
   d)
9. Bij welke glycogenose stapelt het glycogeen zich niet op in het cytoplasma?
   a) ziekte van Pompe.
   b) ziekte van Hers
   c) ziekte van von Gierke
   d)

10. Welke stap is fluxgenererend in de pathway met mevalonaat?

   a) de synthese van HMG CoA
   b) de synthese van mevalonaat zelf.
   c)
   d)

11. De bloedtoevoer vanuit de pancreas, milt en darm naar de lever verloopt via de vena porta. Voor welke stof is dit gegeven belangrijk voor de afbraak?

   a) heem.
   b) citrulline
   c)
   d)

12. Het longsurfactans heeft een immunologische functie. Wat zorgt voor deze functie?

   a) dipalmitoyllecithine uit de type I alveolaire cellen
   b) dipalmitoyllecithine uit de type II alveolaire cellen
   c) secretie eiwitten uit de type I alveolaire cellen
   d) secretie eiwitten uit de type II alveolaire cellen.

13. De vetzuursynthese en de vetzuurafbraak zijn op veel punten verschillend, maar wat hebben ze wel gemeenschappelijk?

   a) afhankelijk van NADH
   b) afhankelijk van NADPH
   c) afhankelijk van malonyl-CoA.
   d) HMG - coA 

14. Wat kan schizofrenie veroorzaken?

   a) te veel DOPA
   b) te veel alfa-endorfine.
   c) te veel adrenaline
   d)

15. Welke 2 5C moleculen worden samengevoegd in de 1e fase van de cholesterolsynthese?

   a) IPPP en dimethylallyl-PP.
   b) HMG - CoA en mevalonaat
   c)IPPP met HMG-coa
   d)

16. Wat wordt er vooral aangemaakt in de zona reticularis?

   a) mineralocorticoïden
   b) glucocorticoïden
   c) steroïdhormonen
   d) DHEAS.

17. Wat wordt er vooral gevormd in de schildklier?

   a) Trijodothyronine T3
   b) Thyroxine T4.
   c) reverse Trijodothyronine rT3
   d) Thyroglobuline

18. Wat is de fluxgenererende enzyme van de mevalonaatweg?

   a) HMG-co reductase
   b)
   c)
   d)

19.Wat is waar over GABA?

   a) Het is een inhiberende neurotransmitter
   b) Het kan door de BBB
   c)
   d)

20.Als je het lichaam vergelijkt met een lamp, hoeveel watt gebruiken we dan? ( watt= 0,24cal/sec)

   a)1
   b)10
   c)100
   d)1000

21.Welke stof maakt draagt niet bij tot de vorming van het purineskelet?

   a)Glycine
   b)Aspartaat
   c)Arparagine.
   d) Glutamine

22. Wat heeft NIET te maken met het C1 metabolisme?

   a) Methionine
   b) Cysteine.
   c) Homocysteine
   d) s-adenosylmethionine


23. Waarop grijpen statines in?

   a)Enzyme.
   b)Receptor
   c)metaboliet
   d)

24. Een vrouw, ( van griekse afkomst) wil graag naar een land waar veel malaria voorkomt, je schrijft haar dan ook quinolonen voor, een preventief anti-malaria middel. Na enkele weken komt ze terug met de klachten dat ze onwel is geworden vlak voor ze op reis wou vertrekken. Je onderzoekt haar maar ziet op het 1e gezicht gewoon een bezorgde, oververmoeide vrouw. Je neemt bloed bij haar. Bij welke stof die je in het bloed zou terugvinden, moet je de anti-malariamedicatie zeker stoppen?

   a) Verhoogde biliverdine waarden.
   b) Verhoogde glucose waarden
   c)
   d)

25. Welke stof komt in het begin van de cholesterolafbraak voor?

   a) trihydroxycoprostanoaat
   b) taurocholaat
   c) glycocholaat
   d) galzouten

26. Wat is geen van de essentiële producten van de metabole paden in ons lichaam om leven tot stand te houden?

   a)ATP 
   b)NADPH 
   c)Glucose .
   d)Bouwstenen


27. Wat zal er gebeuren bij kanker?

   a)Stijgen van gluconeogenese
   b)Stijgen van de PPP (Pentose Phosphate Pathway).
   c) Verhoogde glycogeenaanmaak
   d)

28. Wat zal een gevolg zijn van een metaboolsyndroom in de lever?

   a)Opstapeling van galzouten
   b)Opstapeling van triglyceriden
   c)
   d)

29. Welke cellen maken GIP?

   a) K cellen van duodenum en dunne darm.
   b) L cellen van de dunne darm
   c) D cellen van de pancreas
   d)

30. De D cellen in de pancreas maken…?

   a)Somatostatine.
   b)PP
   c)Insuline
   d)Glucagon

31. Welke metabole term beschrijft het best het speciale mechanisme waardoor penicilline wordt aangemaakt?

   a)Metabolon
   b)Megasyntase.
   c) oxidatieve reductie
   d)

32. Wat is er correct over de schildklier?

   a) Het product bindt aan een tyrosinekinase membraanreceptor
   b)
   c) wordt geregeld door hypofysaire en hypothalamische factoren.
   d) Secretie van thyroglobuline

39. FSH flux wordt bij de eisprong van de vrouw vergroot. Op welk enzym zal het FSH inwerken?

   a) Aromatase
   b) Side chain cleavage enzyme
   c)
   d)

33. De gluconeogense wordt reciprook geregeld met de glycogenlyse. Welke stof zal de gluconeogenese flux vooral regelen?

   a) Glucose
   b) Glucose-6-fosfaat
   c) Fructose-6-fosfaat
   d) Fructose-2.6-bifosfaat

34. Welke stof zal de hartspier van een gezonde persoon in nuchtere toestand vooral verbranden voor energie?

   a) vvz
   b) ketonlichamen
   c) glucose
   d) aminozuren

35. Welke speciale metabole actie zien we in het werk in de schildklier?

   a)oxidatie tyrosine met dijood
   b)
   c)
   d)

36. Wat is het effect van mineralocorticoïden?

   a) verhogen Na+ plasma.
   b) verhogen K+ plasma
   c) verhogen H+ plasma
   d) verhoogd NH+ plasma

38. Wat is er correct over de glucocorticoïden?

   a) ze worden aangemaakt in het bijniermerg
   b) worden geregeld door hypofysaire en hypothalamische factoren.
   c)
   d)

39. FSH flux wordt bij de eisprong van de vrouw vergroot. Op welk enzym zal het FSH inwerken?

   a) Aromatase.
   b) Side chain cleavage enzyme
   c) 
   d)

40. Wat is er correct over de EA?

   a) verschillend bij mannen en vrouwen
   b) verschillend bij kinderen en volwassenen.
   c)
   d)

41. Uit welke stof wordt alfa-endorfine gekliefd?

   a) Bèta endorfine
   b) Alfa MSH
   c) Bèta MSH
   d) gamma endorfine.

42. Welke stof is een activator van bloedplaatjes?

   a) TXA2.
   b) PGE2
   c)
   d)

43. Hoe wordt de flux van de pentosefosfaatweg geregeld?

   a) concentratie NADPH/NADP+
   b) ATP
   c) expressie transaldolase
   d) expressie transketolase

44. Een vrouw van 60 komt bij je op bezoek. Je doet een bloedname. Hieruit blijkt dat haar Hb1AC-waarde 5% is en de nuchtere bloedglucoseconcentratie 5 mmol/l. Wat doe je nu best?

   a) Een afspraak maken voor een orale glucosetolerantietest
   b) Starten met antidiabetesbehandeling
   c) de patiënt geruststellen en een afspraak maken voor volgend jaar.
   d) een nieuwe meting doen want de waarden spreken elkaar tegen

45. Wat is de eenheid van BMI

   a) kg/meter
   b) kg/vierkante meter.
   c) kg/kubieke meter
   d) geen van bovenstaande

46. Wat is geen typisch symptoom van diabetes mellitus

   a) neurologische aftakeling
   b) blindheid
   c) gewichtverlies
   d) nierdeficiëntie

47. Wat zet angiotensinogeen om in angiotensine 1?

   a) renine.
   b) ACE
   c)
   d)


Reeks 2

1. Wat zet angiotensine II om in angiotensine III?

   a) ACE
   b) carboxypeptidase
   c) renine
   d) aminopeptidase

2. Welke geactiveerde bouwstenen vanuit glucose-koolstof zijn nodig om palmitaat te maken?

   a) 8 acetyl-CoA
   b) 1 acetyl-CoA + 7 malonyl-CoA
   c) 7 acetyl-CoA + 1 malonyl-CoA
   d) 8 malonyl-CoA

3. Wat geldt voor groeihormoon?

   a) heeft een dag-nachtritme
   b) bindt aan een specifiek transportproteïne
   c) heeft een gpcr als effector
   d) 

4. De secretie van mineralocorticoïden wordt geregeld door...

   a) angiotensine-renine-systeem
   b) ACTH
   c) 
   d) 

5. Welk weefsel is voorziet de lever van een constante flux van metaboliet voor gluconeogenese?

   a) rode bloedcellen
   b) rode spiervezels
   c) wit vetweefsel
   d) witte spiervezels

6. Van wat zal een tekort ontstaan bij een 18-hydroxylatie-deficiëntie in de bijnier?

   a) cortisol
   b) aldosteron
   c) adrenaline
   d) 

7. Welke secretie wordt onderdrukt door Somatostatine?

   a) lutheïniserend hormoon
   b) follikel stimulerend hormoon
   c) melanocyt stimulerend hormoon
   d) thyretroop hormoon

8. Het lichaam heeft een totaal verbruik per dag van ongeveer 100Watt. Dit komt overeen met 2,4kWh per dag. Hoeveel gebruiken onze hersenen op jaarbasis?

   a) 170 kWh
   b) 
   c) 
   d) 

9. Welk enzym is het MINST belangrijk tijdens het maken van thymidylaat?

   a) glucose-6-fosfaat dehydrogenase
   b) lactonase
   c) ketolase
   d) 6-fosfogluconaat dehydrogenase

10. Wat doet de [LDL]/[HDL] in het bloed het sterkst stijgen?

   a) verzadigd vetzuur
   b) trans-onverzadigd vetzuur
   c) omega-6-vetzuur
   d) omega-3-vetzuur

11. Een jongen komt bij jou op consultatie. Zijn ouders zeggen dat hij bijkomt en hij heeft een verhoogde glucose-spiegel, ondanks dat hij op zijn voeding let. Na een eerste anamnese vindt je niets. Ook merk je dat hij donker gekleurde huid heeft in de lies en oksel en op plaatsen van littekens. Wat verwacht je?

   a) een adenohypofysetumor
   b) een schildkliertumor
   c) afbraak van bepaalde pancreatische cellen
   d) 

12. Wat verwacht je bij een persoon die langdurig aan diabetes type2 lijdt?

   a) een kleine ontsteking van sommige pancreascellen
   b)
   c) 
   d)

13. Door welke cellen wordt GLP-1 geproduceerd?

   a) I-cellen
   b) K-cellen
   c) L-cellen
   d) 

14. Je vermoedt na onderzoek dat een vrouw prediabetes heeft. Wat is je volgende stap.

   a) niets doen
   b) middelen voorschrijven
   c) naar een polykliniek sturen voor een orale glucose tolerantie test
   d) over enkele maanden opnieuw onderzoeken

15. Wat geldt voor GABA?

   a) gaat door bloed-hersen-barrière
   b) 
   c) is een stimulerende neurotransmitter
   d) gemaakt uit glutamaat

16. In de bijniermedulla wordt adrenaline gemaakt uit? [daar sloeg het toch op :)]

   a) tyrosine
   b) tryptofaan
   c) cholesterol
   d) vetzuren

17. eicosatetraeenzuur zorgt voor?

   a) Tromboxaan 1A
   b) Tromboxaan 2A
   c) Tromboxaan 3A
   d) eicosapentaeenzuur

18. Aspirine werkt in op de synthese van welke pijnmodulatoren?

   a) eicosanoïden
   b) bradykinine
   c)
   d)

19. Peniciline wordt door een multifunctioneel enzym gemaakt. Welk enzym bij de mens lijkt hierop

   a) vetzuursynthase
   b)
   c)
   d)

20. Hoeveel genen zijn percentueel gewijdt aan metabolisme in gist en de mens?

   a) evenveel
   b) meer
   c) minder
   d) onvoldoende info

Examenvragen '12 - '13

Eerste reeks

Stelling-vragen

I: Linolzuur is een omega-6-vetzuur, linoleenzuur een omega-3.
II: Linolzuur en linoleenzuur leveren andere eicosanoiden.
I: Vegetariërs hebben chylomicronen met weinig cholesterol.
I: Insulinopenie en ketoacidose passen bij niet-behandelde type-1-diabetes.
I: Glycogeen is een vertakte polysacharide die vastzit aan een klein eiwit.

I: Thyroxine wordt door het bloed getransporteerd gebonden aan het Thyroglobuline.
II: Thyroxine bindt aan de familie van de nucleaire receptoren.
I: Er komen meer lipiden voor in de witte dan de grijze stof van de hersenen.
II: De globale metabole activiteit van de hersenen daalt gedurende de slaap.
I: Wanneer we de verschillende vormen tussen zoogdieren bekijken, verschillen orthologen meer dan paralogen.
II: Het enolase in de mens en het enolase in de muis zijn paralogen.
I: een HBA1c waarde van 1% is een laag normale waarde
II: normale nuchtere waarden voor glucose tussen 5,5 en 10 mmol/L
I: Melatonine zorgt voor de verbruining van de huid.
I: De flux wordt vaker geregeld op het einde dan op het begin van een metabole weg.
II: Hormonen als adrenaline, thyroxine en glucagon werken meer in op het fluxgenererend enzym dan op de andere enzymen van dezelfde metabole weg.
I: De regeling voor de synthese van mineralo- en glucocorticoïden gelijken op elkaar.

Meerkeuze

1) Wat voor behandeling is aan te raden bij iemand met zware nierdeficiëntie?

A: Hoogtestage
B: Bloedtransfusie
C: levertransplantatie
D: beenmergtransplantatie

2) GABA:

A: is een excitatorische neurotransmitter
B: Zorgt voor Cl-afhankelijker hyperpolarisatie
C: Wordt in de voedingsindustrie gebruikt als smaakversterker
D: ...

3) Wat is geen substraat van transketolase?

A: fructose-6-fosfaat
B: glucose-6-fosfaat
C: erythrose-4-fosfaat
D: xylulose-5-fosfaat

4) Wat is een product bij haem-oxygenase?

A: CO2
B: CO
C: NADPH
D: Biliverine

5) Welk enzym zorgt voor esterificatie van cholesterol in HDL?

A: CETP
B: ABCA1
C: APO1
D: LCAT

6) Voor hoeveel verschillende vormen van LDH kunnen LDHA en LDHB coderen?

A: 1
B: 2
C: 5
D: 10

7) Welk endorfine heeft de sterkste morfine-werking?

A: Alfa-endorfine
B: Bèta-endorfine
C: Gamma-endorine
D: Des-Tyr-gamma-endorfine

8) Wat kan leiden tot schizofrenie?

A: tekort aan DOPA
B: tekort aan Dopamine
C: teveel aan DOPA
D: teveel aan Dopamine

9) Van welke stof verandert het relatieve arterie-vene verschil in de hersenen het meest tussen gevoed en 8 dagen vasten?

A: Glucose
B: O2
C: ketonlichamen
D: ...

10) Welk eicosanoide zorgt voor relaxatie van de bloedplaatjes?

A: Prostacycline
B: Prostaglandine E2
C: Leuktrieen C4
D: Tromboxaan A2

11) Welk hydroxylase is specifiek nodig voor de productie van mineralocorticoïden?

A: 21-hydroxylase
B: 11-hydroxylase
C: 18-hydroxylase
D: 17-hydroxylase

12) Productie van secundaire metabolieten:

A: Gebeurt enkel in planten
B: Is afhankelijk van omgevingsfactoren
C: Gebeurt bij degradatie van primaire metabolieten
D: is van levensbelang

13) Irisine:

A: Bevordert kristalvorming in de ooglens
B: Zorgt voor minder vetverbranding
C: Is belangrijk voor het bepalen van de oogkleur
D: Komt vrij uit skeletspieren bij arbeid

14) Waaruit wordt bèta-endorfine gevormd?

A: ACTH
B: Bèta-MSH
C: Bèta-LPH
D: Gamma-LPH

15) Methotrexaat werkt in op ... als ... inhibitor:

A: Thymidilaatsynthase; competitieve
B: Thymidilaatsynthase; zelfmoord
C: DHFreductase; competitieve
D: DHFreductase; zelfmoord

16) Purinosoom:

A: Metabolieten interageren covalent
B: Metabolieten interageren niet-covalent
C: Enzymen interageren covalent
D: Enzymen interageren niet-covalent

17) Samenwerking gliacellen en neuronen

A:
B: 
C: gliacellen nemen sneller glucose op
D: Geen enkel is juist

18) Metabool syndroom:

A: Insulinetekort
B: Insulineresistentie
C: Geen betacellen
D: Allemaal juist

19): Inactivatie melatonine:

A: Conjugatie
B: Hydroxylatie
C: Acetylatie
D: Methylatie

20) APG

A: Variabele massa
B: 1 reducerend einde
C: 1 niet-reducerend einde
D:

21) Veel F18-glucose wordt opgenomen boven de halsstreek in:

A: Schildklier
B: Bijschildklier
C: Pijnappelklier
D: Beige (bruin) vet

22) Wat is in België de verhouding tussen het voorkomen van type-2-diabetes en type-1-diabetes?

A: T2D/T1D = 1/10
B: T2D/T1D = 1/1
C: T2D/T1D = 10/1
D: T2D/T1D = 100/1

23) Wat is het limiterend aminozuur in rijst?

A: glycine
B: lysine
C: tryptofaan
D: methionine

Examenvragen '12-'13 (oud programma: metabolisme en metabole regeling)

OPGELET! Dit zijn de vragen van het vak in het oude programma (enkel deel waelkens). Metabolisme van de spijsvertering zit hier mee in en verder kunnen er kleine verschillen in leerstof zijn.

Er zijn twee soorten examenvragen, 30 vragen van elke soort.

  1. Vragen waarin twee stellingen worden gegeven.
  2. Meerkeuzevragen met vier mogelijke antwoorden.

Stellingen

I: Glycogenine is een zelf-glycosylerend eiwit.
II: Glycogeen heeft een variabel moleculair gewicht.
I: Thyroxine wordt door het bloed getransporteerd gebonden aan het Thyroglobuline.
II: Thyroxine bindt aan de familie van de nucleaire receptoren.
I: In rode bloedcellen komt Glutathion meer voor onder de geoxideerde dan onder de gereduceerde vorm voor.
II: Plasmodium kan beter gedijen in rode bloedcellen met een grote NADPH productie.
I: Fosforylering van het TE leidt tot meer vorming van het fructose 1,6-BP.
II: Een hogere cAMP concentratie in de cel leidt tot een grotere afbraak van fructose 2,6-BP.
I: Heem heeft een grotere affiniteit voor O2 dan voor CO.
II: Een grotere afbraak van heem leidt tot een gestegen bilirubineproductie.
I: PAF wordt alleen aangemaakt wanneer nodig en niet opgeslagen in een reserve.
II: PAF wordt geinactiveerd door een acyl-transferase.
I: Veel Colloid in de schildklierfollikels wijst op een gestegen Thyroxine productie.
II: Veel Thyroxine leidt tot een verhoogde prikkelbaarheid.
I: De hersenen zijn een orgaan met een lage metabole activiteit.
II: De cholesterolconcentratie in de hersenen is lager dan in de rest van het lichaam.
I: TXA2 is en Leukotrieen.
II: Aspirine is een inhibitor van de Lipo-oxygenaseweg.
I: Een toename in HDL leidt tot ophoping van cholesterol in de weefsels.
II: Een afname in HDL kan aanleiding geven tot hypertriglyceridemie.
I: Obstructie van de galwegen leidt tot een grotere toename van indirecte dan van directe bilirubine.
II: Obstructie van de galwegen leidt tot steathorree.
I: Een deel van de de novo pyrmidinesynthese vindt plaats in de mitochondrïen.
II: Bij het katabolisme van pyrimidinen komen de stikstofgroepen terecht in het ureum.
I: S-adenosyl-methione bevat een geactiveerde methylgroep.
II: Methionine kan niet gevormd worden uit homocysteïne.
I: Zowel glycine als glutamaat zijn neurotransmitters.
II: Serine wordt gebruikt voor de aanmaak van serotonine.
I: Het rendement van de vitamine C opname neemt af bij hoge concentraties.
II: Vitamine C is nodig bij de posttranslationele hydroxylering van collageen.
I: Tijdens de maaltijden is wordt het hormoon gevoelige lipase in de vetcellen actief.
II: Na de maaltijden wordt het leptine door de triglyceriden gesynthetiseerd.
I: De synthese van de bijniermerghormonen wordt geregeld door hypothalamische releasing factoren.
II: Bijniermerghormonen spelen een rol bij de vecht/vlucht respons.
I: Hormonen van de bijniermerg worden geinactiveerd via fase II detoxificatiereacties.
II: Tumoren van de bijniermerg kunnen aanleiding geven tot periodiek opstoten van hypertensie.
I: Vasopressine verhoogt de urineproductie.
II: Vasopressine bevordert het leerproces.
I: Fase II detoxificatiereacties zijn induceerbaar.
II: Long, nier en lever zijn belangrijke detoxificatiecentra.
I: Albumine is een transporteiwit van steroïdhormonen.
II: Glucocerebrosiden worden alleen aangemaakt in de bijnierschors.
I: Secundaire galzouten zijn meer amfipatisch dan primaire galzouten.
II: Secundaire galzouten worden in de lever uit primaire galzouten gevormd.
I: Cholecystokinine komt voor onder verschillende vormen met een verschillende ketenlengte.
II: Cholecystokinine wordt gevormd in de lever en de galblaas.
I: De citraat-pyruvaatshuttle levert NADH aan de mitochondriale matrix.
II: Het ATP-citraatlyase is een mitochondriaal enzym.
I: De productie van Epo wordt geremd door lage O2.
II: Epo wordt voornamelijk geproduceerd in het rode beenmerg.
I: Enkefalinen worden gevormd door splitsing van het POMC.
II: Een overmaat aan alfa-endorfine kan leiden tot schizofrenie.

Meerkeuzevragen

1) Welk enzym is defect bij de ziekte van Von Gierke?

 A Fosforylase
 B Fosforylase kinase
 C Glycogeensynthase
 D Glucose-6-fosfatase

2) Bij welke ziekte kan toedienen van het Alpha-galactosidase A mogelijk helpen?

 A Farber
 B Fabry
 C Gaucher
 D Tay-Sachs

3) Welke lipoproteïnefractie bevat bij vasten het meeste cholesterol?

 A HDL
 B LDL
 C VLDL
 D Chylomicronen

4) Voor welk vitamine zijn de darmflora belangrijk?

 A Riboflavine
 B Tokotriënol Bèta
 C Biotine
 D Thiamine

5) In welke reactie wordt het glycine gebruikt?

 A Synthese van Heem
 B Synthese van cytidine
 C Reductie van bilverdine
 D Synthese van squaleen

6) Welk enzym werkt samen met ELOVL6?

 A HMG-Coa synthase II
 B HMG-Coa reductase
 C Squaleen oxidase
 D Stearoyl-Coa desaturase 1

7) Hoeveel moleculen NADPH worden gevormd bij de volledige verbranding van glucose tot CO2 in de pentosefosfaatweg?

 A 2
 B 6
 C 12
 D 36

8) Welk vitamine is deficiënt bij de aanwezigheid van xanthureenzuur in de urine?

 A B1
 B B2
 C B3/B5
 D B6

9) Uit wat wordt melatonine gevormd?

 A Serine
 B Tryptofaan
 C Tyrosine
 D Melanine

10) GABA:

 A kan doorheen de bloed-hersenbarrière
 B is een inhibitorische neurotransmitter
 C wordt gevormd uit glutamine
 D is een hormoon

11) Een defect in het glutamaat decarboxylase kan leiden tot:

 A Parkinson
 B Ziekte van Huntington
 C Alkaptonurie
 D Lesh-Nyhan

12) Donkere verkleuring van de urine kan teken zijn van een defect aan:

 A Para-hydroxyfenylpyrodruivenzuur dioxygenase
 B Phenylalanine hydroxylase
 C Homogentisaat 1,2 dioxygenase
 D Maleyl-acetoacetaat isomerase

13) Welk enzym is deficiënt bij de aanwezigheid van phenylalanine, phenyllactaat en phenylpyruvaat in de urine?

 A Phenylalanine hydroxylase
 B Alfa-1,4 glucosidase
 C Fumaryl-acetoacetaat hydroxylase
 D Homogentisaat 1,2 dioxygenase

14) Panthoteenzuur speel een rol bij:

 A Carboxylatiereacties
 B Decarboxylatiereacties
C Synthese van menselijk vetzuursynthase
 D Synthese van niacine

15) PP2A en het AMP afhankelijk proteïnekinase regelen op tegengestelde wijze de activiteit van:

 A Vetzuursynthase
 B Acetyl-CoA carboxylase
 C Glycogeensynthase
 D HMG-CoA reductase

16) Welk hormoon draagt bij tot de preventie van hypoglycemie

 A Insuline
 B Testosteron
 C Leptine
 D Geen van bovenstaande

17) Welk is een artificieel door de mens gesynthetiseerd trans-onverzadigd vetzuur?

 A Elaïdinezuur
 B Arachidonzuur
 C Fytaanzuur
 D Linoleïnezuur

18) Adrenogenitaal syndroom wordt meestal veroorzaakt door een enzymdefect in:

 A 20,22 lyase
 B 21 hydroxylase
 C 11 hydroxylase
 D 17 hydroxylase

19) De vorm van het PGE afgeleid uit eicosapentaeenzuur is:

 A PGE1
 B PGE2
C PGE3
 D PGE4

20) Het effect van glucocorticoïden is:

 A Vermindering van glucoseproductie
 B Verhoging van de eiwitsynthese
 C Verhoging van de DNA-synthese
 D Vermindering van de immuniteit

21) Kallikreïne is een:

 A Hormoon
 B Neuropeptide
 C Protease
 D Cofactor

22) Angiotensinogeen wordt omgevormd tot Angiotensine I door:

 A Renine
 B Angiotensin Converting Enzyme
 C Aminopeptidase
 D Aldosteron

23) Activatie van het Inhibitor-I remt op directe of indirecte manier...

 A Fosforylase kinase
 B Fosforylase
 C Glycogeen synthase
 D Fosfofructokinase 1

24) Het desmolase is gelegen in:

 A Cytoplasma
 B Mitochondriën
 C Desmosomen
 D ER

25) Welke reactie wordt gekatalyseerd door het Heemoxygenase?

 A Bilirubine naar biliverdine
 B Bilverdine naar bilirubine
 C Heem naar biliverdine
 D Protoporfirine IX naar heem

26) Waaruit zijn galstenen opgebouwd?

 A Galzouten
 B Galzuren
 C Lecithine
 D Cholesterol