Vaardigheden en communicatie-2 (E06Y0A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken


Algemeen

Bij het voltooien van dit opleidingsonderdeel is de student in staat om een interview af te nemen waarin verbale en nonverbale vaardigheden van actief luisteren toegepast worden. De student leert het belang inzien van goede communicatieve vaardigheden voor een arts en kweekt een houding aan waarbij hij een vertrouwensrelatie kan leggen en het perspectief van de ander open bevragen. De student leert een gesprek analyseren en op een constructieve manier erover te rapporteren. De student kan reflecteren over de eigen communicatiestijl en die van anderen en over de implicaties voor de zorgrelatie.

De student kent het belang en de techniek van de anamnese. Hij/zij kan een omschrijving geven van de meest courante ziektebeelden met de bijhorende klachten, de klinische tekenen en weet hoe deze met een klinisch onderzoek op te sporen. De student kan een algemeen klinisch onderzoek uitvoeren en kan het onderscheid maken tussen normale en pathologische bevindingen. De student weet hoe bevindingen in het medisch dossier gerapporteerd moeten worden.

De student kan referentiekaders begrijpen rond de premedische fase, vraagstelling, opvang en klinisch redeneren. Hij krijgt inzicht in het consultvoeren en leert enkele communicatietechnieken. De student heeft in de huisartspraktijk een eerste inzicht verworven in de wijze waarop patiënten zich bij de arts aanmelden met hun klachten, bezorgdheden en en verwachtingen; de student verwerft eveneens inzicht in hoe de arts hiermee omgaat vanuit een patiëntgerichte visie op geneeskunde.

De student heeft actief deelgenomen aan verschillende aspecten van het verpleegkundig werk (o.m. hygiënische zorg, infectiepreventie en steriliteit, toediening van medicatie, venapunctie, infuus, wondzorg, blaascatheterisatie) . De student kan in team werken en reflecteren over het eigen functioneren en over de rol van de verschillende zorgverleners (artsen, verpleegkundigen, zorgkundigen, logistieke helpers, kinesitherapeuten, apothekers, maatschappelijk assistenten, ergotherapeuten).

Examenvorm

Het examen bestaat uit een schriftelijk meerkeuzevraag examen (met giscorrectie), waar alle opleidingsleeractiviteiten worden bevraagd.


Aanwezigheid tijdens de practica (klinisch onderzoek practicum en interview), deelname aan de stages en terugkomdagen (verpleegstage, patiëntenzorgstage) en het maken van de bijhorende opdrachten (e-portfolio) is verplicht. Voor de patiëntenzorgstage omvat dit ook het opladen van het groepsverslag in toledo.

Na afloop van het practicum interview wordt een individueel verslag gemaakt.

Indien een stage als onvoldoende wordt beoordeeld door de stagesupervisor, volgt er na een gesprek met de stagecoördinator (verantwoordelijke vanuit Leuven) een remediëring. Het opnieuw afleggen van de stage behoort tot de mogelijkheden.


Je kan pas deelnemen aan het meerkeuzevraag examen indien een pass werd behaald op de twee stages (verpleegstage en patiëntenzorgstage). Het resultaat van dit examen (op 20) is het resultaat voor het gehele OPO.

Deeloverdacht voor de OLA's 'verpleegstage' en 'inleiding tot de patiëntenzorgstage' wordt toegekend bij het behalen van een pass.


Rapport professionele houding

De aanwezigheden van klinisch onderzoek practicum, interview en de terugkomdagen dient de student bij te houden aan de hand van een aanwezigheidsfiche in zijn/haar Rapport professionele houding (zie Toledo). Ook de volledigheid van de opdrachten in het e-portfolio gekoppeld aan beide stages wordt mee verrekend in het Rapport professionele houding. De controle van de aanwezigheidsfiche en de opdrachten gebeurt bij de stationsproef aan het eind van de 3e bachelorfase in het station 'professioneel gedrag'.

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen) - Een weekend goed doorleren is normaal gezien voldoende om voor dit vak te slagen. Het is over het algemeen geen zwaar examen. Er zitten elk jaar wel ook enkele detailvragen in om de differentiëren, maar buizen omdat je de kleine details niet kent, zal normaal niet gebeuren.


Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

Sjabloon:Vaardigheden en communicatie-2 (E06Y0A)/bestanden


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen)

Examenvragen '14-'15

1. Welke dikte van naald wordt gebruikt voor een intramusculaire inspuiting?

a) 16G

b)18G

c) 22G

2. Bij een intradermale inspuiting met een naald van 1 cm lang, moet je een huidplooi nemen.

a) juist

b) fout

3. Hoe heet een ontstoken kliertje van Meiboom?

a) Hordeolum

b) xanthelesmata

c) Entropion

d) Ectropion

4. Wat is geen oorzaak van hemoptysis?

a) longembool

b) laryngitis

c) pneumonie

d) stollingsprobleem

e)broncheocarcinoma

5. Wat is geen teken van leverproblemen?

a) erythema palmarum

b) erythema nodosum

c) flapping tremor

d) ascites

e) caput medusae

6. Gauger is een maat voor de dikte van naalden. Welke uitspraak klopt?

a) Hoe meer G, hoe dikker de naald

b) Hoe meer G, hoe dunner de naald

7. Als adviserend arts van de mutualiteit stel je naast de ziekte waardoor de patiënt arbeidsonbekwaam is ook nog een andere noemenswaardige ziekte vast. Wat kan/moet je doen?

a) De behandelende arts inlichten in naam van gedeeld beroepsgeheim, zonder hier de toestemmig van de patiënt voor te vragen

b) De patiënt zelf behandelen

c) De patiënt inlichten

d) Beide aandoeningen in het verslag voor de mutualiteit schrijven

8. Een man van 82 jaar met diabetes is door complicaties al blind aan een oog. Hij is immers een echte bourgondiër en volgt zijn dieet niet goed op. Hij moet nu een operatie ondergaan , waarbij er een kans is van 0.08% dat hij ook blind gaat worden aan het 2e oog. Moet je hem dit melden?

a) nee, de kans is zelfs minder dan 1% dus dit is niet relevant

b) ja, zo'n risico moet je altijd meedelen, ongeacht de levensomstandigheden van de patiënt

c) ja, dit is voor hem relevant aangezien hij al aan 1 oog blind is

d) nee, hij gaat toch niet meer lang leven wegens zijn gedrag en leeftijd

9. Een vrouw van 67 die bij jou bekend is met dementie komt bij jou met het probleem dat ze vaak urine verliest. Dit gebeurt het vaakst als ze moet hoesten of plots moet lachen. Welke diagnose is het meest waarschijnlijk?

a) Stress incontinentie

b) Urge incontinentie

c) Constipatie

d) Overloop incontinentie

10. Welk van de volgende behoort niet tot de algemene anamnese?

a) Systeemanamnese

b) Medische voorgeschiedenis

c) Familiale anamnese

d) cardiovasculaire anamnese

e) pijnanamnese

11. Wat betekent pollakisurie?

a) nachtelijk plassen

b) een vergroot urinedebiet

c) vaak moeten plassen

d)

e)

12. Een man komt bij u en zegt dat hij sinds enkele weken problemen heeft met het doorslikken van een stuk biefstuk. Vloeistoffen zijn echter geen probleem. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

a) Dysfagie met een organische oorzaak

b) Dysfagie met een functionele oorzaak

c)Odynofagie met een organische oorzaak

d) Odynofagie met een funtionele oorzaak

13. Welk van de volgende veroorzaakt geen pitting oedeem?

a) Diepe veneuze trombose

b) hartdecompensatie

c) gevorderd lymfoedeem

d) nefrotisch syndroom

14.Wat is juist in verband met loslaatpijn?

a) loslaatpijn ontstaat door langzaam indrukken van het abdomen en dan plots loslaten

b) loslaatpijn treedt op bij wandpijn

c) loslaatpijn komt vaak voor bij geveinsde pijn

d) loslaatpijn komt vooral voor bij zwangere vrouwen

15.Wat zorgt voor carpopedal spasme?

a)Hoog Ca, laag Mg

b)Hoog Ca, hoog Mg

c)Laag Ca, laag Mg

d)Laag Ca, hoog Mg

16.Wat vraag je aan de patiënt tijdens een schildklier onderzoek?

a) "33" te zeggen

b) tong uitsteken

c) te slikken

d) aaaa zeggen

17.Wat kom je eerst tegen bij de percussie van de thorax richting abdomen bij de overgang van sonoor naar dof?

a) Bovenrand lever

b) Onderrand lever


18. Wat komt overeen met het QRS complex tijdens auscultatie hart?

a) eerste toon

b) tweede toon

c) derde toon

d) vierde toon

19.Wat is de normale ademhalingsfrequentie van een gezonde volwassene?

a) 25-30

b) 20-25

c) 14-20

d) 10-14

20.Waar palpeer je de rechter ictus?

a) tussen 2e en 3e IC rechts midclaviculair

b) tussen 3e en 4e IC rechts parasternaal

c) tussen 4e en 5e IC midaxillair

d) tussen 3e en 4e IC links parasternaal

21. Wat is waar in verband met subclavian steal?

a) pijn in de arm bij het oplichten ervan door een proximale trombose in de a subclavia

b) syncopaal worden bij inspanning met de arm met een proximale vernauwing a subclavia

c) gevoelloos worden van de arm bij het oplichten ervan door proximale trombose in de a subclavia

d) het betekent syncopaal worden bij het draaien van het hoofd door afsnoeren a carotis interna

22. Invasie van de sympatische keten geeft:

a) bilaterale ptose

b)

c) ongelijke pupillen

d)

23. Wat zorgt voor toegenomen stemfremitus?

a) pneumonie

b) pneumothorax

c) laryngitis

d)

24.Welke aandoening komt overeen met hypersonore percussie rechts, geen ademgeruis rechts en geen expansie thorax rechts.

a) pneumothorax

b) pneumonie

c) longembool

d) geen van de 3

25. Hoe sluit je een kraan die geen voet of elleboogbediening heeft:

a) Eerst handen afdrogen dan kraan sluiten om de kraan niet nat te maken

b) Kraan sluiten met papieren doekje na afdrogen handen

c)

26. In welke situatie draag je niet-steriele handshoenen?

a) contact met besmette culturen

b) potentieel contact met besmette vloeistoffen zoals bloed, urine,...

c) contact met slijmvlies

d) alle drie

27.Als je poeder oplost in fysiologisch water, verwijder je de naald dan bij het mengen?

a) ja

b) nee

28. "Dag meneer Janssens, vertel het eens!" is een voorbeeld van:

a) gesloten communicatie

b) open communicatie

c) te afstandelijke communicatie

d) passief luisteren

29."Mevrouw kunt u dat eens meer verduidelijken?" is een voorbeeld van:

a) passief luisteren

b) actief luisteren

c) open communicatie

d) gesloten communicatie

30. Charlotte (58jaar) heeft al een achttal jaar type 2 diabetes. De laatste maanden heeft ze heel hoge Hgb-waarden omdat ze zich niet meer aan haar dieet houdt. Haar zoon is een half jaar geleden overleden en ze vindt troost in snoep. Hoe ga je haar als arts best motiveren om haar gedrag te veranderen?

a) Je zegt dat je begrijpt hoe moeilijk deze tijd voor haar is en gaat samen met haar op zoek naar suikervrij snoep om haar snoep te vervangen.

b) Je zegt dat het normaal is dat ze hervalt en probeert samen met haar de beste manier te zoeken om haar dieet weer op te nemen, lerende uit de fouten die ze nu gemaakt heeft

c) Je maakt haar duidelijk dat ze door dit gedrag veel risico's loopt op complicaties van de diabetes.

d) Je stelt haar voor om haar medicatie te verhogen omdat ze momenteel door een moeilijke periode gaat

31. Wat is patient empowerment?

a) De patiënt moet zijn ziekte in eigen handen nemen

b) De patiënt voldoende informeren zodat die zelf in staat is te beslissen over het "beleid" van zijn ziekte

c) De patiënt wijzen op zijn verantwoordelijkheden in zijn zorgproces

d)

32. Bij sommige geneesmiddelen kan er bijbesmetting optreden als je ze te lang bewaart. Bij welke is dit het geval?

a) jood-derivaten

b) alcholische oplossingen

c) waterige oplossingen

33. Wat gebruik je als je een vuile wonde wilt uitspoelen met fysiologische vloeistof?

a) ontsmettingsmiddelen op basis van water

b) alcoholische oplossingen

c) NaCl 0.9%


34. Wat is fout ivm shared decision making?

a) verhoogt therapietrouwheid

b) betrekt de patiënt

c) je begint met het geven van de mogelijke behandelingen

d)

35) Wat kan je in de rechter fossa iliaca ausculteren?

a) Stenose in de nierarterie

b) Stenose in de a mesenterica inf

c) Stenose in de v mesenterica inf

d)Stenose in de a iliaca interna

e) geen van voorgaande

36) Er komt een patiënt bij jou op consultatie en zegt "Dokter, ik heb hoofdpijn" Jouw antwoord is....

a) Waar zit de hoofdpijn?

b)Vertel me eens wat meer over die hoofdpijn?

c)Heeft u de laatste tijd last gehad van stress?

d)Wat zou volgens u die hoofdpijn kunnen veroorzaakt hebben?


37) Niet-steriele handschoenen worden verwijderd na elk patiëntcontact

a)juist

b)fout

38) Wat is geen teken van peritonitis?

a)Spierverzet

b)Loslaatpijn

c)Pijn bij hoesten

d)Vervoerspijn

e)Positief teken van Carnet

39) Wat is juist ivm Petechiën?

a) Zijn 1à2cm

b) Zijn niet-wegdrukbaar

c)

d)

40) Wat is geen teken van Cushing?

a) Purpurae

b)Striae

c)Fractale huid?

d)spider naevi


41) Wat is geen teken van Retrosternale pijn?

a)hypogastrische pijn

b)pijn tussen schouderbladen

c)Tandpijn

d)pijn in de rechter bovenarm


42) Een man komt binnen op spoed met al een 1uur lang last van buikpijn, wat is juist?

a) hij heeft een maagulcus

b) myocardinfarct

c) pancreatitis

d) a,b en c zijn juist

e) b en c zijn juist


43) Hoe lang moet je de huid onstsmetten voor een venapunctie?

a)5s

b)10s

c)15s

d)30s


44) Patiënt heeft teken van Murphy, wat is de diagnose?

a)Pancreatitis

b)peritonitis

c)cholecystitis

d)gastro-enteritits