Spijsvertering (E03Y7A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken



Algemeen

In dit opleidingsonderdeel leer je het verloop, de regeling en de dysfunctie kennen én begrijpen van de voornaamste processen met betrekking tot de spijsvertering en voeding. De opbouw van de cursus sluit nauw aan bij het OPO ‘Van cel naar weefsel’ waarbij een logisch geheel wordt opgebouwd van cellulaire basisprincipes over integratiemechanismen tot orgaanstelsels en -systemen.

- De morfologie heeft als doel je inzicht te doen verwerven in de anatomische en histologische aspecten van de spijsvertering. Deze kennis is noodzakelijk om de fysiologie van dit systeem te kunnen vatten en om de fysiopathologische aspecten te kunnen verwerken.

- In de fysiologische aspecten wordt er wetenschappelijke kennis en inzicht aangereikt betreffende de algemene functie van spijsvertering van het gezonde menselijk organisme. Het doel is je de fundamentele celbiologische fenomenen te doen begrijpen die de werking van dit orgaansysteem onderbouwen en voor de multisysteeminteracties belangrijk zijn. Op die manier wordt een referentiekader voor de pathofysiologie en de ziekteleer aangeboden.

Examenvorm

Het examen bestaat uit 50 meerkeuzevragen met telkens 4 antwoordmogelijkheden waaronder slechts 1 goed antwoord. Er wordt giscorrectie toegepast. De weging van de verschillende onderdelen is als volgt: 60% morfolgie en 40% fysiologie.

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen)

- Bij professor Saggaert zijn vooral de slides belangrijk om te leren (waarbij extra notites wel handig kunnen zijn).

- De cursus van professor Himpens ziet er dun uit, maar mispak je hier niet aan. De leerstof is heel compact opgeschreven en best veel. Samenvatten heeft hier weinig zin.


Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

 

  • prof. Sagaert:

- Een uitgetikte cursus van de leerstof van de inleidende les, aangezien dit niet zeer volledig in de cursus wordt uitgeschreven. Een groot deel van de tekst over GALT komt uit een ander overzicht ergens op deze website. File:Leerstof_inleidende_les.docx

- samenvatting van de spieren die hij besproken heeft. Ik had tijdens het examen de indruk dat vooral innervatie en ligging belangrijk waren, origo en insertio niet echt... spieren

- samenvatting macroscopie van de maag: H5 maag - samenvatting

  • prof. Matthys:

- samenvatting les 1, 2 en het begin van les 3: samenvattingen

  • prof. Waelkens:

- algemeen over vitaminen (inleiding): samenvatting H3 - algemeen


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen)

Examenvragen 2017-2018

1. In welke papillen monden sereuze speekselkliertjes uit?

Papillae filiformes 
Papillae vallatae
Papillae fungiformes 
Papillae foliatae 

2. Metastasering darmkanker (er stond duidelijk ‘doorheen vaten’ en ‘lymfeknopen’)

Lever 
Long
Pancreas 
Maag

3. Hoeveel tonsilla bevat de ring van Waldeyer?

3
4
5
6 

4. Ghreline …

Versterkt insulineresistentie
Verlaagt visceraal vet
Stimuleert een anorexogene factor
is een eetlustremmer

5. Gastrine en CCK hebben slechts 1 keer gelijklopend effect

Somatostatine secretie
Verhogen tonus van sfincter van Oddi 
Zymogeencellen
Verhogen tonus van pylorus

6. Wat is niet waar ivm Na-absorptie thv dunne darm (idem geen idee of het dezelfde antwoordmogelijkheden waren)

Actief transport via Na/H ATPase. 
Mineralocorticoiden zorgen voor Na absorptie thv het colon
De dunne darm heeft globaal meeste Na absorptie
Secundair actief transport van Na 

7. Waar bevindt zich de sfincter van Oddi?

UOS
LOS
Papillae duodeni major
Ileocaecale klep 

8. Vraag met tekening en cijfertjes op arteries: je moest de cijfertjes optellen van a pancreatica dorsalis, a gastroepiploica dextra, aa gastrica breves, en a pancreaticoduodenalis inf en a. gastrica dextra twas bij dit prentje

56
57
58
59

9. Vraag met een prentje vanuit de WZ: vanuit welk orgaan is dit afkomstig

Colon 
ileum
Bulbus
jejenum

10. Sterretje aangeduid op vorig prentje. Welke structuur?

Submucosa 
Muscularis propria
Lamina propria 
Muscularis mucosae

11. Vraag met prentje vanuit de WZ: vanuit welk orgaan is dit afkomstig

Slokdarm 

12. Sterretje aangeduid op vorig prentje. Welke structuur?

Sereuze klieren 
Muceuze klieren
B folikels

13) Vul aan: De ...... ontstaat uit de a gastroduodenalis, en loopt posterieur langs de pars descendens van het duodenum naar onder (er stond ook bij caudaal en posterior van de pylorus en dan is het toch superior anterior?? Volgens mij klopte deze vraag ni)

a pancreaticoduodenalis superior posterior
a pancreaticoduodenalis superior anterior
a pancreaticoduodenalis inferior posterior
a pancreaticoduodenalis inferior anterior

14. Wat is bedekt met serosa?

Area nuda
Lobus caudatus
Sulcus vena cava 
Fossa vesicae fellae

15. Man 80 jaar, icterus en jeuk. Verder geen symptomen.

Tumor thv galwegen
Galsteen 
Hemolyse (overdreven afbraak RBC)
Hepatitis

16. Tekening van spieren: welke zenuw bezenuwt de spier die aangeduid is met het rood sterretje?

N. trigeminus was dat de m. mylohyoideus jep! 
N. hypoglossus
N. glossopharyngeus
N. facialis

17. Welke spier werd er aangeduid met het zwarte sterretje op vorig prentje?

Tensor veli palatini
Levator veli palatini  
Stylo… 
M. constrictor P sup.

18. Gebit van een gezond, volwassen persoon

I2 C1 P2 M3
I2 C1 P2 M2
I2 C1 P2
I2 C1 M2

19. Wat klopt niet ivm secundaire Bfollikels

In marginale zone louter naive B cellen die geen somatische hypermutaties of isotype class switch onder gaan
In germinaal centrum vooral mature virgin B cellen die wel somatische hypermutaties en isotype class switch ondergaan
Milt: marginale zone is hier goed ontwikkeld, dus iemand die geen milt heeft is gevoeliger voor infecties

20. Wat begrenst de bursa omentalis langs de onderkant?

Omentum minus 
Omentum majus
Pars duodenum inf.
Lig. Mesocolicum 

21. Welk deel van het duodenum ligt intraperitoneaal?

Pars superior 
Pars descendens 
Pars horizontalis 
Pars ascendens 

22. Welke arterie passeert er langs incisura pancreatica?

Mesenterica sup 
Mesenterica inf 
Pancreaticuduodenalis
A lienalis

23. iets met wat niet correct is over m palatopharyngeus

Loopt over voorste verhemelboog blabla. De m palatopharyngeus loopt in de voorste verhemlteboog?
1 buik begint aan verhemelte aponeurosa
1 buik begint aan tubakraakbeen

24. Ik weet niet meer wat de vraag was maar iets met mucoviscidose in de antwoorden

Mucovisidose betekent minder HCO3 absorptie? Kan dat?
In het mogelijke antwoord met mucovisidose was er sprake van CFTR kanaal iets...

25. Wat is juist ivm de D-cel:

PACAP bindt aan de VPACR 
De antrale D-cel en de Dcel van het corpus hebben een identieke werking
Door een stijding van de pH zal er meer somatostatine worden vrijgezet
Gastrine zorgt voor sterke activatie

26. Wat is fout over ECL cel:

PACAP bindt sterker aan de VPACR dan aan de Pac1R waardoor er netto histamine wordt vrijgezet
NO en PGE zijn inhibitoren

27. Iets met effecten op de galblaas, welke is fout?

Vagale impulsen verslappen de tonus van de sfincter van oddi
Galblaas wordt leeggemaakt met pompfunctie door peristaltis
Cholinerge bezenuwing is nodig om de tonus van de galblaas te behouden → dit is toch juist?
Sfincter van oddi gedraagt zich als een echte sluitspier en laat vulling van de galblaas toe

28. Klieren van Lieberkuhn wat is juist

Komen enkel in illeum voor
Secreteren alkalisch vocht
Minder absorptie luminaal vocht door stijging cGMP

29. Wat is niet juist over de regeling van maagzuur?

Colon regelt mee de maagzuursecretie

30. Wat is er niet normaal aanwezig in de endeldarm van een gezond persoon?

Iets met panethcellen in een bepaald deel van de darm?
Slijmbekercellen
Endo-enterocriene cellen

31. Wat zorgt voor een sterkere contractie van de maag?

Grotere voedselbrokken
Elektrische ontkoppeling gladde spiercellen
Hogere frequentie van slow waves
Orthosympatische stimulatie

32. De aftakkingen van welke arteries bevloeien het rectum

A. Mesenterica sup en a. mesenterica inf
A. Mesenterica sup en truncus ceuliacus
A. Mesenterica inf.
A. Mesenterica inf. En de A. iliaca interna

33. Preparaat waarop een niet-verhoornend squameus epitheel te zien was met veel B follikels ofzo. Welk is dit?

Slokdarm
Ileum
Corpus tong
Isthmus faucium

34. Iets met bezenuwing, wat is niet juist

Parasympatische zenuwen bezenuwen rectum zowel vanuit hersenen (n. vagus) als uit sacrale plexus (S2-S4)
Parasympatische zenuwstelsel komt aan maagdarmstelsel door postganglionare vezels die eerst contact maken met gonglion coeliacum en blabla
Parasympatisch zenuwstelsel maakt preganglionair synaps in de pre- en paravertebrale ganglia
Deze was iets van plexus van meissner, auerbach en Henle worden door orthosympatische, parasympatische en intrinsieke zenuwen bezenuwd.

35. Wat klopt niet met secretine (gevolg van)?

Secretine release peptide vrij
Secretine stimuleert HCO3 secretie uit de pancreas
Secretine stimuleert secretie van iets in galblaas

36. Wat is fout?

Pancreatis peptide verhindert de werking van de exocriene pancreas
NO en VIP verhinderen vocht secretie

37. Drukstijging in onderste oesofagale sfinter door:

Orthosympatische stimulatie
CCK-secretine
Vetrijke maaltijd
Slikreactie

38. Wat klopt niet?

Enkel darmflora bepaalt samenstelling darmgassen en niet de voeding

39. Welke volgorde van de slokdarm is niet juist beginnende vanaf het lumen?

Plaveiselcellen -> plasmacellen -> … -> glad spierweefsel -> gestreept spierweefsel -> vetcellen
Er was ook iets met circulaire spierlaag in de muscularis mucosae na de plexus van auerbach
Iets met eerst circulair en dan longitudinaal spierweefsel

40. De glandula submandi draait als een hoefijzer rond ...

Mylohyoideus
Digastricus
Geniohyoideus
...

41. Vraag over IMMC, wat is fout

Geen activiteit tijdens fase 1
Aanmaak van gal in de lever bevorderd tijdens fase 2
Maximale contractie van het colon tijdens fase 3
Maximale contractie van dunne darm tijdens fase 3

42. Wat klopt niet over afbraakenzymen

Amylase breekt enkel a1-4 af in de dunne darm
Lactase breekt enkel beta1-4 binding 
Meer amylose bemoeilijkt de vertering

43. Cellen in sinusoidale dinge die fagocytose en migratie doen

Kupfercellen
Ito cellen
Endotheelcellen
…

44. Wat klopt niet met betrekking tot de gastrische mucosale barriere?

mucosa met veel glycoproteinen en disulfidebruggen
muceuze nekcellen produceren pepsine en bicarbonaat. 
oppervlakte epitheel draagt bij tot vorming van gastrische mucosale barrière
stimuli voor mucusvrijzetting zijn schijnvoeding

45. Wat klopt niet over zymogeencellen in de krypten van lieberkhün

In de basale helft van de klier bij maagcorpus/fundus
Verschillend van oxyntic cell door basofiel cytoplasma vanwege goed ontwikkeld RER
worden ook sereuze hoofdcellen, peptic cells en chief cells genoemd
bevinden zich in de diepe, soms vertakte foveolae van de pyloorklieren naast enteroendocriene cellen, uitzonderlijk parietale cellen, globletcellen

46. Wat klopt over GLP-1 ?

Zorgt voor een verzadigd gevoel

47. Welke spier loopt in deze structuur ofzo?

Genioglossus
Palatopharyngeus
Hyoglossus 
Styloglossus 

48. Vetophoping subserosaal in de karteldarm (colon)

Plica circularis
Taenia coli
Appendicis epiploica
Haustra coli

49. Wat is er fout over de sfincter van Oddi

Wordt bezenuwd door de n vagus
Tijdens de digestieve fase fasische contractie en peristalsis
CKK laat tonus afnemen

50. Was dit geen vraag over de D-cel wat er fout is hierbij?

Gastrine is een sterke stimulus?


Examenvragen 2016-2017

1. Ghreline ...

A: Versterkt insulineresistentie.
B: Verlaagt visceraal vet
C: stimuleert een anorexogene factor
D: is een eetlustremmer

2. m. buccinator (aangeduid op een tekening) wordt bezenuwd door:

A: n facialis.
B: n trigeminus
C: n glossopharyngeus
D: n hypoglossus

3. wat is correct over PACAP stimulatie:

A: bindt op de VPAC receptor en stimuleert zo de D-cel. 
B: vermindert netto de maagzuursecretie
C: bindt op de PAC-1 receptor en onderdrukt zo de ECL-cel
D: stimuleert vrijzetting van pepsinogeen ofzo?

4. welke structuur loopt in het mesocolon?

A: a mesenterica superior
B: a colica media.
C: a colica dextra

5. Wat is een vertakking van a. mesenterica superior?

A:  a. pancreoduodenalis superior anterior
B: a. pancreoduodenalis inferior posterior.
C: a. Pancreatico caudae 
D: a. gastroepiploica dextra

6. Wat is geen juiste volgorde van vertakkingen?

A: a. mesenterica inferior- a. colica sinistra- a. ileocolica.
B: truncus coeliacus - a lienalis - a. caudae pancreatis
C: a. hepaticus communis - a gastroduodenalis - a pancreaticoduodenalis sup

7. Waar leidt maagulcerus het snelst tot arteriële bloeding?

A:  curvatura minor. 
B: fundus
C: Pylorus
D: Cardia

8. Waar is kans op metastase van lymfekliertumor het kleinst als die beperkt blijft tot de mucosa?

A: pharynx
B:  slokdarm
C: dunne darm
D: colon

9. Welke van volgende uitspraken over GALT is fout?

A: T-cel afhankelijke differentiatie gebeurt in germinale centrum, T-cel onafhankelijke differentiatie in marginale zone
B: In beenmerg worden hematopoietische stamcellen omgezet in plasmacellen die IgM en IgD afgeven en waarbij de zware en lichte ketens veranderen.
C: In germinale centrum worden centroblasten via isotype classe switch en somatische hypermutatie omgezet tot centrocyten
D: Ze komen gegroepeerd samen in de keelholte en het terminaal ileum, respectievelijk als de platen van peyer en als de ring van waldeyer

10. Gastrine en CCK hebben slechts 1 keer gelijklopend effect

A: Somatostatine 
B: Sfincter van Oddi 
C: Zymogeencellen.
D: Pylorus 

11. & 12. Foto sagittale doorsnede lichaam met cijfertjes. Welk cijfer is bursa omentalis? Welke is de Plica van Kohlenraus?

13. Weer dezelfde foto, welke arterie is cijfer 16

A:  a. gastrica sinistra
B:  a. colica media
C: a. mesentrica superior.
D: truncus coeliacus

14. GLP-1 heeft als effect

A: zorgt voor vrijzetting van insuline na de maaltijd.
B: Stimulatie glycogeenproductie
C: Stimulatie glucagonsecretie na de maaltijd
D: bij een tekort zorgt het voor een vermindering van de gewichtstoename

15. Wat is niet waar ivm Na-absorptie thv dunne darm

A: Actief transport via Na/H ATPase. 
B: Mineralocorticoiden zorgen voor Na absorptie thv het colon
C: De dunne darm heeft globaal meeste Na absorptie
D: Secundair actief transport van Na

16. Wat is niet waar over de mondvloerspieren

A: Geniohyoideus grenst aan zowel m mylohyoideus als digastricus.
B: Verbinden allemaal tongbeen met mandibula (rechtstreeks/ontrechtstreeks)
C: Digastricus bestaat uit de 2 delen en hecht aan… 
D: Geniohyoideus wordt bezenuwd door n. hypoglossus

17. wat wordt aangeduid op de foto?

A: M. styloglossus.
B: M. palatoglossus 
C: M. Genioglossus 

18. Wat is fout ivm levercellen

A: langs de sinusoidale zijde zijn de hepatocyten verbonden met de ruimte van Disse via desmosomen, tight junctions en gap junctions. 
B: Hepatocyten produceren veel albumine, protrombine en fibrinogeen
C: Een kierlandse poort grenst aan 3 hexagonale
D: elke v hepatica draineert 6 hexogonale ...6 

19. Welke uitspraak over de lever is fout

A: Lobus quadratus van de lever wordt begrensd door sulcus v. cavae, leverpoort en margo inferior.
B: De area nuda is afgelijnd door lig. coronarium en vanaf de area nuda vertrekken vv hepaticae
C: Lig falciforme is enkel zichtbaar langs facies diaphragmatica
D: Lig venosum loopt naar dorsaal 

20. wat is niet waar?

A: colipase activeert galzouten.
B: monoglyceriden beter oplosbaar dan triglyceriden
C: lipase werkt in ter hoogte van water-vet barrière
D: galzouten vormen micellen na indikking van het vocht 

21. Welk deel past bij volgende beschrijving: enkele Panethcellen, talrijke slijmbekercellen, enkele enterocyten, vlak epitheel

A: colon descendens
B: duodenum
C: colon ascendens.
D: jejunum

22. afbeelding (kwam uit de werkzitting van Sagaert)

A: muscularis propria
B: muscularis mucosae.
C: basaal membraan 
D: Serosa

23. afbeelding, waar genomen?

A: appendix 	
B: ileum.
C: jejenum
D: duodenum

24. Wat is niet waar ivm mucus in de maag ofzo

A: mucosa met veel glycoproteinen en disulfidebruggen
B: muceuze nekcellen produceren pepsine en bicarbonaat. 
C: oppervlakte epitheel draagt bij tot vorming van gastrische mucosale barrière
D: stimuli voor mucusvrijzetting zijn schijnvoeding

25. Wat is waar ivm afbraak proteinen ofzo

A: tripsinogeen werkt in op basische aminozuren
B: ter hoogte van de brushboarder zijn er aminopeptidasen.
C: chymotripsine wordt geïnactiveerd door de Kazal inhibitor
D: Pepsine werkt enkel in de dunne darm

26. Wat is fout ivm afbraak koolhydraten

A: amylase splitst enkel (1,4) in darm.
B: lactase splitst enkel B(1,4)
C: menselijke spijsverteringsenzymen kunnen sommige koolhydraten zoals vezels niet verteren
D: amylose reduceert verteerbaarheid

27. welke volgorde is niet correct i.v.m. de maag vanaf het lumen?

A: circulaire spierlaag muscularis propria-vetcellen - serosa
B: circulaire spierlaag - schuine spierlaag.
C: epitheel - basaal membraan - 
D: parietale cellen- slijmnapcellen - plasmacellen - gladde spiercellen - mesotheelcellen.

28. Welke van volgende mogelijkheden zorgt voor groter absorptieoppervlak in het pars horizontalis in duodenum in submucosa

A: Plicae circulares. 
B: Villi 
C: Brush border 
D: Klieren van Brunner 

29. wat verhoogt de tonus van de LOS?

A: orthosympatische stimulatie. 
B: CCK-secretine
C: vetrijke maaltijd
D: slikreactie

30. wat is niet correct?

A: enkel darmflora bepaalt samenstelling darmgassen (en niet de voeding).
B: proximaal voornamelijk aerogeen
C: opname wateroplosbare en vetoplosbare vitaminen
D: voornamelijk resten van eiwitten

31. klieren van Lieberkühn wat is juist

A: secreteren alkalisch vocht
B: absorptie van vocht vermindert indien cGMP toeneemt.

32. Waar bevindt de sfincter van Oddi zich?

A: iets met papilla duodeni major.
B: ter hoogte van ileocaecale junctie

33. smaakpapillen bij sulcus terminalis

A: papilla vallatae.
B: papilla fungiformis
C: papilla foliatae
D: papilla filiformes

34. wat is niet correct ivm musculus levator veli pallatini en musculus tensor veli palatini

A: de musculus salpingopharyngeus is een onderdeel van de musculus palatoglossus.
B: de musculus tensor veli palatini ligt ventraal van de musculus levator veli pallatini
C: hechten beiden aan op tuba audittiva.
D: de plica salpingopharyngeus wordt gevormd door de M. salpingopharyngeus

35. Welke spier loopt er ventraal van de tonsilla palatina?

A: musculus palatoglossus.
B: Musculus palatophayngeus
C: m levator veli palatini
D: M. tensor veli palatini

36. wat is correct?

A: HAPC’s komen frequenter voor bij mensen met constipatie
B: motiline stimuleert HAPC’s
C: haustrale shutteling komt meeste voor bij segmentatie.
D: haustrale segmentatie zorgt voor versterkte transit in colon

37. Wat is fout in verband met interne anale sfincter

A: diabetes zorgt voor verminderen tonus 
B: rusttonus door cholinerge bezenuwing.
C: de tonus stijgt na defaecatie 
D: is een verdikking van de circulaire spierlaag

38. Waar komen CD8+ T-cellen voor in de dunne darm?

A: tussen de epitheelcellen. 
B: Lamina propria
C: Platen van Peyer
D: geen van bovenstaande, want deze cellen komen niet voor in de dunne darm

39. wat is niet correct?

A: bij distentie van het duodenum wordt er gastrine vrijgezet
B:  terugkoppeling van de dikke darm op maagzuursecretie.
C: Vetzuren hebben sterk inhiberend effect op productie maagzuur

40. iets ivm exocriene pancreas: wat is fout?

A: pancreatic polypeptide is de belangrijkste inhibitor van het alkalisch sap. 
B: Bij mucoviscidose is er verminderde HCO3- secretie in het sap door gen mutatie 

41. Wat klopt i.v.m. de werking van de galblaas?

A: constante tonus galblaas cholinerg
B: Sterke contractie na stimulatie van secretine


42. wat klopt niet ivm bezenuwing van het GUT?

A: in slokdarm wordt de plexus van Meissner, Henle en Auerbach bezenuwd door extrinsieke, intrinsieke en enterische plexus.
B: orthosympatisch preganglionair vindt oorsprong in laterale ruggenmerg C7-L2
C: parasympathisch in rectum door nervus vagus en door sacrale zenuwen
(S2-S4)

43. Vraag over tand: wat grenst er aan de pulpa?

A: dentine.
B: email
C: cement
D: gingiva

44. Bij eenzijdige verlamming (n facialis aangetast), welke functies werken niet meer goed?

A: mimiek en speeksel- en traanklieren
B: mimiek, speeksel- en traanklieren, smaak.
C: mimiek, smaak, traanklieren, motorisch, slikreflex
D: mimiek, smaak, traanklieren, motorisch tong

45. Wat bevordert de contractiekracht van de maag?

A: Grotere voedselbrokken.
B: Hogere frequentie slow-waves
C: Ontkoppeling gladde spiercellen
D: Orthosympathische stimulatie

46; deze cel ligt aan de basis en is basofiel

A: pariëtale cel
B: zymogeen cel.

47. wat ligt retroperitoneaal?

A: pars descendens.
B: Caecum
C: Sigmoid
D: Colon transversum

48. wat neemt er niet toe van het jejunum naar het ileum?

A: slijmbekercellen
B: Paneth cellen
C: plicae circulares.
D: Lymfefollikels

Examenvragen 2014-2015

Reeks 1:30 vragen Sagaert, 20 vragen Impens

1) Welke smaakpapillen staan in voor de smaak bij volwassenen?

A: enkel de papillae vallatae

B: enkel de papillae vallatae en fungiformis.

C: enkel de papillae vallatae, fungiformis, en folliatae

D: de papillae vallatae, filiformes, fungiformis, folliatae


2) Welk ligament boort de zone af op de lever die rechstreeks is vergroeit met het diafragma?


A: lig venosum

B: lig. coronarium.

C: lig. falciforme

D:

3) Welke volgorde klopt niet (vanaf het lumen)?

A: epitheel - basale membraan - plexus van Meisner - plexus van Henle

B: .. - plexus van Auerbach - muscularis externa.

C:

D:


4) Welk getal krijg je als je de getallen bij volgende arteries optelt (tekening zoals deze http://goo.gl/E57RWG)  a. gastricaepiploica dextra, a. pancreatica dorsalis, a. gastricae brevis,..

A: 58.

B: 63

C:

D:


5) Welke structuur/zone (1, 2 of 3 aangeduid op foto) is aangetast bij de ziekte van Hirschprung. (de foto was van de maag)


A: 1 (was lamina propria)

B: 2 (was submucosa)

C: 3 (was muscularis propria).

D: geen van bovenstaande is juist


6) Welke zenuw staat in voor de bezenuwing van de tongradix?

A: n. hypoglossus

B: n. glossopharyngeus.

C: n. facialis

D: elk van bovenstaande

7) Welke structuur komt niet voor in de leverpoort 


A: vena porta

B: arteria hepatica

C: vena hepatica.

D: ductus hepaticus

8) Wat is de volgorde van het doorkomen van de definitieve tanden?

A: M1-I-PM-C-M2-M3.

B: I1-I2-...M2-M3

C: I1-I2-...-M2-M3

D: geen van bovenstaande

9) Waar komt verhoornd plaveiselcelepitheel voor


A: tong.

B: phaynx

C: slokdarm

D:

10) Welke definitie is fout

A: de gastrocologisch reflex heeft iets te maken met haustrale (segmentiële) activiteit.

B: enterogastrische reflex

C:

D:

11) Wat is er NIET juist ivm lymfocyten? 

A: in de marginale zone komen enkel B-geheugen cellen voor.

B: De early immune respons is T-cell independent en de late immune respons is T-cell dependent


12) Welke structuur loopt er door (een structuur aangeduid met nummer 6 => liep naar colon)

A: a. colica media

B: a. mesenterica superior

C: a. mesenterica inferior

13) Wat helpt tegen gastriaenemie

A: protonpomp agonist

B: H2-antagonisten.

C: gastrine receptor agonisten (?)

14) Waar komen slow waves voor? 

A: dunne en dikke darm

B: distale maag en dunne darm

C: maag en dunne darm.

D: proximale maag en dunne darm

15) Wanneer geef je encoated pancreas enzymes?

A: pacreatitis

B:

16) Wat zorgt voor constante tonus galblaas? 

A: ach.

17) Wat is er niet juist ?

A: secretine zorgt voor galblaascontractie.

18) Welke structuur loopt er over margo superior van de pancreas? 

A: a. mesenterica superior

B: a. lienalis.

C: v. lienalis

19) Welke structuren zijn er aangeduid met 16 en 17

A: 16: tensor veli palatini 17: levator veli palatini.

B: 16: palatoglossus 17: palatopharyngeus

20) Welke structuur loopt er aangeduid met een ster? 

A: m. styloglossus

B. m. salpinopharyngeus.

21) Welk deel van GUT is dit?

A: appendix.

22) Wat wordt er met een sterretje aangeduid (foto ingezoomed op appendix)

A: centrum lymfollikel.

B: corona

C: marginale zone

D: muceuse speekselklier

23) CCK en gastrine hebben hetzelfde effect behalve op

A: maagzuursecretie.

B: pepsine

C: pancreassap

D: motiliteit

24) Wat zorgt voor een verzadigingsgevoel? 

A: NPY

B: AGRP

C: gheline contracties

D: GLP.

25) Een gastric bypass kan leiden tot het dumping-fenomeen. Hartslag daalt, duizeligheid, flauwvallen, ... Wat veroorzaakt deze symptomen?A: Door het verlies van de geregelde ledigingsfunctie van de pylorus worden de enterocyten van de dunne darm overspoeld met nutriënten

26) Op welke manier speelt het zure microklimaat in de darm een rol bij de vetvertering?

A: het zorgt ervoor dat de vetzuren minder oplosbaar worden in de micellen

27) IF is nodig voor de absorptie van Vit B12. Waar gebeurt die absorptie?

A: ileum

B: jejunum

C: colon

D: maag

28) Wat zorgt voor bicarbonaatrijke secretie uit de pancreas?

A) Secretine

B) CCK

C) Acetylcholine

29) Welke spier zorgt dat er geen ongewilde defaecatie is bij verhoogde intra-abdominale druk?

A) m. levator ani

B) m. puborectalis

C) EAS

D) IAS Reeks 2:

1) Wat is onwaar over Paneth-cellen 

A: ze komen in groepjes voor in het basale deel van de krypen van Lieberkühn

B:

C:

D:

2) Wat zorgt voor een drukstijging in LOS? 

A: vet eten

B: orthosympatische stimulatie

C: CCK en ..

D:

3) Vraag over operatie spieren/zenuwen doorknipen??? Bij wat zal dit helpen? 

A: slokdarmzweren

B: achalasie

C: pyrosis

D: aërofagie???

4) Welke 2 soorten papillen komen aan de rand van de tong voor? 

A: fungifomis & foliatae

B: vallatae & fungiformis

C: vallatae & folitae

D: foliatae & filiformis

Welke soort papil komt vooral voor ventraal van de sulcus terminalis linguae? 

A: filiformes

B: fungiformis

C: vallatae

D: filiformes

5) Door wat wordt de spier die aangeduid is (m mylohyoideus) bezenuwt 

A: n trigemius

B: n hypoglossus

C: n glossopharyngeus

D: n facialis

6) Welk ligament bakent de rand af van de area nuda en de plaats waar de v hepatica de lever verlaat? 

A: omentum minus

B: lig teres

C: lig coronarium

D: lig trigulare

7) Vul aan: De ...... ontstaat uit de a gastroduodenalis, en loopt posterieur langs de pars descendens van het duodenum naar onder 

A: a pancreaticoduodenalis superior posterior

B: a pancreaticoduodenalis superior anterior

C: a pancreaticoduodenalis inferior posterior

D: a pancreaticoduodenalis inferior anterior

8) Afbeelding van B-follik: waar komen de cellen voor de early immun response voor? 

A: maginale zone - centrum

B: centrum

C: maginale zone

D: (middenste zone...

Examenvragen 2013-2014

Reeks 1

1. Door welk apolipoproteine wordt LCAT geactiveerd

   a) A1
   b) A2
   c) C1
   d) C2

2. De .... is een tak van de a. mesenterica superior en loopt dorsaal langs de curvatuur van het pars horizontalis duodeni:

   a) a. pancreaticoduodenalis sup. ant.
   b) a. pancreaticoduodenalis sup. post.
   c) a. pancreaticoduodenalis inf. ant.
   d) a. pancreaticoduodenalis inf. post.

3. Er is een student die een piercing heeft laten zetten in de tong. De piercing ontsteekt en de student heeft erg veel pijn. Welke zenuw is hier verantwoordelijk voor:

   a) n. trigeminus
   b) n. facialis
   c) n. glossopharyngeus
   d) n. hypoglossus

4. Welke D3 vitamine is het meest actief bij mensen?

   a) cholecalciferol
   b) 25 OH D3
   c) 24,25 OH D3
   d) 1,25 OH D3

5. Gastrine en CCK heb hetzelfde effect buiten op:

   a) maagmotiliteit
   b) pancreas?
   c) zuursecretie
   d)

6. vraag over tongbezenuwing

7. In welk geval stijgt de contractiekracht van de maag?

8. Wat is geen onderdeel van de submucosa

   a) plexus van Henle
   b) klieren van Brunner
   c) crypten van Lieberkuhn
   d) ?

9. Waar moet je over waken bij toedienen van aldosterone

   a) constipatie
   b) grotere maagzuursecretie
   c)
   d)

10. wat draagt bij tot tonus van de galblaas en de contractie tijdens de prandiale fase

   a) prostaglandines
   b) Ach
   c) secretine
   d) ?

11. de glycemische index is :

   a) glucose concentratie in het bloed 2 uur na innemen van koolhydratenrijk voedsel
   b)glucose concentratiie in het bloed 2u na het innemen van een eiwitrijke maaltijd
   c) de glucoseconcentratie in het bloed die uitgedrukt wordt in mg/dl en gemeten met een glucosemeter
   d)

12. risicofactoren van voeding op gezondheid rangschikken van hoog naar laag alcohol, overgewicht, diabetes, hoge bloeddruk, cholesterol

13. welke factoren hebben grootste impact op basal metabolism verschillende combinaties met volgende in: leeftijd, geslacht, samenstelling lichaam, klimaat, lengte

14. in welk lipoproteine vindt men de meeste cholesterol net na de maaltijd

   a) LDL
   b) Chylo
   c) HDL
   d) VLDL

15. welke factor bepaalt mee het gehalte aan HDL

   a) vrouw
   b) triglyceridenhyperemie
   c) 
   d)

16. Welk hormoon zorgt voor een daling van de eetlust?

  a) AGRP
  b) Ghreline
  c) NPY
  d) GLP-1

17. Roken verhoogt de kans op een maagzweer. Wat is het mechanisme hierachter?

  a) daling van somatostatine
  b) daling prostaglandine
  c) ...
  d) ...

18. Wat is de definitie van de glycemische index?

  a) een waarde voor het bloedglucosegehalte, gemeten met een glucosemeter.
  b) een maat voor de verandering van de bloedglucosespiegel 2 uur na het eten van een koolhydraatrijke maaltijd.
  c) een maat voor de verandering van de bloedglucosespiegel 2 uur na het eten van een eiwitrijke maaltijd.
  d) een maat voor het vermogen om glucose om te zetten tot het bruikbare fructose.

19. welk lipoproteïne bevat vooral de cholesterol?

  a) HDL
  b) chylomicronen
  c) LDL
  d) VLDL

20. welke structuur komt niet voor in de submucosa?

  a) perikaryons
  b) plexus van Henle
  c) brünnerse klieren
  d) crypten van lieberkuhn

21. op een microscopische foto zie je een villeus darmsegment rijk aan submucosale klieren. Welk deel is dit hoogstwaarschijnlijk?

  a) duodenum
  b) ileum
  c) colon
  d) appendix

22. de bursa omentalis is aan haar achterzijde begrensd door?

  a) omentum minus
  b) omentum maius
  c) pariëtale peritoneum
  d) mesocolon

23. welke stelling is fout?

  a) taenia omentalis is de ventrale zijde van de aanhechting van het omentum maius aan het colon transversum.
  b) taenia libera is de vrije caudale longitudinale spierband van het colon transversum.
  c) het colon en rectum worden gekenmerkt door 3 taeniae of longitudinale spierbanden die macroscopisch zichtbaar zijn.
  d) taenia mesocolica is dorsale longitudinale spierband van het colon transversum.

24. welke stelling is fout?

  a) de eerste tand van de dentes permanentes die doorbreekt is meestal M1.
  b) het dentine van de corona is bekleed met cement.
  c) de tand hangt op in de tandkas d.m.v. de vezels van Sharpey.
  d) bezenuwing van de tanden gebeurt via n. trigeminus.

25. Welke komt voor in de wand van de sinusoïden en zorgt voor opslag van vitamine A

  a) hepatocyt
  b) sinusoidale endotheelcel
  c) Kuppfercel
  d) ito-cel

26. Op welke manier speelt het zure microklimaat in de darm een rol bij de vetvertering?

  a) het zorgt ervoor dat de vetzuren minder oplosbaar worden in de micellen
  b) het inhibeert de werking van het co-lipase
  c) het is noodzakelijk voor het gekoppeld transport van vetzuren over de apicale membraan mogelijk te maken
  d) het stimuleert de werking van het pancreatisch lipase

27. Wat is een mogelijke nevenwerking van een behandeling met aldosteron?

  a) stimuleert de maagzuursecretie
  b) inhibeert de mucussecretie
  c) kan constipatie veroorzaken
  d) geeft aanleiding tot pyrosis

28. Op het volgende plaatje staan de bloedvaten aangegeven met getallen, op welk getal kom je uit als je de volgende arteries bij elkaar optelt? a. gastrica dextra, a. pancreatico dorsale, a. pancreaticoduodenale inf. post. en a. colica media

  a) 65
  b) 74
  c)
  d)

Reeks 2

1. Door welk apolipoproteine wordt LPL geactiveerd

  a) A1
  b) A2
  c) C1
  d) C2.

2. wat is er fout over de colon?

  a) De karteldarm heeft 3 teania die evenwijdig verlopen. Dit zijn verdikkingen van de gestreepte spiervezels van de longitudinale laag van de muscularis propria.
  b) onder de tenia libera hangen tongvormige vetuitstulpingen: de apendicis epipoicaa
  c)
  d)

3. Welk vitamine geeft bij een tekort pellagra?

  a) thiamine
  b)niacine.
  c) biotine
  d)

4. Wat is de functie van vitamine B6?

  a) decarboxylatie van alfa-ketozuren
  b) decarboxylatie van AZ.
  c) carboxylatie van AZ
  d)

5. Wat is de functie van panthoteenzuur?

  a) decarboxylatie van AZ
  b) onderdeel van ACP.
  c)
  d)

6. Als de vena porta verstopt is door levercirrose, via welke vene zal het bloed dan de vena cava superior bereiken?

  a) vena gastrica sinistra
  b) vena phrenica inferior sinistra
  c)
  d)

7. Wat zorgt voor een daling van de eetlust?

  a) toename ghreline
  b) toename  NPY
  c) toename AGRP
  d) toename GIP.

8. Wat bevat de meeste TG bij een nuchtere persoon?

  a) LDL
  b) chylomicronen
  c) VLDL.
  d)HDL

9. Wat loopt er mis bij hyperbètalipoproteïnemie?

  a) defect in de LDL receptor/mutatie ApoB100.
  b) mutatie in A1, A2
  c) mutatie in LPL
  d)

10. Welke stof is er verstoord bij rokers waardoor ze sneller maagzweren krijgen?

  a) prostaglandines.
  b) somatostatines
  c)
  d)

11. Wat zijn de meest gebruikte parameters om behoefte te beschrijven?

  a) aanbevolen dagelijkse hoeveelheid, bovengrens inname, geschatte gemiddelde behoefte, adequate intake
  b) aanbevolen dagelijkse hoeveelheid, bovengrens inname, gewogen gemiddelde behoefte, adequate intake
  c)
  d)

12. Wat is de aanbevolen bovengrens voor zoutinname?

  a) 2.4g/dag
  b) 6g/dag.
  c) 11g/dag
  d) geen limiet

13. Foto van de maag, zeggen welk deel het is. Dezelfde fotos als zijn laatste les

  a) pylorus
  b) corpus
  c) antrum
  d) geen van bovenstaanden

14. Wat is er correct over CytP450

  a) het niet soortgebonden
  b) het voert een rol uit tijdens fase I detoxificaties.
  c) zal altijd leiden tot minder toxiciteit
  d)

15. Wat is er correct over de kenmerken van detoxificatie?

  a) geneesmiddelen die niets met elkaar te maken hebben kunnen voor competitie zorgen.
  b) tolerantie en cross-tolerantie zijn irreversibel
  c)
  d)

16. Wat is goedkope, betrouwbare methode om lichaamsvet te meten?

  a) BIA
  b) onderwater wegen
  c) huidplooimeting
  d) NMR-scan

17. Ligamentum venosum scheidt lobus sinister van ... :

  a) lobus quadratus
  b) lobus caudatus
  c)
  d)

18. Welk ligament vormt geen dubbelplooi?

  a) lig venosum
  b) lig falciforme
  c) lig triangulare
  d) lig teres.

19. Welke uitspraak is juist over speeksel?

  a) bevat mucines.
  b) de samenstelling is altijd hetzelfde
  c) bevat hoge concentratie Na en glucose
  d) zorgt voor vertering in dunne darm

20. Welke uitspraak is correct over de slokdarm?

  a) de bovenste oesaphagale sfincter zal contracteren d.m.v. cardiaspiercellen (of iets in die aard) 
  b) de bovenste oesophagale sfincter zal relaxeren door chocolade,vet, etc alsook door hormonale werking
  c) de drukzone van de onderste oesophagale sfincter beweegt cyclisch volgens de ademhaling.
  d) 

21. Welk enzyme bevat geen zymogeen/pro-vorm?

  a) Carboxypeptidase
  b) trypsine
  c) amylase.
  d) elastase

22. Welk enzymetekort geeft xeroftalmie?

  a) Vitamine A
  b) Vitamine C
  c) Vitamine D
  d) Vitamine E

23. Welke uitspraak is er fout over de m. levator veli palatini?

  a) ligt lateraal van de m. tensor veli palatini
  b)
  c)
  d)

24. Welke uitspraak is fout?

  a) De ductus pancraticus en de ductus choledochus lopen schuin doorheen de wand van de duodenum en vormen de plica longitudinalis duodeni
  b) De ductus pancraticus en de ductus choledochus komen samen en verbreden tot een ampulla hepatopancreatica
  c) De papil van Vater bevat een circulaire sluitspier: de sfincter van Oddi
  d) De ductus pancraticus en de ductus choledochus komen samen uit in de papil van Vater in het duodenum superior.

Examenvragen '12 - '13

Reeks 1

1) Wat zorgt voor een verlaging van de gastrinaemie?

   A) inhibitie van de maagzuursecretie
   B) Zollinger-Ellison syndroom
   C) secretine intraveneus toedienen
   D) Achlorhydrie

2) De maagmotiliteit verhoogt bij

   A) het toedienen van grotere voedselbrokken
   B) een verhoging van de frequentie van de slow waves
   C) het elektrisch ontkoppelen van de gladde spierlaag
   D) orthosympatische stimulatie

3) Welk hormoon zorgt voor een daling van de eetlust?

   A) AGRP
   B) Ghreline
   C) NPY
   D) GLP-1

4) Wat heeft geen invloed op de secretie van galzouten door de galblaas?

   A) secretine
   B) pepsine
   C) acetylcholine
   D) CCK

5) Welke reeks hormonen inhibeert de maagzuursecretie?

   A) CCK - secretine - GIP
   B) CCK - motiline - secretine
   C) gastrine - VIP - neurotensine
   D) serotonine - CCK - secretine

6) Wat zorgt er voor de secretie van alkalisch vocht door de pancreas?

   A) gastrine
   B) acetylcholine
   C) secretine
   D) CCK

7) Roken verhoogt de kans op een maagzweer. Wat is het mechanisme hierachter?

   A) daling van somatostatine
   B) daling prostaglandine
   C) ...
   D) ...

8) Waar vind je tocoferolen vooral terug?

   A) Lever
   B) gist
   C) maïsolie
   D) fruit

9) Avidine

   A) is een proteïne met een hoge affiniteit voor biotine
   B) is een vitamine, voor het eerst gezien in kippen
   C) ...
   D) ...

10) Waar vinden we detoxificatiereacties niet terug?

   A) gastrointestinaal stelsel
   B) nier
   C) milt
   D) lever

11) Welk van onderstaande is een fase I reactie?

   A) methylatie
   B) vorming van sulfaatester
   C) dealkylatie
   D) acetylering

12) een tekort aan cholesterol

   A) komt symptomatisch niet tot uiting
   B) kan te wijten zijn aan een tekort aan LDL 
   C) komt nooit voor bij jonge kinderen
   D) ...

13) welk eiwit is verantwoordelijk voor de werking van LCAT?

   A) APO A-1
   B) APO A-2
   C) APO C-1
   D) APO C-2

14) Een patiënt biedt zich aan met het "burning foot syndrome". Wat raadt u aan?

   A) pyridoxine
   B) foliumzuur
   C) panthoteenzuur
   D) niacine

15) Zet de volgende macronutriënten in de juiste volgorde naar naar afnemende energiecapaciteit.

   A) vetten - koolhydraten - alcohol
   B) koolhydraten & eiwitten - alcohol - vetten
   C) vetten - alcohol - koolhydraten & eiwitten
   D) alcohol - vetten - koolhydraten & eiwitten

16) welke stelling is juist?

   A) bioelectrical impediance is een indirecte meetmethode.
   B) CT- en MRI-scanning zijn directe meetmethodes.
   C) skinfold metingen zijn indirecte meetmethodes
   D) Bod pod is een indirecte meetmethode.

17) Wat is de definitie van "ondervoeding"?

   A) een toestand waarbij de BMI < 18,5 en dit de enige waardevolle indicator is.
   B) het "wegteren" ten gevolge van metabole, hormonale en cytokine veranderingen.
   C) een tekort aan nutriënten met als resultaat een verminderde biologische en mentale functie.
   D) een verhoog verlies aan nutriënten.

18) Wat is de definitie van de glycemische index?

   A) een waarde voor het bloedglucosegehalte, gemeten met een glucosemeter.
   B) een maat voor de verandering van de bloedglucosespiegel 2 uur na het eten van een koolhydraatrijke maaltijd.
   C) een maat voor de verandering van de bloedglucosespiegel 2 uur na het eten van een eiwitrijke maaltijd.
   D) een maat voor het vermogen om glucose om te zetten tot het bruikbare fructose.

19) gegeven: een sagittale doorsnede van de schedel, benoem de aangeduide spier + de bezenuwing.

   => m. mylohyoideus + n. trigeminus

20) welk lipoproteïne bevat vooral de cholesterol?

   A) HDL
   B) chylomicronen
   C) LDL
   D) VLDL

21) welke structuur komt niet voor in de submucosa?

   A) perikaryons
   B) plexus van Henle
   C) brünnerse klieren
   D) spiertjes van Brücke

22) een studente geneeskunde laat een piercing plaatsen in het voorste 2/3 de deel van haar tong. Na de ingreep heeft ze enorm veel pijn in de zone net onder het tongoppervlak. Welke zenuw is hiervoor verantwoordelijk?

   A) n. trigeminus
   B) n. facialis
   C) n. hypoglossus
   D) n. glossopharyngeus

23) gegeven: foto van het jejunum (zie laatste werkzitting. Welk deel van het GI-stelsel is dit?

   => het jejunum

24) op een microscopische foto zie je een villeus darmsegment rijk aan submucosale klieren. Welk deel is dit hoogstwaarschijnlijk?

   A) duodenum
   B) ileum
   C) colon
   D) appendix

25) de bursa omentalis is aan haar achterzijde begrensd door?

   A) omentum minus
   B) omentum maius
   C) pariëtale peritoneum
   D) mesocolon

26) welke stelling is fout?

   A) taenia omentalis is de ventrale zijde van de aanhechting van het omentum maius aan het colon transversum.
   B) taenia libera is de vrije caudale longitudinale spierband van het colon transversum.
   C) het colon en rectum worden gekenmerkt door 3 taeniae of longitudinale spierbanden die macroscopisch zichtbaar zijn.
   D) taenia mesocolica is dorsale longitudinale spierband van het colon transversum.

27) gegeven: genummerde foto van de bevloeiing van de maag, pancreas, milt, dunne darm + mesenterium en dikke darm. Gevraagd: tel de nummers op die horen bij de a. gastroepiploica dextra, a. pancreatica dorsalis, a. pancreaticoduodenalis inferior posterior, a. colica media. Aan welk getal kom je dan?

28) de arterie die aftakt van de a. mesenterica superior en die dorsaal loopt aan de concave rand van pars inferior duodeni is de

   A) a. pancreaticoduodenalis superior anterior
   B) a. pancreaticoduodenalis superior posterior
   C) a. pancreaticoduodenalis inferior anterior
   D) a. pancreaticoduodenalis inferior posterior

29) welke stelling is fout?

   A) de eerste tand van de dentes permanentes die doorbreekt is meestal M1.
   B) het dentine van de corona is bekleed met cement.
   C) de tand hangt op in de tandkas d.m.v. de vezels van Sharpey.
   D) bezenuwing van de tanden gebeurt via n. trigeminus.

30) welke stelling is juist?

   A) de pharynx is bekleed met een meerlagig plaveiselcellig epitheel.
   B) de spieren van de pharynx hechten aan op de mandibula, os temporale en os sphenoidale.
   C) de pharynx maakt geen deel uit van de ring van Waldeyer.
   D) in de pharynx ligt de circulaire spierlaag luminaal van de longitudinale.

31) Vit K helpt bij de aanmaak van al deze bloedstollingsfactoren behalve

   A) fibrinogeen (I)
   B) protrombine (II)
   C) proconvertine (VII)
   D) stuart factor (X)

32) Wat is de definitie van het basaal metabolisme?

Basaal metabolisme, is de stofwisseling die nodig is om de minimale hoeveelheid energie te leveren die noodzakelijk is voor primaire levensprocessen van een organisme.

33) Wat zijn 'dietary reference values'?

   A) de maximale hoeveelheid dat je van een bepaald product mag eten.
   B) het zijn aanbevelingen omtrent de voeding goed voor een gezonde mens.
   C) het zijn de richtlijnen omtrent de voeding goed om patiënten te verhelpen.
   D) het is een norm, opgelegd door de overheid, die bepaalt hoeveel je van een bepaald product mag eten.

34) Wat is het verschil tussen primaire en secundaire peristalsis in de slokdarm?

    A) secundaire peristaltiek komt in tijd na primair.
    B) secundaire peristaltiek werkt via lokale reflexen, primaire peristaltiek via centrale.
    C) secundaire peristaltiek is verantwoordelijk voor de deglutitieve inhibitie.
    D) secundaire peristaltiek loopt van helemaal craniaal in de slokdarm naar caudaal.

35) Wat is het meest schadelijk bij atherosclerose?

    A) VLDL
    B) chylomicronen
    C) LDL
    D) HDL

36) Welke laag zal bij de ziekte van Hirschprung onder de microscoop zichtbaar aangetast zijn?

    A) mucosa
    B) submucosa
    C) muscularis propria
    D) serosa/adventitia

37) Een schuimkraag op een bloedstaal wordt veroorzaakt door:

    A) LDL
    B) HLD (ja, letterlijk HLD en niet HDL)
    C) Chylomicronen
    D) VLDL

38) Wat zijn de verwachte gevolgen van achalasie?

    A) longcomplicaties
    B) een niet cardiale retrosternale pijn
    C) ...
    D) ...

39) Hoe kunnen we een vitamine B6 deficientie vast stellen?

    A) de uitscheiding van kenynurine in de urine meten
    B) na orale toediening van trp de uitgescheiden xanthureenzuur concentratie meten
    C) ...
    D) ...

40) Bij orale toediening van INH (isoniacine hydrase) zien we welk effect?

    A) deficientie van B3
    B) deficientie van B6
    C) ...
    D) ...

Examenvragen '12 - '13 (oud programma)

Morfologie

1) Een student geneeskunde heeft na een nachtje stappen een zwaar ongeval met de auto. Er wordt een scheur vastgesteld in de milt en de chirurg besluit over te gaan tot een splenectomie (volledig weghalen van de milt). Wat is hier een gevolg van op lange termijn?

A De bloedstroom door de lever verloopt moeilijker waardoor er slokdarmvarices kunnen ontstaan.
B De synthese van rode bloedcellen is gestoord wat lijdt tot anemie waardoor de student regelmatig bloedtransfusies nodig heeft.
C Er is een verhoogde vatbaarheid voor ontstekingen omdat de early immune response afwezig is. De student moet gevaccineerd worden.
D De splenectomie heeft geen gevolgen op lange termijn.

2) De wand van het maagdarm stelsel heeft een gelijkaardige opbouw van slokdarm tot rectum. Welke volgorde van structuren, vertrekkende vanaf het lumen is correct.

A lamina propria, plexus van Meissner, serosa, muscularis externa
B plexus van Auerbach, adventitia, muscularis externa, submucosa
C epitheel, submucosale klieren, plexus van Auerbach, mesotheel
D muscularis mucosae, plexus van Auerbach, plexus van Henle, plexus van Meissner

3) (1) ligt in een groeve op facies posterior van de pancreas, (2) ligt op de bovenrand van de pancreas

A (1) a. lienalis, (2) v. lienalis

B (1) v. lienalis, (2) a. lienalis

C (1) a. mesenterica sup., (2) a. mesenterica inf.
D (1) a. mesenterica inf., (2) a. mesenterica sup.

4) Op een gekleurd histologisch preparaat van een deel uit het maagdarm stelsel is een meerlagig niet-verhoornend plaveiselepitheel te zien. Waar is dit preparaat zeker niet van afkomstig?

A dorsale farynxwand
B slokdarm
C tong
D tandvlees

5) Welke uitspraak over de tand is niet juist?

A via het foramen apicale dringen zenuwen en bloedvaten in het pulpakanaal
B cementoblasten zorgen voor de aanmaak van dentine
C de tand wordt opgehangen in de alveolen via de vezels van sharpey
D het melkgebit heeft geen molaren, de melkkiezen komen overeen met de premolaren

6) Welke uitspraak is niet juist met betrekking tot de uitmonding van de gal- en pancreaswegen in de darm.

A de ductus cysticus en de ductus van Wirsung monden schuin uit in de wand van het duodenum
B de twee bovenstaande ducti versmelten samen tot een distale ampulla hepatopancreatica
C de ampulla hepatopancreatica mondt uit in de papil van Vater
D de ampulla hepatopancreatica wordt afgesloten door circulaire spiervezels die we de sfincter van Oddi noemen

7) Welke papillen komen enkel voor op de achterzijde van het corpus van de tong?

A papillae vallatae
B papillae vallatae, papillae foliatae
C papillae vallatae, papillae foliatae, papillae filliformes
D papillae vallatae, papillae foliatae, papillae filliformes, papillae fungiformes

8) Door welke zenuw wordt de glandula parotis bezenuwt?

A n. facialis
B n. glossopharyngeus
C n. hypoglossus
D n. trigeminus

9) Welke celjuncties vinden we terug tussen het epitheel van de slokdarm?

A desmosomen
B tight junctions
C desmosomen en tight junctions
D desmosomen en tight junctions en gap junctions

10) De dunne darm kent een enorme oppervlaktevergroting. Welke maakt geen deel uit van de mucosa van de dunne darm?

A plicae circulares van Kerckring
B microvilli
C villi
D alle bovenstaanden maken deel uit van de mucosa van de dunne darm

11) Uit welke structuren is de keelengte opgebouwd?

A fauces
B fauces, palatum molle
C fauces, palatum molle, radix linguae
D fauces, palatum molle, radix linguae, faryngeale constrictorspieren

12) Welke uitspraak in verband met de m. constrictor pharyngis superior is niet juist.

A vertrekt met een pars pterygopharyngea aan het caudale deel van de mediale plaat van proc. pterygoideus
B schuift tussen de m. palatopharyngeus en m. stylopharyngeus
C wordt bezenuwd door de n. glossopharyngeus
D zorgt bij contractie voor verkorten van de pharynx

13) Welke zenuwen zorgen voor de sensorische bezenuwing van de tong?

A n. glossopharyngeus, n. facialis
B n. glossopharyngeus, n. hypoglossus
C n. hypoglossus, n. facialis
D n. hypoglossus, n. facialis, n. glossopharyngeus

14) De m. tensor veli palatine haakt met een peesje rond de (1), dit maakt deel uit van (2)

A hamulus, os temporale
B hamulus, os sphenoidale
C clivus, os temporale
D clicus, os sphenoidale

15) Welke komt voor in de wand van de sinusoïden en zorgt voor opslag van vitamine A

A hepatocyt
B sinusoidale endotheelcel
C Kuppfercel
D ito-cel

16) Bij levercirrhose kan het bloed niet door de lever stromen. Het bloed zoekt toch een uitweg via een ander bloedvat naar de v. cava. Welk bloedvat is dit?

A v. phrenica inferior sinister
B v. gastrica sinistra
C v. lienalis
D v. gastroepiploica dextra

17) Welk ligament scheidt de lobus sinister van de lobus caudatus op de facies visceralis van de lever?

A lig. venosum
B lig. triangulare
C lig. coronarium
D lig. teres hepatis

18) Welk ligament bakent het gebied op het oppervlak van de lever af dat rechtstreeks vergroeid is met het diaphragma?

A lig. venosum
B lig. triangulare
C lig. coronarium
D lig. teres hepatis

19) Welke uitspraak over de maagmucosa is niet juist?

Ade foveolae van de pylorusklieren zijn minder diep dan die van de corpusklieren en bevatten voornamelijk mucussecreterende halscellen, endocriene cellen en zeldzame pariëtaalcellen.
B de zymogeencel heeft een basofiel cytoplasma
C het oppervlakkig epitheel van de maag bestaat uit slijmnapepitheel
D de maagmucosa wordt vernieuwd vanuit stamcellen gelegen in de bodem van de foveolae

20) Welke arterie loopt in het mesocolon transversum?

A a. mesenterica superior
B a. lienalis
C a. colica media
D a. colica dextra



Fysiologie

1) Waar vindt de reabsorptie van galzouten plaats?

A colon
B duodenum
C ileum
D jejunum

2) Enterogastrone is een term die gebruikt wordt voor een aantal verschillende hormonen die een rol spelen bij de inhibitie van de maagzuursecretie als antwoord op een verhoogde energie-aanvoer naar de dunne darm. Welke reeks hormonen behoort hier toe?

A CCK - GIP - Secretine
B CCK - Gastrine - Secretine
C CCK - Motiline - Secretine
D CCK - PeptideYY - Neurotensine

3) Een operatieve ingreep waarbij de vezels van de gastro-oesofagale sfincter worden doorgesneden zou kunnen helpen bij:

A pyrosis
B achalasie
C achlorhydrie
D cholelithiasis

4) Wat zal er gebeuren tijdens de defaecatie?

A interne anale sfincter contraheert
B buikspieren relaxeren
C externe anale sfinter relaxeert
D intra-abdominale druk verlaagt

5) Waarom worden er geen prostaglandines toegediend bij de behandeling van een maagulcerus?

A ze stimuleren de maagzuursecretie
B ze verminderen de mucussecretie
C ze kunnen diarree veroorzaken
D ze kunnen koorts veroorzaken

6) Welke stelling is juist met betrekking tot de eiwitvertering?

A trypsine splitst basische aminozuren aan de aminoterminale zijde
B trypsine splitst neutrale aromatische aminozuren aan de carboxyterminale zijde
C chymotrypsine splitst thv basische aminozuren
D elastase splitst thv neutrale alifatische aminozuren

7) Welke stelling is fout met betrekking tot de endo- en exocriene pancreas?

A de functie van de exocriene pancreas kan onderdrukt worden door het pancreatic polypeptide
B een defect in het CFTR-kanaal bij mucovisidose zorgt voor een gedaalde secretiecapaciteit van alkalisch sap uit de exocriene pancreas
C de endocriene pancreas is in volume belangrijker dan de exocriene pancreas 
D CCK en secretine versterken elkaars functie thv de exocriene pancreas

8) Op welke manier speelt het zure microklimaat in de darm een rol bij de vetvertering?

A het zorgt ervoor dat de vetzuren minder oplosbaar worden in de micellen
B het inhibeert de werking van het co-lipase
C het is noodzakelijk voor het gekoppeld transport van vetzuren over de apicale membraan mogelijk te maken
D het stimuleert de werking van het pancreatisch lipase

9) Wat is een mogelijke nevenwerking van een behandeling met aldosteron?

A stimuleert de maagzuursecretie
B inhibeert de mucussecretie

C kan constipatie veroorzaken

D geeft aanleiding tot pyrosis

10) Wat is geen effect van secretine?

A stimuleert de antrale G-cel
B onderdrukt de maagzuur secretie
C stimuleert de vrijzetting van alkalisch sap uit de exocriene pancreas
D stimuleert de aanmaak van galsap

11) Wat verlaagt de gastrinaemie?

A zollinger-ellison syndroom
B toedienen van protonenpomp-inhibitoren
C achlorhydrie
D intraveneus toedienen van secretine

12) Welke eigenschap is juist met betrekking tot de primaire peristaltische golf in de slokdarm?

A het is een bidirectionele golf
B het is een monofasische drukgolf
C ontstaat na lokale dilatatie
D ontstaat na relaxatie van de LOS

13) Wat is het verschil tussen primaire en secundaire peristalsis in de slokdarm?

A de primaire wordt centraal geregeld terwijl de secundaire lokaal geregeld wordt
B de secundaire komt na de primaire in de tijd
C de secundaire is bidirectionaal en de primaire is unidirectioneel
D de primaire kan ontstaan op elk moment van de dag terwijl de secundaire alleen prandiaal ontstaat

14) Wat draagt bij tot het verhinderen van de doorgang van voedselbrokken naar de luchtpijp tijdens het slikken?

A constrictie van de farynxspieren
B contractie van de LOS
C deglutitieve apnee
D de beweging van de tong tegen het harde gehemelte

14) Wat is het verschil tussen de primaire en de secundaire galzouten?

A de primaire zijn geconjugeerd en de secundaire niet
B de secundaire worden aangemaakt in het colon
C de secundaire zijn wateroplosbaar en de primaire niet 
D de primaire zijn cholesterolderivaten en de secundaire niet

15) Waar wordt indirect bilirubine omgezet naar direct bilirubine

A lever
B galblaas
C darm
D pancreas

16) Een gastric bypass kan leiden tot het dumping-fenomeen. Hartslag daalt, duizeligheid, flauwvallen.. Wat veroorzaakt deze symptomen?

A de maagmotiliteit neemt af waardoor er minder snel voedsel verteerd wordt
B door het verlies van de geregelde ledigingsfunctie van de pylorus worden de enterocyten van de dunne darm overspoeld met nutriënten.
C er worden minder galzouten geproduceerd waardoor er minder vet verteerd wordt
D door het verlies van de sterilisatiefunctie van het maagzuur treden er sneller infecties op

17) Welke aandoening kan zowel door atrofie van de maagmucosa als door atrofie van de dunne darmmucosa veroorzaakt worden?

A hypoalbuminemie
B pernicieuze anemie
C nachtblindheid
D achlorhydrie

Voeding

1) Een student (m) die bij u op kot zit (21 jaar, 84 kg voor 1.75 m, BMI 27.4) drinkt dagelijks 4 glazen wijn. Hijvraagt of hieraan een risico verbonden is. Wat zou u hem antwoorden? Motiveer uw antwoord.

2) Welke groepen patiënten lopen in onze regio het risicoop vitamine B1 gebrek?