Van cel naar weefsel: functie (E04Y1A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken



Algemeen

In dit opleidingsonderdeel verwerf je gedetailleerde kennis over de werking van verschillende celtypes in ons lichaam. Er wordt verder gebouwd op de algemene principes die aangebracht zijn in het opleidingsonderdeel "van fysicochemische processen tot de cel". De nadruk ligt nu echter op gespecialiseerde kennis over hoe een specifiek celtype zijn functie in het lichaam volbrengt. Bij het voltooien van dit opleidingsonderdeel ben je in staat om:

1. gedetailleerd een fysiologisch proces te begrijpen en te analyseren (welke receptor, welk cellulair signaal, welke uitwerking op het organisme)

2. kritisch na te denken over fysiologische onderzoeksresultaten

3. zelfstandig een studie-strategie te organiseren en uit te werken.


Het doel is te begrijpen hoe de eigenschappen van enkelvoudige cellen geïntegreerd worden tot de functie van een weefsel, zoals bvb de nier of het hart. We behandelen belangrijke cellulaire processen zoals prikkelbaarheid, secretie, motorische mechanismen, informatie-uitwisseling tussen cellen, enz. De klemtoon ligt op fysiologische mechanismen zoals die plaatsvinden in een gezond individu. In bepaalde gevallen zullen we pathofysiologische situaties bekijken waarin het beschreven mechanisme fout loopt of waarin het als therapeutisch ingangspunt gebruikt wordt. Specifiek is het belangrijk dat je vanaf nu gedetailleerd kennis verwerft over cellulaire mechanismen. Welk proteine, welke subvorm, is belangrijk voor welke functie. Als aanvulling zullen principes van de electromechanica aangehaald worden, voor zover ze in de cursus aan bod komen.

Examenvorm

Het examen kan bestaan uit 2 types vragen: 1) 1 of 2 kennisvragen: bespreek-vragen en/of illustreer-vragen 2) een reeks meerkeuzevragen. Deze omvatten kennisvragen, redeneringsvragen en korte vraagstukken. De facultaire giscorrectie-regels gelden.

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen)

- Bij dit vak is het bijzonder belangrijk dat je goede notities hebt bij de slides. Zonder notities zijn de slides vaak heel moeilijk om te begrijpen, aangezien op de meeste slides enkel een grafiek/tekening/tabel staat zonder bijkomende uitleg. Er is voor dit vak bovendien ook geen handboek dat echt gevolgd wordt. Het boek Bouron en Boulpaep kan wel helpen als naslagwerk wanneer je zaken niet snapt. Dit boek heb je bovendien in het 2e jaar sowieso nodig voor het vak Bloed en Bloedsomloop, dus het is zeker geen tevergeefse investering.

- Het vak kan nogal chaotisch overkomen. Probeer zelf structuur aan te brengen in de slides.Het is belangrijk om goed in detail te leren en mechanismen echt te begrijpen.Zorg vooral dat je de grafieken goed snapt. Deze vraagt hij op het examen en daaraan hangt hij zijn leerstof op. Begin ook op tijd aan dit vak! De leerstof is moeilijk, gedetailleerd en meer dan wat het op het eerste zicht lijkt. Onderschat het dus niet!

Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

 

In deze bestanden is de leerstof uit de overeenkomstige werkzittingen te vinden. Vooral nieuwe informatie wordt aangegeven zonder leerstof uit andere lessen te herhalen. Ik sta niet garant voor de informatie in deze bestanden.

- File:Leerstof_neuromusculaire_junctie.docx

- File:Leerstof_verdiepingsles_centrale_synaps.docx


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen)

Examenvragen 2017-2018

Open vragen MAAK EEN SCHEMA!!!! Vraag 1. Teken de relatie tussen contractiekracht, Ca-stroom van L-type Ca,v-kanalen en membraanpotentiaal in skeletspiercellen en hartspiercellen. Welk fundamenteel verschil tussen de twee wordt hiermee duidelijk?

Vraag 2. Bespreek de mechanismes van Ca-homeostase in ons lichaam. Ken je relevante hormonen? Ken je relevante epithelen? Ken je een relevante ziekte? (zat deze ook in reeks 1? Die zat ook in reeks 2) ja :) Calcitonine, calcitriol, PTH (zie cursus) Epitheel Hypercalcemie (zie cursus)

MKV

1. Afbeelding van epitheelcel in TAL (met NKCC apicaal, Na/K-pomp en Cl-kanaal basolateraal), wat ontbreekt apicaal?

Na-kanaal
Na/K-pomp atpase
K-kanaal

2. Wat is juist ivm LTP:

Verhoogde expressie van AMPAR postsynaptisch
Verhoogde exocytose van NachR
Verhoogde exocytose van NMDA-Receptoren
Sterkere AP na prikkeling


3. Wat is fout ivm neuronale AP:

Na+ stroom is maximaal net voor piek AP
Na instroom is maximaal als depol volledig is
K+ stroom is maximaal bij volledige repolarisatie
Na+ instroom duurt gedurende hele AP

4. HCl wordt toegevoegd in een cel, wat is juist?

Cl/HCO3-uitwisselaar wordt geactiveerd
Na/H-uitwisselaar wordt geactiveerd
De drijfkracht voor protonen stijgt 
Vermindering van CA II activiteit (=carbon anhydrase): Je hebt meer HCO3- nodig dus activiteit stijgt

5. Gegeven: waardes van pH(in), pH(uit), p(CO2), conc(CO2), conc(HCO3) denk ik ook. Een interventie doet p(CO2) verdubbelen, wat is juist?

De totale bufferconcentratie daalt na de interventie
De pH(in) daalt
De buffercapaciteit daalt na de interventie


6. Wat is juist: ivm respiratoire acidose

Acidose zorgt voor verhoogde pH
Respiratoire acidose ontstaat door verlaagde CO2 
Nieren compenseren voor acidose door excretie van HCO3- in urine
Respiratoire acidose stimuleert de acid loaders (de zuurbelasters) en inhibeert de acid extruders (de ontlasters)

7. Vraag over de ncx kanaal:

A) Tijdens Ca gradiënt is er Ca instroom en Na uitstroom
B)Tijdens de Ca gradiënt is er Na instroom en Ca uitstroom
C) NCX is niet actief tijdens DD, enkel tijdens upstroke.

8. Iets met haarcellen in een oor, wat klopt niet?

Bij een Vm = -70mV is er een positieve K stroom in de binnenste haarcel aan de apicale zijde
TMC is een mechano gevoelig kanaal in de haarcel
Buitenste haarcellen kunnen contraheren

9. Wat klopt voor het centrale zenuwstelsel?

A) Synaps altijd op dendrieten
B) Neuron kan post-synaptisch meer synapsen vormen, pre-synaptisch maar 1? Ofzoiets Kan deze niet?
C) Aantal synapsen kan veranderen dmv leren en geheugen


10. Wat klopt WEL voor het autonoom zenuwstelsel?

Neuropeptiden en NT zoals NO en ATP behoren tot het NANC systeem
Sympatisch NT is enkel adrenaline
Parasympatisch NT is enkel acetylcholine
Bij parasympatisch ganglion is de NT acetylcholine en is er een nAchR

11. Wat klopt niet over CFTR?

Bij blok van CFTR iets met zout en zweet
Bij blok van CFTR kan je resistent zijn tegen cholera
Bij blok van CFTR iets met vochtsecretie en darm
Bij blok van CFTR zal pancreas meer HCO3 secreteren

11. Vraag over tekening (epitheel van collecting duct nier): En dan “wat klopt”?:

Iets met blokkeren van EnaC zal K-secretie verminderen
Blokkeren apicaal K kanaal zal K secretie verminderen
Blokkeren basolateraal K kanaal zal K secretie verminderen 

12. Vraag over geur en smaak:

Uitschakelen van TRPM5 zal zoet, umami en bitter uitschakelen, maar zout en zuur niet.
In de reukreceptoren wordt GEEN AP gegenereerd.

13. Welke stroom van K-kanaal zorgt voor “delay”:

Ia (A-stroom)
Im
Kv
Ca afhankelijk K-kanaal

14. Wat is waar over Latch-toestand:

Actine en myosine blijven langer gebonden.
In elk spiertype komt dit voor
Geen ATPase activiteit meer
Snellere contractie

15. Vraag over lichtreceptor: “wat gebeurt er bij licht fsoiets”:

Ca-influx daalt
Meer glutamaat vrijzetting
Depolarisatie
Exocytose van rhodopsine fsoiets

16. Wat is het effect van het verhogen van de input-resistance op chronaxie en tijdsconstante?

allebei omhoog
De chronaxie ongevoelig maat T daalt (of stijgt weet ik niet meer)
De tijdsconstante is ongevoelig maar de chronaxie daalt
?

17. Wat is FOUT over de on en off bipolaire cellen van de fotoreceptorcel? Is het niet wat is fout? Dan is het D nee?

On bipolaire cellen zullen depolariseren bij lichtinval (zoiets?) 
Receptorcellen communiceren met on en off bipolaire cellen
Glutamaat regelt de neuronale werking van de on en off bipolaire cellen of zoiets
In het donker is in de off bipolaire cel TRPM1 het minst actief

18. Welke uitspraak over spanningsafhankelijke ionkanalen is juist?

Ze inactiveren
De open probabiliteit verandert tijdens een AP

2 vragen over on en off bipolaire cellen 1 vraag was antwoord dat elke receptiecellen een on en een off vast heeft. Andere was iets over op wat ze reageren (glutamaat)

REEKS 2

Open vragen MAAK EEN SCHEMA!!!! Bespreek de mechanismen van extracellulaire Ca-homeostase in ons lichaam. Ken je relevante hormonen? Ken je een relevant epitheel? Ken je een relevante ziekte? Gebruik een schema.

Calcitonine, calcitriol, PTH (zie cursus)
Epitheel
Hypercalcemie (zie cursus)

Bespreek de regulatie van de contractiekracht in een skeletspiercel en licht de belangrijkste verschillen met de hartspiercel toe. Gebruik een schema.


Vragen herexamen:

1. Bespreek ENaC (Gebruik schema, Structuur, eigenschappen, bloeddrukregeling, regeling)

2. Bespreek de lichtperceptie (Types, signaaltransductiecascades, link met CNS)


Examenvragen 2016-2017

Open Vraag 1:

Bespreek de acetylcholine receptoren. Welke types ken je? Wat is hun functie? Wat is hun fysiologische werking? Geef als voorbeeld van de fysiologische werking in het autonoom zenuwstelsel de overgang van pre- naar post-synaptisch en van post-synaptisch naar de hartspier (doelwit orgaan).GEBRUIK EEN SCHEMA! (max 2p. 6 punten)

Open Vraag 2:

Bespreek CFTR in de cryptcellen van de darm. Hoe ziet zo’n epitheelcel er uit? Functie & mechanisme? Ken je pathologieën? Ken je iets over de vochtsecretie? Hoe werkt dit precies? Weet je iets over de drijvende kracht voor deze transport mechanismen? En regulatie?

1. Als je zowel zoet als umami wil uitschakelen in een KO muis, welke receptor pak je dan het beste aan?

A: TRPM5
B: Nav
C: T1R3

2. Als je HCl toevoegt aan een cel, wat zal er dan waarschijnlijk gebeuren?

A: Stijging van de Na/H activiteit
B: Stijging van de Cl/HCO3 activiteit
C: Minder CAII activiteit
D: Daling van drijvende kracht voor protonen

3. Welke uitspraak is juist?

A: Dalen van de inputresistance doet de tijdsconstante stijgen
B: Stijging van de inputresistance doet de tijdsconstante dalen
C: Dalen van de inputresistance doet de tijdsconstante dalen
D: Er is geen verband tussen de inputresistance en de tijdsconstante

4. Baroreflexboog, wat is fout?

A: Bloeddrukstijging zorgt voor sympatische stimulatie en parasympatische inhibitie
B: Efferente neuronen zijn zowel sympatische als parasympatische neuronen

5. Wat is juist? Licht induceert

A: Verminderde Ca influx
B: Stijging rhodopsine activiteit
C: Hogere cGMP activiteit

6. Wat is nodig voor LTP?

A: Verhoogde expressie van AMPA R post synaptisch
B: Verhoogde expressie van NMDA R
C: Acetylcholine vrijzetting post synaptisch
D: Verhoogde pre synaptische exocytose

7. Wat zorgt voor contractie in een vasculaire gladde spiercel?

A: Meer actief PKA
B: Daling cGMP 
C: meer actief PKG 
D: stijging cAMP

8. Welke uitspraak over het exocytose proces van neurotransmitters is juist?

A: NSF is een ATP-ase dat het SNARE complex ontwindt
B: SNAP25 en synaptobrevine zijn proteïnen die in de celmembraan voorkomen en niet in het vesikel
C: Botox stimuleert vesikel vrijzetting

9. Welke uitspraak over spanningsafhankelijke ionkanalen is juist?

A: Ze inactiveren 
B: Ionenkanalen kunnen openen, deactiveren en inactiveren.
C: zijn uitwaarts rectificerend
D: Het zijn tetrameren 
E: De open probabiliteit verandert tijdens een actiepotentiaal

10; Welke uitspraak over het hart is juist?

A: Verhogen van de afterload zorgt voor een afname in contractiesnelheid 
B: Verhogen van de preload zorgt voor een toename in contractiliteit
C: Er is geen correlatie tussen preload en contractiesnelheid
D: Er is geen correlatie tussen preload en contractiliteit

11. Welke uitspraak is juist?

A: Geur en smaak activeren allebei CNG kanalen
B: Geurreceptie is fasisch, bij lange stimulatie worden de receptoren geïnactiveerd. 

12. Welke uitspraak over het oor is fout?

A: Piezo 1 kanalen zijn mechanogevoelige kanalen in de haarcellen 
B: Buitenste haarcellen kunnen contraheren
C: Basolateraal is de drijvende kracht voor K positief
D: Binnenste haarcellen stellen NT vrij bij excitatie

13. Wat is er fout over de calcium homeostase?

A: TRPV5 en TRPV6 zijn zeer belangrijk voor calcium reabsorptie uit darm en nieren
B: PTH wordt gesecreteerd door de bijschildklier bij een lage intracellulaire calcium concentratie
C: Calcitonine zorgt voor botopbouw
D: Calcitriol zorgt voor secretie Ca via stoelgang en urine

14. Tekening van epitheel in TAL van nier: Welk kanaal (ROMK) ontbreekt er?

A: apicaal K kanaal
B: Apicaal Na-K-pomp
C: Apicale Na-kanaal

15. Vraag over on- en off-bipolaire cellen, wat is fout?

A: 1 receptor cel communiceert met 2 cellen
B: Off-bipolaire cel gaat glutamaat vrijzetting induceren door T1RM5 te stimuleren (een off-bipolaire cel gebruikt toch ook geen T1RM5? Dat is toch de onbipolaire cel?)
C: Een off-bipolaire cel gaat hyperpolariseren in het donker
D: Een on-bipolaire cel gaat depolariseren in het licht

16. Pco2 verdubbelt

A: pH daalt
B: HCO3- conc. daalt
C: Iets met de totale bufferconcentratie 

17. Ek= -90, ENa=70 membraanpotentiaal = 70. Wat is juist?

A: Uitwaartse en inwaartse flux van Na is gelijk.
B: De cel depolariseert
C: Flux K = flux Na
D: Intracellulaire en extracellulaire Na concentratie is gelijk

18. wat is fout met betrekking tot dit epitheel?

A: Na+ reabsorptie
B: K+ secretie
C: amiloride, een kalium sparend diureticum, inhibeert K+ kanalen

19. wat klopt voor ATP?

A: enkel metabotroop
B: enkel via exocytose
C: enkel cAMP stijging
D: geen van bovenstaande

20. Wat is fout?

A: TRVm5 is een belangrijk  kanaal in nierepitheel voor Ca opname 


Herexamen '14 - '15

Twee grote vragen op 6 pt. 1. Bespreek LTP (wat is het, cellulaire mechanismen,...) 2. Bespreek de M-stroom (type kanaal, celtype, structuur & eigenschappen, blokker, rol, werking)

20 meerkeuzevragen op 8 pt

Examenvragen '14 - '15

Reeks 1:

1ste grote open vraag (6 punten)Beschrijf de cholinerge synaps (waar ACh de voornaamste NT is) ahv een voorbeeld. Bespreek hoe het gemaakt wordt, farmacologie,...Antwoord:Neuromusculaire junctie met N1 receptor volledig tekenen en beschrijven + al die remmers zoals TTX,STX, omega-conotoxin,...Niet zo uitgebreid bespreken:N2 receptor M1,3,5 M2 (in het hart)

2de grote open vraag (6 punten). Bespreek de relatie tussen krachtontwikkeling en snelheid tot contractie in de hartspier. Teken hillcurve. Is er een verschil tussen grote en kleine preload? Leg uit.

1) Gegeven Ca2+ concentratie en krachtontwikkeling van een spier. Na dat je iets met die spier doet, stijgt kracht maar Ca2+ concentratie niet. Wat heb je gedaan?

A: Verhogen van preload.

B: Verhoogde prikkeling

C: Stimulatie met ACh

D: Stimulatie met adrenaline

2) Gegeven: Vm, Ek, ENa. Conductanties van zowel Na als K worden verdubbeld. Welk van volgende parameters verandert (relatief gezien) het meest?

A) Vm hyperpolariseer

B) Vm depolariseert

C) K-stroom.

D) ENa (?)

3) iets over CAP (werkzitting)4) Inhbitie van A stroom zal:

A: Drempelpotentiaal verhogen

B: Frequentie doen dalen

C: Frequentie daalt eerst en stijgt dan

D: Na een eerste AP is cel niet meer prikkelbaar/onstaat er geen AP meer ofzo

4) Chronaxie:A: stijgt bij stijging van membraancapaciteit.B: intensiteit van...C: helft van de tijd van prikkel met intensiteit 2x rheobase om drempel te halenD: halveert Vm

5) Wat is juist mbt een fotoreceptorcel

A: onder invloed van licht activeert Rhodopsine Gi (is Gq)

B: De Vm van de zal minder negatief worden in het donker.

C:

D:

6) wat zorgt voor de snelle depolarisatie in de SA knoop van het hart?

A: L type Ca2+ kanaal

7) Inhibitie van Na K pomp zal:A: cel hyperpolariserenB:

8) Als je een cel in een hypotoon milieu brengt, moet je aanpassen:

A: moet Ecl positiever zijn dan Vm (zodat Cl- uitwaarts dus (stond er niet bij)).

9) Wat is fout mbt tot een spanningsafhankelijk K kanaal

A: Gain of function verlengt AP

B: toedienen van glucose aan een pancreascel doet Kv kanalen sluiten

C: zijn altijd uitwaarts rectificerend

D: Zijn verantwoordelijk voor de M-stroom (of was het A-stroom?)

10)Wat is fout met betrekking tot het inhiberen van de Na/K pomp in hartspierweefsel?

A: Oubain inhibeert Na/K Pomp

B: De cel hyperpolariseert.

C: Celvolume neemt toe

D: Cel depolariseert

11)Wat doet de chronaxie toenemen?

A: verhogen van de rheobase

B: verhogen membraanoppervlak

C:

D: geen van bovenstaande.

12) Wat zorgt voor relaxatie in de gladde spier

A: Toedienen van Sildenafil (Viagra)

B: PKC.

C:

D:

13) Wat is juist en dan denk ik dat titine bijdraagt aan de passieve krachtontwikkeling in een spier?

14)Gegeven: een cel komt terecht in een hypotoon milieu. Wat is juist?

A: het celvolume daalt

B: De Na-kanalen beginnen te werken.

C: De cel depolariseert met zekerheid

D:


Reeks 2:


1e grote open vraag: Bespreek de moleculaire structuur van CFTR en zijn werking in Cl-secreterende cellen. Gebruik zeker Vm, Ecl en Vte.

2e grote open vraag: Bespreek ORAI en zijn aandeel in calciumsignalen in T-cellen + hoe worden deze signalen beïnvloedt.


1) Wat is fout ivm GABAreceptor:

A. Kan Cl stroom verhogen

B. kan Na stroom verlagen

C. kan K stroom verhogen

D. Bij een defect van deze ontstaat de 'Startle Disease'.

2) Een hartspier, een skeletspier en een gladde spier worden in een elektrisch bad gelegd (geen andere stoffen/NT + met bepaalde beginlengte). Bij welke spier is de contractie een alles-of-niets situatie.

A. hartspier

B. skeletspier

C. gladde spier

D. geen van bovenstaande

3) 4 grafieken: welke weergeeft AP van motorneuron

A. grafiek met korte piek (zoals skeletspier) met duur 25ms

B. grafiek met plateaufase met duur 25ms

C. grafiek met boog (zoals SA knoop hart) met duur 25ms

D. grafiek met korte piek met duur 300ms

4) insulinevrijzetting door K(ATP) --> proces wordt uitgelegd --> Waardoor ontstaat de trage depolarisatie van het membraan voor het effectieve begin van de bursts van AP?

A. L-type Ca kanalen

B. Na kanaal op achtergrond dat belangrijk wordt bij sluiten van K kanalen

C. Na/K transporter

D. Door de Glucose/ Natrium cotransporter om de glucose in de cel te brengen.

5) Waardoor wordt een motorneuron hyperexiteerbaar?

A. Verlaging van de input resistance en verlaging van Rheobase.

B. Verlaging van de input resistance en verhoging van Rheobase

C. Verhoging van de input resistance en verlaging van Rheobase

D. Verhoging van de input resistance en verhoging van Rheobase

6) Een cel wordt in een hypotoon milieu geplaatst. Wat gebeurt er?

A. De cel krimpt

B. Er is duidelijk iets mis met de KCC en NKCC kanalen

C. Er zal een Natrium influx ontstaan

D. De Ecl moet positiever zijn dan de membraanpotentiaal opdat Cl naar buiten gaat.


Examenvragen '13 - '14

Hoofdvragen

  • Beschijf de hartfunctie volgens het autonoom zenuwstelsel (ritme, contractiekracht). Mechanisme, neurotransmitters, "spelers",...
  • Beschrijf de mechanismen van plasticiteit in het zenuwstelsel, zowel op korte als op lange termijn (max. 3 bladzijden)
  • Bespreek het epitheliaal Na kanaal eNac (functie, structuur, regeling, fysiologische werking, ziekte)
  • Bespreek en vergelijk de licht en geur perceptie.
  • Bespreek alle Acetylcholine receptoren (hij impliceert dus Muscarinische en Nicotinische)

Korte open vragen

  • Low-volume hypothese bij CFTR: teken dit met alle kanalen (+ potentialen) en benoem de nodige transporters.
  • Teken een AP en de INa en IK tijdens deze potentiaal. Duid de assen goed aan en maak duidelijk hoe de stroom verloopt.
  • Teken naar eigen inzicht een epitheelcel die KCl van het lumen naar de interstitiële ruimte brengt. Maak duidelijk welke transporters zich in de apicale en basolaterale membraan bevinden en duidt EK en ECl aan.
  • Bespreek het mechanisme van H2O secretie in cryptcellen van de dunne darm, ken je een ziekte hieraan verbonden? (hier moet je basolateraal NKCC/NaK-ATPase tekenen, apicaal CFTR, K kanalen voor balans, ziektes zijn oftewel CF(muco) of Cholera)

Meerkeuze

  • Bereken de Vrust van een cel met Ek = -90 mV, ENa = +60 mV en waarbij de gNa dubbel zo groot is als gK.
a) -40 mV
b) -70 mV
c) 0 mV
d) +10 mV
  • Welke uitspraak over de latch-toestand in gladde spiercellen is correct?
a) Ook met een gedaalde Ca2+ concentratie blijft CaM werken en blijft MLCP eveneens werken
b) Het myosinehoofdje vertoont geen ATPase activiteit meer
c) Het myosinehoofdje blijft gebonden aan actine, ook al is het gedefosforyleerd
d) Er wordt nog extra kracht ontwikkeld
  • Wat klopt i.v.m. de M-stroom in de endogene pacemaker van het hart (SA- en AV-knoop)
a) De AP wordt langer
b) De helling van de diastolische depolarisatie wordt zwakker
c) De helling van de diastolische depolarisatie wordt steiler
d) ?
  • Wat klopt NIET over de waterhuishouding?
a) PTH wordt gesecreteerd als de Ca2+ concentratie in de bijschildklier verhoogd is
b) Hypercalciëmie kan behandeld worden door operatieve verwijdering van de bijschildklier
c) ?
d) ?
  • Wat veroorzaakt de nadepolarisatie in skeletspieren?
a) ?
b) Blokkade van de Cav kanalen
c) Influx via Kir kanalen
d) ?
  • Wat is het mechanisme achter de refractaire periode in neuronen?
a) ?
b) Kv kanalen die geïnactiveerd zijn
c) Nav kanalen die geïnactiveerd zijn
d) Cav kanalen die geïnactiveerd zijn
  • Beschouw een cel met een verdeling van chloride-ionen over de membraan die identiek is aan een passieve verdeling van deze ionen. Wat is zeker waar?
a) De ECl is minder negatief dan Vm
b) Openen van Cl-kanalen zal leiden tot depolarisatie
c) Openen van Cl-kanalen verlaagt de rheobase
d) Depolarisatie van -80 mV naar -50 mV zal ertoe leiden dat chloride-ionen de cel binnenstromen
  • Welk van volgende mechanismen zal contractie van de gladde spieren veroorzaken?
a) Activatie van PKG
b) Activatie van MLCP
c) Activatie van Rho-kinase
d) Verhoging van adenylaat cyclase
  • Chronaxie is:
a) rechtevenredig met de oppervlakte van de celmembraan van een neuron
b) de helft van de tijd nodig om een actiepotentiaal te verkrijgen met een prikkel met de intensiteit ven de rheobase
c) de intensiteit om de drempelpotentiaal te bereiken met een tijd 2xrheobase
d) ?
  • Wat is fout over de inactivering van Na kanalen?
a) Ca2+ geïnduceerde inactivering werkt via calmoduline
b)
c)
d)
  • Wat is er fout over de Ca2+ homeostase?
a) calcitriol zorgt voor opname van Ca²+ uit darm en nieren
b) PTH wordt gesecreteerd door exocytose na een intracellulaire Ca2+ verhoging
c)
d)
  • Welke van de volgende receptors inhibeert adenylaatcyclase via GPCR?
a) alfa-2 adrenerge receptor
b) H2 receptor
c) M2 adrenerge receptor
d) bèta 2 adrenerge receptor
  • Wat is juist over de LATCH toestand van gladde spiercellen?
a) Actine en myosine blijven gebonden nadat myosine gedefosforyleerd is
b) Er kan geen ATPase activiteit meer aangetoond worden in de cel
c)
d)
  • Welke uitspraak over het autonoom zenuwstelsel is fout?
a) acetylcholine wordt gesecreteerd door de bijnier
b) ganglia van het sympatisch zenuwstelsel kunnen zich paravertebraal bevinden
c) secundaire ganglia van het parasympatische zenuwstelsel bevinden zich vooral in de wervelkolom
d) neuropeptiden kunnen als neurotransmitters gebruikt worden bij post en preganglionaire synapsen
  • Wat is er juist over de verschillende types skeletspiervezels? I, IIa, IIb
a) De ca2+ transient is groter en korter bij IIb dan bij I
b) Ze hebben en ander type myosinehoofdje (MHC myosine havy chain)
c) De tetaneringsfrequentie van type IIb vezels is lager dan die van type I vezels
d)
  • Hoe zorgt atroiventriculair peptide (AVP) voor de insertie van AQP in het membraan
a) via V2-Receptor en cAMP
b) via V2-Receptor en Ca²+
c) via binding aan de V2 receptor die voor genomische effecten zal zorgen
d)
  • Wat zorgt voor contractie in de vasculaire gladde spier
a) sildenafil (viagra)
b) PKA
c) bèta2 adrenerge receptor
d) H2 receptor
  • Gegeven: ENa, EK, Vm en drempelpotentiaal. Gevraagd: wat gebeurt er als de conductanties van na en k verdubbelen?
a) De cel hyperpolariseert
b) Er ontstaat een actiepotentiaal
c) Iets met Ena (ik denk dat Ena positiever wordt)
d) Er is een verhoogde K+ uitstroom
  • Hoe kan je de rheobase van een cel verhogen?
a) 
b)
c) chronaxie verlagen
d)
  • Gegeven een gemyeliniseerd neuron met tijdsconstante t=1ms, Vm= -90mV, drempelpotentiaal=-50mv. De cel depolariseert tot +10mV na het toebrengen van een bepaalde stroom I. Wat is juist?
a) Na 1ms mag de membraan potentiaal niet positiever zijn dan -25mv om een AP te genereren.
b) 
c)
d)

Examenvragen '12 - '13

Juni 2013

Hoofdvragen

1) Bespreek hoe de regeling van de contractiekracht in het hart verloopt, zowel intrinsiek als extrinsiek.

2) Leg uit en vergelijk: de smaakperceptie met de reukperceptie (signaaltransductiecascade, verschillen, gelijkenissen)

3) Leg uit: LTP en LTD. Nut, hoe onstaat het, belangrijke factoren.

Korte open vragen

1) Gegeven: een epitheelcel met apicale en basolaterale pool. Duid alle transporters aan die nodig zijn voor NKCC-gekoppelde Na-reabsorptie in de TAL van een niernephron.

2) Gegeven: een actiepotentiaal. Schets de Na-stroom en de K-stroom synchroon tijdens deze actiepotentiaal. (slide 14, TRANS-5 in de cursus)

3) Vergelijk aan de hand van de Hill-curve een skeletspier, gladde spier en hartspier. Is deze curve altijd hetzelfde, of kan deze verschuiven? Zo ja, in welke omstandigheden?

4) Geef het epitheliaal transport in de cryptcellen van de darm (kanalen, transporter, paracelullair transport)

Meerkeuzevragen

1) Wat geldt er tijdens de Latch-toestand in gladde spieren?

     A) de myosinehoofdjes vertonen geen ATPase activiteit
     B) de krachtontwikkeling is altijd groter dan tijdens fasische contractie van gladde spieren
     C) ...
     D) ...

2) Wanneer is een LTP onmogelijk?

     A) in afwezigheid van extracellulair Calcium
     B) bij afwezigheid van AMPA receptoren in de presynaptische membraan
     C) ...
     D) ...

3) Wat is het effect van de Baro-reflexboog bij het uitrekken van grote bloedvaten?

     A) inhibitie van parasympatische neuronen, excitatie van orthosympatische neuronen
     B) excitatie van parasympatische neuronen, inhibitie van orthosympatische neuronen
     C) inhibitie van orthosympatische en parasympatische neuronen
     D) excitatie van orthosympatische en parasympatische neuronen

4) contractie van gladde spieren gebeurt vaak via Gq, PLC en stijging van intracellulair Calcium. Voor welke receptor is dit het geval?

     A) alfa-2
     B) Bèta-1
     C) alfa-1
     D) Bèta-2

5) Chronaxie is 0,5 ms, rheobase is 10 mA. Wat zal zeker nooit leiden tot een AP?

     A) 0,4 ms; 20 mA
     B) 0,1 ms; 90 mA
     C) ...
     D) ...

6) Gegeven: Vm, Ek, ENa. Conductanties van zowel Na als K worden verdubbeld. Welk van volgende parameters verandert (relatief gezien) het meest?

     A) Vm hyperpolariseert
     B) Vm depolariseert
     C) K-stroom
     D) ENa (?)

7) Gegeven: een grafiek met daarop een soort lengte-spanningscurve, welke stelling is fout? 1 geeft isotoon aan, 2 geeft isometrisch aan...

8) Wat veroorzaakt de diastolische depolarisatie?

     A) T-type Ca-kanaal
     B) L-type Ca-kanaal
     C) ...
     D) ...

9) Gegeven: 4 grafieken voor capacitatieve stroom bij hyperpolarisatie, welke is correct.

Examenvragen '12-'13 (oud programma)

1) Hoofdvragen

* Leg orthosympatische stimulatie van het hart uit (anatomie, neurotransmitters, receptoren, effecten)
* Bespreek ENaC (Structuur, activiteit, regulatie, belangrijkste functie, pathologie)
* Bespreek LTP en LTD (Defintie, belang, belangrijke spelers en wat weet je hierover, mechanisme)
* Bespreek: spanningsafhankelijk Na kanaal: structuur, activatie, mogelijke I/V-curve, regeling, belang bij welk proces en context, mogelijke
  ziekte (hoe ontstaat deze ziekte)

2) Kleine open vragen

* Leg het verschil tussen glad-, hart- en skeletspierweefsel aan de hand van een Hill-curve en kan deze Hillcurve verschuiven of is dit  
 altijd constant?
* Leg uit waarom men bij extreme dehydratatie een oplossing van Na+ en glucose geeft. (epitheelcel met apicale en basolaterale kant
getekend).
* Lance Armstrong heeft doping genomen en wil zijn verhoogde hematocriet oplossen door een glucose/zout-wateroplossing te drinken en zo zijn
bloedvolume te laten stijgen en hematocriet te laten dalen. Bespreek het mechanisme van de opname van glucose, Na en water in de epitheelcel.
* Geef aan de hand van schema's het verband weer tussen L-type Ca-kanalen en de contractiekracht voor zowel de skeletspier als het hart.
* Een acute behandeling tegen uitdroging bij diarree is het drinken van een oplossing van Na en glucose. Leg het mechanisme in de darm of

nier uit.

* Teken het verband tussen inkortingssnelheid en lengte van de hartspier. Wat is het mechanisme hierachter?
* Geef het furosemide afhankelijke epitheliaal transport in de nier. Teken een epitheelcel en geef alle belangrijke kanalen en transporters

weer. Hoe zal het transport van water verlopen?

* Hoe kan Bartter's syndroom ontstaan? Teken een epitheelcel met alle transporters die noodzakelijk zijn voor normale functie, en geef aan

welke getroffen kunnen worden. Wat zijn de gevolgen?

3) Meerkeuzevragen

  • Veel receptoren koppelen met een G-proteïne dat het adenylaatcyclase inhibeert. Voor welk van onderstaande receptoren is dit het geval?
A mGluR2
B Beta-adrenerge receptor
C M3 Muscarinische Ach receptor
D Geen van bovenstaande
  • Inderal (propanolol) is een beta-adrenerge receptor antagonist. Wanneer we deze stof acuut toedienen aan een hart in een langendorffopstelling zal het volgende effect waargenomen worden:
A Afname van de het maximale effect op de isotone spanning veroorzaakt door adrenaline 
B Verminderde hartfrequentie
C Verhoogde contractiliteit
D Geen van bovenstaande
  • Het anti-diuretisch hormoon zorgt voor een vermindere urine-productie door:
A Verhoogde ENaC-activiteit
B Meer CFTR
C Verhoogde membraan expressie van ENaC
D Geen van bovenstaande
  • Voor snelle skeletspiervezels geldt:
A Lage tetaniseringsfrequentie
B Hoge tetaniseringsfrequentie en de spieren zijn onvermoeibaar
C Lage tetaniseringsfrequentie en de vezels zijn snel vermoeid
D Geen van bovenstaande
  • Welk van volgende mechanismen zal waarschijnlijk relaxatie van de gladde spieren veroorzaken?
A Activatie van PKA
B Activatie van PKC
C Activatie van Rho-kinase
D Geen van bovenstaande
  • Tropinine-C heeft het volgende effect op de contractiecyclus in de gladde spier:
A Verhogen van de Ca-gevoeligheid van MLC
B Dissociatie van actine en myosine
C Initiëren van de dwarsbrugcyclus door Ca-binding
D Geen van bovenstaande
  • Intracellulaire pH = 7,2. Extracellulaire pH = 7,4. [HCO3]intra = 24 mM. [HCO3]extra = 2,4 mM. Vm = -60 mV.
A De intracellulaire pH zal dalen in de afwezigheid van actief transport 
B De H-stroom is extracellulair gericht 
C HCO3 beweegt uit de cel
D Geen van bovenstaande
  • Severe combined immunodeficiency syndroom (SCID) wordt veroorzaakt door een defect van :
A Een ClC-kanaal
B Een TRP-kanaal
C Een K-kanaal
D Een CRAC
  • Niet selectieve kationenkanalen die impermeabel zijn voor Ca (zoals TRPM4) zullen in mastcellen zorgen voor:
A Een verhoogde Na-influx na koppeling met Gq
B Een verhoogde Ca-influx na koppeling met Gq
C Vrijstelling van histamine
D Geen van bovenstaande 
  • Vier grafieken gegeven (2 voor interventie en 2 na interventie). De 2 curves van cytosolische Ca-concentratie (pre- en post-interventie) zijn gelijk. De post-interventie curve van de actieve contractiekracht in groter dan de pre-interventie curve. Welke interventie kan dit effect teweegbrengen?
A Verhoogde beginlengte
B Activatie van PKA
C Stimulering met adrenaline
D Geen van bovenstaande 
  • Vier grafieken gegeven met verschillende vormen van actiepotentialen (2 smalle pieken met na-hyperpolarisatie, een golf en een plateau-golf). Welke van onderstaande tekeningen geeft de actiepotentiaal in de skeletspier weer?
A Grafiek 1 (smalle piek met hyperpolarisatie)
B Grafiek 2 (golf)
C Grafiek 3 (smalle piek met hyperpolarisatie maar andere tijdsschaal)
D Geen van bovenstaande
  • Grafiek gegeven: spanning in functie van de afstand (elektrotonisch voortgeleiding van depolarisatie). Drie curves van 3 verschillende neuronen met verschillende snelheid van afname van de spanning (curve a = snelst; curve b; curve c = traagst). Rangschik de neuronen volgens diameter.
A c>b>a
B a>b>c
C c>a>b
D b>c>a

Examenvragen 2016-2017

Open Vraag 1:

Bespreek de acetylcholine receptoren. Welke types ken je? Wat is hun functie? Wat is hun fysiologische werking? Geef als voorbeeld van de fysiologische werking in het autonoom zenuwstelsel de overgang van pre- naar post-synaptisch en van post-synaptisch naar de hartspier (doelwit orgaan).GEBRUIK EEN SCHEMA! (max 2p. 6 punten)

Open Vraag 2:

Bespreek CFTR in de cryptcellen van de darm. Hoe ziet zo’n epitheelcel er uit? Functie & mechanisme? Ken je pathologieën? Ken je iets over de vochtsecretie? Hoe werkt dit precies? Weet je iets over de drijvende kracht voor deze transport mechanismen? En regulatie?

1. Als je zowel zoet als umami wil uitschakelen in een KO muis, welke receptor pak je dan het beste aan?

A: TRPM5
B:Nav
C:T1R3

2. Als je HCl toevoegt aan een cel, wat zal er dan waarschijnlijk gebeuren?

A:Stijging van de Na/H activiteit
B: Stijging van de Cl/HCO3 activiteit
C: Minder CAII activiteit
D: Daling van drijvende kracht voor protonen

3. Welke uitspraak is juist?

A:Dalen van de inputresistance doet de tijdsconstante stijgen
B: Stijging van de inputresistance doet de tijdsconstante dalen
C: Dalen van de inputresistance doet de tijdsconstante dalen
D: Er is geen verband tussen de inputresistance en de tijdsconstante

4. Baroreflexboog, wat is fout?

A:Bloeddrukstijging zorgt voor sympatische stimulatie en parasympatische inhibitie
B:Efferente neuronen zijn zowel sympatische als parasympatische neuronen

5. Wat is juist? Licht induceert

A: Verminderde Ca influx
B: Stijging rhodopsine activiteit
C: Hogere cGMP activiteit

6. Wat is nodig voor LTP?

A: Verhoogde expressie van AMPA R post synaptisch
B: Verhoogde expressie van NMDA R
C: Acetylcholine vrijzetting post synaptisch
D: Verhoogde pre synaptische exocytose

7. Wat zorgt voor contractie in een vasculaire gladde spiercel?

A: Meer actief PKA
B: Daling cGMP 
C: meer actief PKG 
D: stijging cAMP

8. Welke uitspraak over het exocytose proces van neurotransmitters is juist?

A: NSF is een ATP-ase dat het SNARE complex ontwindt
B: SNAP25 en synaptobrevine zijn proteïnen die in de celmembraan voorkomen en niet in het vesikel
C: Botox stimuleert vesikel vrijzetting

9. Welke uitspraak over spanningsafhankelijke ionkanalen is juist?

A:Ze inactiveren 
B: Ionenkanalen kunnen openen, deactiveren en inactiveren.
C: zijn uitwaarts rectificerend
D: Het zijn tetrameren (
E: De open probabiliteit verandert tijdens een actiepotentiaal

10; Welke uitspraak over het hart is juist?

A: Verhogen van de afterload zorgt voor een afname in contractiesnelheid 
B: Verhogen van de preload zorgt voor een toename in contractiliteit
C: Er is geen correlatie tussen preload en contractiesnelheid
D: Er is geen correlatie tussen preload en contractiliteit

11. Welke uitspraak is juist?

A: Geur en smaak activeren allebei CNG kanalen
B: Geurreceptie is fasisch, bij lange stimulatie worden de receptoren geïnactiveerd. 

12. Welke uitspraak over het oor is fout?

A: Piezo 1 kanalen zijn mechanogevoelige kanalen in de haarcellen 
B: Buitenste haarcellen kunnen contraheren
C: Basolateraal is de drijvende kracht voor K positief
D: Binnenste haarcellen stellen NT vrij bij excitatie

13. Wat is er fout over de calcium homeostase?

A: TRPV5 en TRPV6 zijn zeer belangrijk voor calcium reabsorptie uit darm en nieren
B: PTH wordt gesecreteerd door de bijschildklier bij een lage intracellulaire calcium concentratie
C: Calcitonine zorgt voor botopbouw
D: Calcitriol zorgt voor secretie Ca via stoelgang en urine

14. Tekening van epitheel in TAL van nier: Welk kanaal (ROMK) ontbreekt er? a) apicaal K kanaal b) Apicaal Na-K-pomp c) Apicale Na-kanaal

15. Vraag over on- en off-bipolaire cellen, wat is fout?

A: 1 receptor cel communiceert met 2 cellen
B: Off-bipolaire cel gaat glutamaat vrijzetting induceren door T1RM5 te stimuleren (een off-bipolaire cel gebruikt toch ook geen T1RM5? Dat is toch de onbipolaire cel?)
C: Een off-bipolaire cel gaat hyperpolariseren in het donker
D: Een on-bipolaire cel gaat depolariseren in het licht

16. Pco2 verdubbelt

A: pH daalt
B: HCO3- conc. daalt
C: Iets met de totale bufferconcentratie 

17. Ek= -90, ENa=70 membraanpotentiaal = 70. Wat is juist?

A: Uitwaartse en inwaartse flux van Na is gelijk.
B: De cel depolariseert
C: Flux K = flux Na
D: Intracellulaire en extracellulaire Na concentratie is gelijk

18) wat is fout met betrekking tot dit epitheel?

A: Na+ reabsorptie
B: K+ secretie
C: amiloride, een kalium sparend diureticum, inhibeert K+ kanalen

19. wat klopt voor ATP?

A: enkel metabotroop
B: enkel via exocytose
C: enkel cAMP stijging
D: geen van bovenstaande


20. Wat is fout?

A: TRVm5 is een belangrijk  kanaal in nierepitheel voor Ca opname