Celbiologie II (E03Y4A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken



Algemeen

Dit opleidingsonderdeel wil de studenten vertrouwd maken met de grondslagen van de cellulaire structuur en functie in het menselijk lichaam. De klemtoon ligt op de fundamentele processen die in nagenoeg elk celtype van het menselijk lichaam voorkomen, zoals energievoorziening, genexpressie, groei en differentiatie, membraantransport, communicatie, beweging… Deze processen vormen immers de basis voor de meer gespecialiseerde functies van de verschillende systemen en orgaanstelsels in het lichaam die later in het curriculum aan bod komen. Het uitgangspunt hierbij is een geïntegreerde benadering van de cel. Inzichten uit verschillende wetenschappelijke disciplines (chemie, biologie, fysica, histologie, biochemie, genetica, fysiologie) worden gebundeld zodat een globaal en dynamisch beeld op het cellulaire gebeuren ontstaat. Bijzondere aandacht gaat naar de wisselwerking tussen moleculaire structuur en functie en naar de complementariteit van (sub)cellulaire architectuur en functies. Waar nodig worden de onderliggende beginselen van scheikunde en fysica uitgediept en toegepast op specifieke celbiologische problemen. Het opleidingsonderdeel beoogt ook een translationeel aspect door celbiologische inzichten in een medische context te plaatsen. Voor een aantal ziekten wordt aangetoond hoe mutaties, toxines, infecties… de normale celbiologische processen verstoren en zo welbepaalde ziektebeelden opwekken. Verder wordt geïllustreerd hoe een goed begrip van moleculaire structuur en functie toelaat om het werkingsmechanisme van geneesmiddelen te begrijpen of om nieuwe farmaca te ontwikkelen. Tot slot is dit opleidingsonderdeel ook een kennismaking met de wetenschappelijke methode. Voor een aantal concepten wordt dieper ingegaan op de onderliggende experimentele evidentie om zo de wetenschappelijke manier van denken in celbiologie duidelijk te maken.


Examenvorm

Meerkeuzevraag examen met giscorrectie: 50 vragen, 4 antwoordmogelijkheden, 1 juist antwoord. Het formularium wordt op het examen ter beschikking gesteld.

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen.)

- De slides van professor Eggermont zijn voldoende om te leren. Becker’s world of the cell is bij celbiologie 2 vooral handig om te bekijken wanneer je iets uit de slides niet snapt, maar alle hoofdstukken ook in Beckers gaan leren is niet nodig.

- Het boek Cellular physiology en neurophysiology is niet zo heel nuttig. Als je het deel van professor Voets niet goed snapt, kan je hier wel wat meer achtergrond informatie in vinden, maar het is opnieuw eerder een naslagwerk dan een boek dat je vanbuiten moet leren.

- Bij celbiologie 2 is het minder belangrijk om alle mini details te kennen zoals bij celbiologie 1. Het is belangrijker dat je de grote lijnen goed kent en inzicht hebt in de leerstof.

- Het proefexamen is gemakkelijker dan het echte examen.


Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

Vragen BWC14: voorbeeldvragen van tijdens de les (hfst. 14)

Celbio II vorige jaren (meerkeuze + open vragen)


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen.)

Examen 2017-2018

1. Telkens twee grafieken die het verband tussen de transitietemperatuur en het aantal dubbele bindingen en aantal koolstofatomen weergeven (ivm lipidendubbellaag). Op y-as de transitietemperatuur en bij één grafiek op x-as het aantal dubbele bindingen, bij de andere op de x-as het aantal koolstofatomen in de vetzuren. Beide dalend gerangschikt: transitietemperatuur daalt bij toename van het aantal dubbele bindingen en toename van het aantal koolstoffen in de vetzuren. Beide stijgend gerangschikt T-transitie stijgt met ketenlengte, maar daalt met aantal dubbele bindingen T-transitie stijgt met aantal dubbele bindingen, maar daalt met ketenlengte

2. Gelijkenis tussen archaea en eukaryoten eerder dan met bacteriën

Genexpressie
Cytoskelet
Grootte
Vesiculair transport

3. Afstand tussen de knopen van Ranvier = 1mm, lengteconstante = 1 mm, Vm = -80 mV, piek AP = + 20 mV, wat is de maximale waarde van de drempelpotentiaal opdat saltatorische voortgeleiding mogelijk is?

-43 mV

4. Foto van 2 eukaryotische cellen. Dna heeft een blauwe merker en actine een rode merker. Er is een organel in het groen gekleurd dat zich dicht tegen de kern bevindt. a) In dit organel vind de synthese van sfingolipiden plaats b) afbraak ldl cholesterol c) begin van secretorische route d) iets met xenobiotica via die cytochroom p450

5. Experiment FRAP: in een zuivere lipidendubbellaag is de latere mobiliteit van een eiwit hoger dan in een echte cel. Wat kan hiervoor GEEN verklaring zijn:

Associatie van het eiwit met F-actine
Associatie met de extracellulaire matrixeiwitten 
Associatie met lipid rafts 
Associatie met een multimeer eiwitcomplex

6. Gegeven een grafiek met daarop de groei van tumorcellen gegeven in functie van de tijd. Controle: sterke groei, Ras inhibitor: sterke groei. Mek inhibitor weinig groei. Welk gen heeft er een mutatie ondergaan? Het gen voor:

Ras
Raf kinase
GPCR
Map

7. Vm= +30mV De intracellulaire pH bedraagt 7,2. Hoeveel bedraagt de extracellulaire pH?

7.7
6,7	
7,5
7,6

8. Kaliumkanalen (1370) en je had Vm (40 mV), V1/2 (20 mV), Vs (20mV), je kreeg ook in en uit concentraties voor kalium (K+ intra=150 mM, K+ extra=15 mM).Wat is de stroom?

4pA

9. Twee eiwitten PDI en zure hydrolase??(inderdainderdainderdainderdaant gezuiverd en in een proefbuis gestoken. Helaas zijn twee labels verloren geraakt. Hoe kan je buisje met PDI alsnog identificeren?

Het nagaan van het aanwezigheid van N-gycolysering 
De binding van copI manteleiwitten 
De laatste 10 aminozuren aan de carboxy-terminus determineren	
Aantal transmembranaire segmenten

10. In welke stap vindt de verandering van E1 naar E2 plaats bij p-type atpase (met tekening) stap 3 bij atp naar adp wissel (stap 4 --> zie prentje van Na+/K+ pomp)

11. Afbeeldingen van de conformaties van de myosinehoofdjes; voor welke stap is Ca2+ vereist?

Stap 1

12. Grafiek van stoom voor K, voor GABA (Cl) en voor Na, waar ligt het drempelpotentiaal?

-60 mV
-40 mV
-10 mV
Drempelpotentiaal wordt niet bereikt

13.Welke invloed heeft tandpasta met menthol NIET?

Doet de temperatuur in de mond dalen
Doet de intracellulaire Ca2+ concentratie stijgen? Ik dacht het was: doet de gNa stijgen ofzoiets ja dat kan wel, was niet zeker
Zorgt voor een depolarisatie
Bind rechtstreeks aan spanningsgeschakelde natriumkanalen 

14. Grafiek: y-as: (R.L) x-as: concentratie van bepaalde stof. Grafiek van stof X stijgt sneller dan die van stof Y. Ze bereiken beide een maximum op [R.L]=8. X bereikt dit eerder dan Y. Drempelpotentiaal ligt op 5.

KD van X=2mM
Y heeft een hogere affiniteit voor de receptor dan X
Voor concentratie 12 nM bereikt Y de drempelpotentiaal
Y zorgt voor een internalisering van receptoren

15. Grafiek over simvastatine, een inhibitor van HMG CoA reductase die wordt afgebroken door CYP3A4, je ziet een controle grafiek waarbij orale dosis simvastatine werd gegeven en een grafiek waarbij een stof X wordt toegevoegd voor simvastatine. De concentratie aan simvastatine is veel hoger met X toegevoegd. Wat doet X? Ah ja klopt, conclusie blijft hetzelfde toch? Conclusie wel maar het impliceert wel een ander proces, nja maakt niet zoveel uit!

Activeert CYP3A4
Verhoogde biosynthese van cholesterol
Inhibeert CYP3A4
Vormt lipid rafts.   

16. Een hele vraag over wat er voor zorgt dat na stimulering van spiercellen er meer glucose opgenomen wordt in de cel.

Hogere Vmax van GLUT 4
Exocytose van Na/glucose-symporter (SGLT)
Km van GLUT4 is veranderd
Nou heb ik er genoeg van

17. Welke stappen zijn onderdeel van de route die insuline volgt bij zijn aanmaak?

sER>Cis-golgi>secretorische vesikel (?) 
RER → COPII vesikel → cis-golgi 
Trans golgi > consitutieve vesikel> PM

18. 4 grafieken gegeven voor het transmembranair transport van adenosine van extracellulair naar cytosolair: nog bijna volledig bij ATP depletie, nog bijna volledig bij vrije Na+ (dit wilt zeggen dat er een hogere concentratie intracellulair Na+ is), opeens veel minder bij toevoegen van inosine. Hoe transporteert de cel adenosine?

Eenvoudige diffusie 
Gefaciliteerde diffusie
Primair actief transport 
Secundair actief transport

19. Hoe worden signaalmoleculen in de signaalcel vrijgezet?

Vrije diffusie van NO
Gefaciliteerde diffusie van peptidehormonen
Vrije diffusie van glycine (?)
Vesiculair transport van steroïdhormonen

20. Twee stoffen worden in een zenuwbundel geïnjecteerd. Er is een grafiek gegeven die de concentratie ifv de afstand van de oorspronkelijke injectieplaats weergeeft (10 uur na injectie). Het lichaam kan de stoffen ook niet afbreken. Wat kan je uit deze grafiek afleiden (Toppen A en B op 40 µM, B breder dan A). De concentratie van stof A was hetzelfde op het punt van de injectie als die van stof B, maar stof B heeft een hogere concentratie in de andere punten (breder).

Er is even veel mol van A als B toegevoegd
Ze hebben gelijke gemiddelde kwadratische verplaatsing
D van B > D van A 
Na 20 uur zal de maximale concentratie van B nog maximaal 40 µM zijn.

21. 2 grafieken van twee membranen: Grafiekje A (zonder cardiolipine, maar met PI), grafiekje B met cardiolipine en een tabel van dezelfde membranen met daarin de verhoudingen protein en lipide aanwezig In B was de verhouding lipiden/proteïne 20/80

Membraan A is van ribosomaal membraan
Membraan A is van sarcoplasmatisch reticulum
Membraan B is van binnenste mitochondriaal membraan (ivm endosymbionttheorie) en de hoge eiwitwaarde, hiermee kon je ook D schrappen
Membraan B is van het golgi-apparaat


22. Cel neemt 8 keer toe in volume,wat neem je waar? Concentratie glycine =5microm

Molecule heeft 2 keer langer nodig om te difunderen van het PM tot de kern
Surface to volume ratio neemt met een factor 2 af
Als het volume 8 maal toeneemt moet er 8 keer zoveel pm aanwezig zijn
4 (?) keer meer stof aanwezig zijn om zelfde concentratie aan glycine te behouden

23. Wat gebeurt er bij een cel in het PM in rusttoestand met normale membraanspanning en normale concentraties?

Eenvoudige diffusie van Na 
Flippase activiteit van PS van exoplasmatische zijde naar cytosolair (hoe wist je dit? De andere waren gewoon zeer onlogisch en in een normale membraan mag PS en PE niet in het exoplasmatisch blad zitten) 
Biosynthese van fosfatidylcholine
Vorming van lipidenrafts met hogere fluïditeit:

24. een schema met de verschillende fasen van microtubuli vorming (fase 1=nucleatie, fase 2= trage groei van tubuline heterodimeren, fase 3= microtubulus gevormd en groeit, fase 4= threadmilling). Wat is waar?

Fase 1= gtpase-HYDROLYSE activiteit van tubuline
Fase 2 (nucleatie)= trage vorming van tubuline heterodimeren omwille van dynamische instabiliteit 
Fase 3 (elongatie) = treadmilling: Hier zag je duidelijk op tekening dat aan beide kanten er tubuline-dimeren bijkwamen en dus is dit fout.
Fase 4 (steady state) = de concentratie van tubuline aan de + zijde is hoger dan de kritische concentratie 

25. Twee oplossingen: opl A 100mM ethanol, 100 mM NaCl, 50 mM glucose. opl B 100mM CaCl2. Wat kan je hierover zeggen? ThX!!

De osmolariteit van B is groter dan A
De toniciteit van A is groter dan die van B
Beide uitspraken zijn fout
Beide uitspraken zijn juist


26. een hydropatie plot van een eiwit met drie transmembranaire helices, N terminus cytosolair, een asn op de eerste exoplasmatische lus, een cys op de tweede hydrofiele lus, een cys op de derde exoplasmatische lus. Wat is waar?

De twee cysteines vormen een disulfide brug
De carboxy terminus is cytosolair 
De proteine is N glycosileerd op het Asn residu 
Type III membraan-eiwit

27. Iets van enkele signaaltransductiestappen die je dan in de juiste volgorde moest zetten. De volgorge van de stappen wanneer insuline wordt vrijgesteld (invloed op spieren). (1)PI 3 kinase (2) toename van glucoseopname (3) exocytose van glut4 transporter (4) activering van Akt/PKB (5) fosforylering membraanlipiden

PI3 kinase > Fosforylering membraanlipiden > Activering akt/PKB > exocytose GLUT > toename glucoseopname (klopt!)

28. Twee grafieken (één controle en één van een patiënt). LDL

Geen actieve dynamine in de cel
Geen fusie tussen endosoom en lysosoom
Een gain of funtion mutatie in de AP2 subeenheid van het gen



29. Merken van beta-tubuline mbv antilichaam + regio’s aangeduid op een foto A B en C; .B wijst naar een plaats met heel veel kleuring, A en C precies naar niet veel (wat (zeer) licht gekleurde uitlopers)?

Bij pijl A is er gamma-tubuline
Bij pijl B zijn +-uiteinden MT aanwezig 
Bij pijl A is de kritische concentratie lager dan bij pijl B
Bij pijl B gebeurt er dynamische instabiliteit 

30. 4 foto’s van de axonema-structuur bij waarbij je moest zeggen welke ‘normaal’ was, welke de outer dynein arm miste, welke de inner en welke beiden miste.

a) ? - ? - ? - normaal
b) IDA afwezig - normaal - IDA afwezig - IDA en ODA  afwezig
c) ? - ? - ? - normaal
d) normaal - IDA afwezig - normaal - IDA en ODA afwezig

31. Patch clamp stroommeting gegeven waarop te zien was dat I telkens een piek van -6A bereikt Intracellulaire concentratie van Nacl=150mM CaCl2= 20 mM Kcl=15mM Extracellulaire concentratie van Nacl=15mM CaCl2=200 nM KCl=150mM kan zijn dat ik de concentraties heb omgewisseldac. Vm= 30mV

Gegeven Cl- met conductantie=10pS
Gegeven K+ met conductantie= 50 pS
Gegeven Na+ met conductantie = 20pS
Gegeven Ca2+ met conductantie= 50 pS

32.Een ziekte die te maken had intracellulaire opstapeling van lange en vertakte vetzuren(C22-C24). Welk organel is het probleem?

Mitochondria
Peroxisoom
ER
lysosoom

33.Een vraag met een grafiek van de stroom van een NT en de rustpotentiaal aangeduid.

De NT zorgt voor epsp
Stroom is spanningsafhankelijk
De NT activeert K+ kanalen
De NT is glycine

34. Vraag over de synaptische spleet hoe de NT (acetylcholine) zich verplaatsen van een motorneuron naar een skeletspier.

Door eenvoudige diffusie
De NT wordt opgenomen in de postsynaps
Pre- en postsynaps zijn via een gap junction verbonden

35. Iets over K+ kanaal?

a) deactivatie door beweging van S4 segment 
b) bij deactivatie zit er een prop
c) inactivatie gebeurt enkel wanneer spanningsgeschakeld kanaal in rust is

36. Iets over selectiviteit K+ kanaal

K+ wordt van watermantel ontdaan voor die in selectiviteitsfilter gaat
Na+ gaat niet door selectiviteitsfilter door afstoting door negatieve ladingen
De porie is gevormd door de zijketens van de transmembranaire helices
Iets met dat er zure zijketens in de porie zaten… 

37. 2 oplossingen gegeven, 1 tje met glucose (45g/l?) en MW 180, ander iets met LiCl waarvan ook concentratie in 6,3g/l en 42 MW. Welke verhoudingen van de stoffen moet je toevoegen om een isotone oplossing te krijgen? (oefening van vorig jaar maar er stond iets ongeveer hetzelfde op)

9 deeltjes van A en 1 deeltje van B
1 deeltje van A en 4 van B
4 deeltjes van A en 1 van B
1 deeltje van A en 1 van B

38. Iets met activering Rac > WAVE > Arp2/3. Wat wordt er gevormd?

Stress fibers
Lamellipodia
Filopodia
sarcomeer

39. Drie foto’s van een structuur in de cel die fluorescent groen gekleurd was (duidelijk microtubuli). Eerste zonder behandeling (= controle), tweede met behandeling van cytochalasine en derde met nocadazole. Eerste en tweede was groene structuur nog intact, bij derde niet meer. Transport van Tau vindt plaats dankzij kinesine-1 als motoreiwit en niet myosine. Welke optie geeft het best weer in welke gevallen er nog anterograad transport van Tau zal plaatsvinden?

+, +, -

40. Een grafiek van toename van intracellulaire Ca2+ concentratie. Hoe zal de grafiek eruit zien als uw ER depletie heeft en de SERCA pomp niet werkt?

Zelfde grafiek als controle.
Grafiek met snellere daling van cytosolair ca tov controle grafiek.
Een plateau maar geen piek
Horizontale rechte

41. Vraag Botulinum toxine dat inwerkt op cel. Wat is gevolg? 4 grafieken gegeven:

a) piek acetylcholine, piek Ca
b) piek Ca, geen acetylcholine
c) geen acetylcholine, geen Ca
d) piek acetylcholine, geen Ca

42. Er was ook nog een vraag waar 1 van de antwoorden was dat cytosolisch calcium wordt toegenomen , of ip3 of pip ofzoiets?

cAmp en iets met nucleaire import
Meer ip3 in het lumen van het ER
Pip 3 kinase fosforyleert membraan lipiden (?)

43. Er was ook nog een vraag over PKA , maar ik kan mij die echt niet meer herinneren: ahja idd! Het ging over of het moest transloceren naar de nucleus etc.

cAMP moet worden getransporteerd naar de nucleus voor PKA te activeren fsoiets.
Als cAMP fosfodiesterase wordt geïnhibeerd, dan worden er meer eiwitten gefosforyleerd in de cel
Iets met ‘PKA wordt gefosforyleerd’

44. Vraag over GPCR waarbij iets gevraagd werd over fosforyleren en of iets functioneert als een GEF, weet het niet meer zo goed.

GPCR Werkt als GEF om trimeer G-proteïne te activeren
Bèta-arrestine bindt op gefosforyleerd G-proteïne

45. Iets over een membraanreceptor die cytosolisch kapot was (maar expressie is in orde), wat is juist?

Ligand kan exo niet binden
Receptor blijft permanent in de membraan
Receptor bindt clahtrine manteleiwitten.

46. Wat kan niet inkorten bij contractie?

A-line
I-line
Afstand tussen twee Z schijven
Afstand tussen Z en Met schijf

47. Kubusvormige cel met ribbe=20 micrometer, weerstand=250 mega ohm stroom=... welke amplitude bereikt de cel na 12seconden.

Ik dacht dat je hiervoor die formule moest gebruiken: V=I.R.(1-e^-t/RC) maar ik kwam het juiste antwoord niet uit… iemand?


48. Ook nog zo’n vraag met Permeabiliteitsconstante van 10^-6 cm/s, de rest weet ik niet meer zo goed. 200 micromolair glucose extracellulair, hoeveel intracellulair na 1000 s? Straal van cel was 0,3 micrometer

=> 126 … 

49. Een vraag over alfa1… (van die ‘addendum’ slides bij hoofdstuk over signaaltransductie) weet de exacte vraag en (juiste) antwoord(en) niet meer Iets met Gq wordt geinhibeerd?

Meer Ca2+ in cytosol 
Meer IP3 in het lumen van ER
Meer PIP2 in het PM
   

50. Was er ook geen vraag over Popen en yNa gegeven en Vs en V1/2?

51. Er was iets over een testmedicijn dat Testolan of zo heette?


Examen 2016-2017

1) Foto met alle types membraaneiwitten

A: Integraal = LDL receptor
B: Membraaneiwit met vetanker (exo) = acetylcholine-esterase
C: Membraaneiwit met vetanker (cyto) = Ras-GTP
D: Perifieer membraaneiwit = AP2

2) Opstapelingsziekte waarbij lange vetzuren (C22-C24) opgestapeld worden. Dit wordt veroorzaakt door:

A: Peroxisoom
B: Golgi apparaat
C: Mitochondriën
D: SER

3) Welke van volgende komt enkel voor bij eukarya en niet bij prokarya?

A: nucleocytoplasmatisch transport
B: DNA replicatie
C: initiatie van transcriptie
D: binding van ribosomen aan mRNA


4) Wat is uitzonderlijk voor gefaciliteerde diffusie t.o.v. eenvoudige-?

A: deltaG<0
B: enkel door membranen
C: saturatie van transport
D: transport van apolaire stoffen

5) Foto waarop MT rood gekleurd zijn en 4 plaatsen aangeduid (Waar bevindt gamma-tubuline zich?)

A: aan de rand van de cel
B: …, 
C: in het centrum van de cel en 
D: buiten de cel

6) Contractie van gladde spier (met 2 grafieken).

A: PKC verhoogt Ca2+ concentratie in endotheelcel
B: PKC verlaagt Ca2+ concentratie in gladde spier

C: PKC inhibeert kinase

D: PKC inhibeert fosfatase

7) Het rustpotentiaal van een membraan is -80 mV en heeft een threshold potentiaal van -20mV. De membraanweerstand is 50MOhm en I = 1pA. Na hoeveel tijd initieert het actiepotentiaal?

A: threshold potentiaal wordt niet bereikt
B: 5ms
C: 0.5ms
D: 5s 

8) Grafiek met een stroom van -1pA bij een membraan potentiaal van -40 mV. Gamma Na+ = 20pS Aantal kanalan = 1000 Concentraties van Cl- Na+ en K+ ???

A: Hoort bij K+ kanalen met gK = 10pS
B: Hoort bij Na+ kanalen met gNa = 100pS
C: Hoort bij Cl- kanalen met gCl = 25pS
D: Geen van bovenstaande

9) Het membraanpotentiaal is gelijk aan -75mV. De pHi = 7.2 en de pHo = 6.8. Bereken de drijvende kracht voor de protonen.

A: 99 mV
B: 51 mV
C: -51 mV
D: -99mV

10) welk van de volgende bewering is niet van toepassing bij het toedienen van ( hete peper?

A: de lichaamstemperatuur stijgt
B: bindt rechtstreeks aan temperatuurgeschakelde kanalen 
 

11) afbeelding over een integrale proteïne (type 1) en cysteine residu’s in het cytosol en in het extracellulaire milieu ( 2 cys residus cytosolair (nummers 1 en 2), 2 cys extracellulair (nummers 3 en 4)

A: ™(transmembranaire regio) is een stop-transfer
B: ™ is een start-transfer
C: cys residu’s 1 en 3 vormen disulfide brug
D: cys residu’s 3 en 4 vormen disulfide brug

12) 2 oplossingen gegeven, 1 tje met glucose 36g/l en MW 180, ander iets met MgCl2 waarvan ook concentratie in 9,6g/l en 96 MW. Welke verhoudingen van de stoffen moet je toevoegen om een isotone oplossing te krijgen?

A: 1 deeltje van A, 9 deeltjes van B
B: 1 deeltje A, 5 deeltjes B 

13) Door een bepaald experiment kunnen we een COPII vesikel scheiden. Welke stelling is correct?

A: de suikerboom vertelt over welke lipide het gaat
B: er zijn geen eindstandige glucoses waar te nemen
C: er zijn eindstandige galactoses waar te nemen
D: er is mannose-6-fosfaat waar te nemen

14) (fosfoglyceride gegeven van het plasmamembraan, een vetzuur van 18C en dubbele binding, daarnaast een vetzuur van 16C). Welke stelling is waar?

A: het is een essentieel vetzuur
B: het is een precursor voor inositol(1.4.5)trifosfaat
C: het is een sfingomyeline
D: het komt voornamelijk voor in het exoplasmatisch blad

15) Rustpotentiaal is -80 mV, piek actiepoteniaal is 20 mV. Lengteconstante is 1mm, afstand tussen knopen van Ranvier is 1mm. Wat moet Vtreshold zijn zodat AP doorgegeven kan worden?

-43 mV

16) Bepaalde stof wordt opgestapeld in lysosomen omdat zure hydrolasen-met raar stofje het niet kunnen afbreken. Wat is er fout gelopen? A: geen voldoende N-glycolysering

17) In een S4 segment van spanningsgeschakeld K-kanaal treedt een mutatie op van Arginine naar Valine. Welke invloed zal dit hebben op het kanaal?

A: kanaal zal niet meer geïnactiveerd kunnen worden
B: yK stijgt
C: Na zal nu even gemakkelijk als K door selectiviteitsfilter geraken
D: Vs stijgt 

18) Rho wordt geactiveerd, wat zal er groeien/gemaakt worden?

A: Stress fibers
B: Lamelopodia
C: Filopodia
D: Microvilli 

19) Pijl die wijst naar golgi-apparaat. Vraag: wat wordt er NIET gemaakt in dit organel?

A: COP 1 vesikels
B: aanmaak dolichol pyrophosphoryl
C: trimmen van suikers
D: toevoegen van galactose

20) Afbeelding van fibroblast. Groen is DNA-marker, blauw is golgi-eiwit-marker en rood is phalloidine. Welke uitspraak klopt?

A: Dyneïnemotor is nodig voor blauwe structuur op zijn plaats te houden
B: Rode lijnen lopen door kern
C: Er worden vesikels getransporteerd van golgi naar PM via rode structuren
D: In de cel is er een gain of function mutatie van een actine serving protein

21) Voor een cel geldt: Ek>Vm>ECl en yCl= 12000 pS

A: het celvolume stijgt
B: het celvolume daalt
C: K zal de cel instromen
D: Cl zal de cel instromen

22) Afbeelding van ER van levercel. Wat klopt voor de aangeduide celstructuur?

A: Cyp-450 detoxificatie
B: Cotranslationele translocatie
C: Toevoegen mannose-6-fosfaattag

23) Wat hebben NO, steroïden en eicosanoïden met elkaar gemeen?

B: Gemaakt uit hydrofobe precursor
C: Opgeslagen in vesikel
D:  Bindt binnen in cel aan membraanreceptor? 

24) In een presynaps wordt er een inhibitor gebruikt voor alle kinesine-motoren. Welk gevolg zal dit hebben voor het neuron?

A: Er zal minder neurotransmitter afgegeven worden
B: er zal minder endocytose gebeuren
C: iets met retrograad transport
D: De MTOC zal degraderen

25) Een kubusvormige en een bolvormige cel hebben dezelfde membraanoppervlakte en hebben dezelfde samenstelling qua membraaneiwitten/lipiden. Beide cellen bevinden zich in een isotoon medium. Op een gegeven moment wordt er 10 microM van bepaalde stof aan omgeving toegevoegd. Welke uitspraak is correct?

A: De concentratie in de bolvormige cel zal het snelste stijgen
B: De concentratie in de kubusvormige cel zal het snelste stijgen
C: De twee cellen nemen even snel op
D: Er is niet voldoende info om hierover een uitspraak te doen

26) Er bevindt zich een M3-receptor, zowel in een endotheelcel als in een vaatwand cel. Eerst een grafiek van acetylcholine dat toegevoegd wordt, daarnaast een grafiek van acetylcholine en NO-synthase inhibitor dat toegevoegd wordt. Y-as geeft contractie weer, x-as geeft Ca concentratie weer. Welke uitspraak klopt?

A: Acetolycholine zorgt er voor dat Cai stijgt in vaatwandcel
B: NO synthese inhibitor zorgt voor stijging Cai in endotheelcel
C: NO synthese inhibitor zorgt voor daling Cai in endotheelcel

27) Vraag over INa. yNa=... , Vm= -40mV, V1/2= -40mV, Vs= 12 mV (?). cNai= 15mM, cNao= 150mM en aantal Na-kanalen is.... Hoeveel bedraagt INa?

A: -8nA
B: -4nA
C: -2nA
D: -1nA

28) Vraag over Encx antiporter wat is correct?De Encx was denk ik postief.

A: Bij een membraanpotentiaal van -40 wordt er Ca2+ in de cel gepompt
B: bij 60mV is Encx in evenwicht (Dit was +60 denk ik) Was het niet -60?

29) Afbeelding van golgi-apparaat. KDEL receptor is aan bepaalde zijde aangeduid. Er zijn twee nummertjes aangebracht: 1 in trans-golgi, 2 in cis-golgi, 3 in mitochondrie. Welke uitspraak is juist?

A: Ph2 is lager dan Ph1
B: er is transport van 1 naar 2 dmv vesikels
C: transport van 1 naar 3 

30) Een vraag over gangliosiden die niet werden afgebroken en waar dat aan zou kunnen liggen?

A: verminderde N-glycosylering van het enzyme dat voor afbraak gangliosiden zorgt

31) Wat is geldig?

A: f heeft geen dyneïnes meer
B: Nog enkele mogelijkheden die te maken hadden met de andere prentjes.
C: alle anexomen zijn juist
D: axenomen (A) en (d) zijn gezond

32) Iets van een gain of function ergens in de GPCR-pathway, het antwoord was (dacht ik…..) iets met een permanent actief G-alpha. Wat zorgt niet voor desensitisering van GPCR?

A: Binding ligand
B: meer vrije GalfaS-GTP
C: fosforylering cytosolisch domein
D: binden van b-arrestine

33) cycli van exocytose in de juiste volgorde geven

34) werking van myosine-actine in de juiste volgorde (cyclus) zetten (ik weet nog dat ik geantwoord heb 2,7,4,6 maar ik weet niet exact wat er bij stond) ik ook!

A: ATP hydrolyse
B:Actinemyosine dissociatie
C:ADP Dissociatie

35) Aconitine vertraagt het inactiveren van Na-kanalen. Gevolg?

A:Drempelpotentiaal wordt verhoogd
B:verhoogde werking Na/K pomp
C:verkorting van de actiepotentiaal

36) Je kreeg een hydropatieplot. Er was een Asparagine geglycosyleerd. Je moest van bepaalde regio’s zeggen of er ligand op kon binden, of het gefosforyleerd kon worden… c-terminus ligt in het cytoplasma

37) Iets met RTK. Je moest iets doen met C-terminus en N-terminus. Je moest zeggen welke uitspraak geldig was.

A: groeifactor bindt extracellulair aan N terminus zorgt voor fosforylatie
B: regio 1 of 3 weet niet meer wordt gefosforyleerd bij binding ligand
C: antilichamen tegen …. binden op de receptor extracellulair

38) Iets met maximale bezetting binnen in een K-kanaal.

A: Maximaal 2 K in het kanaal op 1 moment (op fysiologisch vlak)
B: De doorsnede neemt toe ofzoiets
C: Lysine residue’s ofzoiets => kan niet wan Lys is positief
D: Alle K-kanalen zijn gelijk verdeeld over het plasmamembraam

40) Iets over de oorzaak van de spontane vorming van de lipidendubbellaag

A: hydrofobe interacties of zoiets. Volgens mij was dit ‘geen verstoring van water’ ofsoiets
B: Hydrofiele interactie van de hoofdjes
C: Laterale fluiditeit van de fosfolipden

Examen 2015-2016

1) Wat kunnen we waarnemen bij bacteriën?

  A: aanmaak van membraanlipiden.
  B: fagocytose van mitochondriën
  c: endocytose
  D: nucleair transport

2) [afbeelding v/e cel met aanduiding van een organel]

  A: begin secretorische route
  B: detoxificatie van xenobiotica
  C: einde van endocytotische route
  D: organel waar synthese van sfingolipiden gebeurt

3) Wat is de single channel conductantie van dit kanaal?

  A: 50pS
  B
  C
  D

4) Dit ionenkanaal is selectief voor:

  A: Na+.
  B: K+
  C: Ca2+
  D: niet selectief voor kationen

5) Hoeveel ionen kunnen er in 1 ms verplaatsen bij -60mV gedurende 1ms en met I=6pA?

  A: 40000.
  B: 3000
  C: 2000000
  D: 500000

6) Gegeven: structuur van een membraanlipide (sfingomyeline). Wat klopt over dit lipide?

  A: dit lipide komt voor in het cytosolisch blad van het membraan
  B: met een flippase naar het cytosolisch blad
  C: dit lipide verlaagd de membraanfluïditeit.
  D

7) Over 2 membranen in de secretorische route zijn de procentuele samenstelling van lipiden gegeven membraan 1: 80 fosfolipiden, weinig sfingolipiden en cholesterol membraan 2: 50 fosfolipiden, meer sfingolipiden en cholesterol

  A: membraan 2 is van het mitochondrium
  B: in membraan 1 gebeurt cholesterolsynthese.
  C: membraan 2 is meer fluïde
  D: celvolume stijgt

8) Ek < Vm < Ecl

  A: inwaartse flux Cl
  B: inwaartse flux K
  C: celvolume daalt.
  D: celvolume stijgt

9) Organel met catalase activiteit?

  A: peroxisoom.
  B: lysosoom
  C: mitochondriën
  D

10) hydropathieplot met 1 hydrofoob deel (>0) en N-terminus exoplasmatisch, punt A aan de C-terminus

  A: dit lipide komt voor in het cytosolisch blad van de plasmamembraan
  B: het is een perifeer membraaneiwit
  C: punt A bindt aan een extracellulair eiwit
  D: dit eiwit heeft 1 transmembranaire alfa helix.

11) cel (straal 10µm) ligt in een isotone oplossing; er wordt extracellulair 100µM toegevoegd, de membraanpermeabiliteit is 10^-6. Wat is de intracellulaire concentratie na 2500 seconden?

  A: 100µM.
  B: 37µM
  C: 63µM
  D

12) pH intracellulair=7,2; pH extracellulair=6,8; Vm=-70mV. Hoeveel is de drijvende kracht?

  A: -94mV
  B: -46mV
  C: +24mV
  D: -24mV

13) de intracellulaire ATP concentratie is 5mM; als je de zijde van een kubus vermenigvuldigd met factor 3, wat is dan juist?

  A: ATP moleculen moeten vermeerderen met een factor 27 om de concentratie te behouden.
  B: de oppervlakte/volumeverhouding vermeerdert met een factor 3
  C: de diffusietijd van een molecule van de rand van de cel tot het midden vermeerdert met factor 27
  D: het aantal fosfolipiden in de membraan vermeerdert met factor 3

14) Na intoxicatie met schorpioengif worden K-kanalen geïnhibeerd. Wat voor gevolg heeft dit?

  A: de drempelpotentiaal wordt verhoogd
  B: de actiepotentiaal wordt verlengd.
  C: de actiepotentiaal wordt groter
  D

15) [foto van het laser experiment] Dit gaat over:

  A: flipflop van membraanlipiden
  B: laterale diffusie van de membraanlipiden.
  C: vorming van microdomeinen
  D: 

16) [grafiek waarbij celvolume gaat van 1 naar 0,6 en weer naar 1] De cel gaat van een KCl oplossing (150mM) naar een glucoseoplossing, wat is de glucoseconcentratie?

  A: 500mM
  B
  C
  D

17) [tabel over vesiculair transport] aantallen gegeven van: anterograad, bidirectioneel, retrograad transport en statische vesikels. Wat is het effect van het Lis1 eiwit? [aantallen bij deletie of extra Lis1 eiwit gegeven]

  A: 
  B: Lis1 inhibeert het dynactine complex
  C: Lis1 is een activator van cytoplasmatisch dyneïne
  D

18) een RTK met een dominant negatieve mutatie aan het tyrosine kinase domein:

  A: mutatie heeft negatieve gevolgen voor de cel
  B: de mutatie van de receptor zorgt ervoor dat een wild-type receptor in combinatie met deze receptor niet functioneel is.
  C
  D

19) Stellingen over RAS

  A: Inhibitie van het RAS-GAP zorgt voor meer transductie.
  B: Sos zorgt voor de fosforylering van RAS-GDP naar RAS-GTP
  C
  D

20) De intracellulaire concentratie van een stof die getransporteerd wordt door een MDR1 transporter staat in functie van het wel of niet toevoegen van Verapamicil (+V of -V). We zien in beide gevallen een steiging maar bij B meer als bij A. Verklaar.

  A: Bij B zijn er meer transporters aanwezig in de membraan.
  B
  C
  D

21) [grafiek over groei en catastrofe van microtubuli met 3 fasen - tussen fase 1 en 2 catastrofe]

  A: bij de overgang van fase 1 naar fase 2 is de tubuline concentratie < kritische concentratie  
  B: dit gedrag geeft het treadmilling weer
  C: om van fase 2 naar 3 te gaan heb je MTOC nodig
  D: dit gedrag geeft de dynamische instabiliteit van de microtubuli weer.

22) Een proces wordt verstoord bij toevoeging van colchicine, maar niet bij toevoeging van cytochalasine. Wat is juist voor dit proces?

  A: dit proces vereist de aanmaak van stress fibers
  B: vereist aanmaak intermediaire filamenten
  C: vereist aanmaak microtubuli.
  D: vereist aanmaak microfilamenten

23) De werking van de NCX antiporter, forward or reverse, Vm=-80mV

  A: Na-ionen naar binnen en Ca-ionen naar binnen
  B: Na-ionen naar buiten en Ca-ionen naar buiten
  C: Na-ionen naar buiten en Ca-ionen naar binnen
  D: Na-ionen naar binnen en Ca-ionen naar buiten.

24) [foto van gemerkt bèta-tubuline] B weist naar MTOC, A naar perifere uiteinden, C naar rand van de cel.

  A: bij B vindt een catastrofe plaats
  B: pijl B wijst naar MTOC.
  C: pijl C toont een flagellum
  D

25) Wat is waar over een trimeer G-proteïne?

  A: bij activatie kome Ga en Gby vrij in het cytosol
  B: lagere affiniteit voor GDP vergemakkelijkt de activatie.
  C
  D

26) Volgende zaken hebben te maken met de signaaltransductie via PLCbeta. Zet in de meest logische volgorde.

  A: .....>splitsing PIP2>IP3 diffundeert door cytosol>Ca vrijstelling>Ca influx
  B
  C
  D

27) [foto endocytotische vesikel] Wat wijst de pijl aan?

  A: dynamine
  B: clathrine
  C: cargo eiwitten.
  D: NSF

28) Wat is waar over eicosanoÏden, testosteron en NO?

  A: diffunderen allemaal door plasmamembraan.
  B: binden aan receptor in plasmamembraan
  C: opslag in transportvesikel
  D

29) AZ in transmembranaire alfa helix (> meer waarschijnlijk; = even waarschijnlijk)

  A: Ile=Val>Gly>Lys=Arg.
  B: Ile=Val=Gly=Lys=Arg
  C 
  D

30) mutatie in het cytosolisch domein van een receptor voor endocytose. Wat is juist?

  A: de receptor blijft permanent in het plasmamembraan.
  B: cargo komt niet los van de receptor
  C
  D

31) Wat is niet juist over capsaisine?

  A: activeert een GCPR.
  B: bindt rechtstreeks aan een TRP kanaal
  C: kan een actiepotentiaal veroorzaken in afferente neuronen
  D: verhoogt de conductantie van Na+

32) Vraag van isotone oplossing

  A: 8,1g.
  B: 12,5g
  C: 3,6g
  D

33) Zet de volgende gebeurtenissen mbt GPCR in de juiste volgorde.

  A
  B: uitwissel GDP/GTP in G-proteïne>dissociatie Ga en Gby subeenheden>cAMP signaal>recrutering van GRK>internalisering receptor
  C
  D

34) gegeven grafie met calciumconcentraite: eerst piek, dan plateau: welke grafiek komt overeen met de situatie waarbij er geen extracellulaire ca is?

  A: geen piek
  B: alleen 1 hoge piek.
  c: 3 hoge pieken
  D: 1 middelhoge piek

35) 2 grafieken gegeven; 1 met ligand als controle en 1 met stof X toegevoegd, met X ligt de grafiek iets naar rechts

  A: De Kd van X is groter dan voor het andere ligand
  B: X is een antagonist
  C: de Kd's zijn gelijk
  D

36) Wat klopt ivm de contractie van een spier?

  A: wordt uitgelokt door inkorting dun filament
  B: wordt uitgelokt door inkorting sarcomeer.
  C: G-actine moet een conformatieverandering ondergaan
  D

37)

38) Grafiek was gegeven van de Kalium lekkanalen en spanningsgeschakelde Na-kanalen; wat is er juist?

  A: piek actiepotentiaal bij +30
  B: piek actiepotentiaal bij +60
  C: drempelpotentiaal bij -10
  D: drempelpotentiaal bij -60

39) Wat is juist over P open (hoort bij oefening patch clamp)

  A: Bij Vm=+100 is de P open ongeveer gelijk aan 0.9.
  B: Bij Vm=+20 is de P open het grootst
  C: Bij Vm = -60 mV is P open < 0
  D
 

40) vraag waar je de conductantie moest berekenen (1000 K-kanalen)

  A
  B: 25ns.
  C
  D

41) uitspraken over K-kanalen; waarom Na niet door K-kanalen kon diffunderen

  A: De drijvende kracht voor K is groter dan de drijvende kracht voor Na
  B: Het is voor K energetisch gunstiger om zijn watermantel af te werpen.
  C: Na heeft een grotere straal
  D: Na wordt meer afgestoten door de + ladingen in de porie

42) mutatie waarbij het ciliaire dyneïne niet meer werkt, wat is het resultaat hiervan?

  A: Het transport van mucus wordt verstoord.
  B: de coördinatie van de ciliaire beweging wordt verstoord
  C: Het basale lichaam kan niet vastgehecht worden
  D

43) Wanneer kinesine in een peptiderg neuron niet werkt, welk proces wordt dan verstoord?

  A: retrograad transport verstoord
  B: geen endocytose in de presynaps
  C: geen synaptische exocytose van de peptide neurotransmitter.
  D: Het synaptisch vesikel wordt meer geïnternaliseerd.

44) Welke uitspraak over retrograad transport klopt?

  A
  B: is nodig voor de juiste enzymen samenstelling van de compartimenten in Golgi
  C: stuurt verkeerd gevouwen eiwitten terug naar ER 
  D

45) Welke uitspraak klopt over de GLUT isovormen?

  A: De km van neuronale GLUT transporter ligt lager dan de fysiologische concentratie van glucose in het bloed.
  B: GLUT in pancreas werkt aan Vmax
  C: Vmax is een vaste waarde voor elk celtype
  D

46) Welke uitspraak over SRP klopt?

  A: Een C-terminaal signaalpeptide is niet compatibel met.... blabla.
  B: binding SRP aan mRNA stopt de translatie tijdelijk
  C: dit is een sorteersysteem om mature eiwitten naar het ER te sorteren
  D

47) een presynaps wordt gestimuleerd en daarna meet men depolarisatie in de postsynaps. De opstelling is zo gemaakt zodat er in de postsynaps geen AP kan ontstaan. Op beide tekeningen zie je een hobbel omhoog die niet boven 0mV uitkomt, en juist voor de hobbel staat "prikkeling in presynaps". De hobbel in 2 is hoger dan die bij 1. Welke interventie is er gedaan?

  A: muscarine
  B: inhibitor acetylcholine-esterase.
  C: curare
  D: inhibitor van Ca-spanningsgeschakelde kanalen

48) Twee neutrale moleculen X en Y hebben allebei een aparte transporter in het PM, ze hebben hetzelfde turnover number van 1000 per seconde en de extracellulaire concentratie van zowel x als y is 50mM. Wat is juist? (er was een grafiek gegeven en bij lage conc was x hoger dan y, maar bij hoge conc werden ze uiteindelijk gelijk)

  A: er zijn evenveel transporters voor X als Y
  B:  Y is een antagonist van X
  C: Bij evenwicht is X(intracellulair) > Y(intracellulair).
  D: iets met DeltaG is lager bij Y

49) Wat is waar over ionenkanalen in een cel?

  A: Efflux van Ca kost meer energie dan heropname door het ER.
  B: Bij ATP-tekort stijgt de intracellulaire K-concentratie
  C: In neuronale cellen blijft de Cl-concentratie laag door ATP-afhankelijke pompen
  D
 

50) over zure hydrolase die buiten de cel ligt, wat liep er mis?

  A: Probleem met endocytose
  B: Probleem bij cotranslationele translocatie 
  C: Probleem bij posttranslationele modificaties in Golgi 
  D

Examen 2014-2015

Reeks 1:

1) Een cirkelvormige cel met een straal van 30 micrometer ligt in een isotoneoplossing. Aan deze oplossing voegt men een vloeistof toe tot men eenconcentratie heeft van 500 microM. De permeabiliteitsconstante van de membraanvoor de stof is 10^-6 cm/s. Wat is de intracellulaire concentratie na 1000seconden?

  A) 250microM   
  B) 315 microM.  
  C) 165 microM   
  D) 450 microM

2) Vm=-30mV , pH extracellulair= 7,5, wat is pH intracellulair?

  A: 7,7
  B: 7,0.
  C: 8,0
  D: 6,6

3) Wat is waar over spanningsgeschakelde K+ - kanalen?

  A: K+ moet alle watermoleculen afwerpen om getransporteerd te worden.
  B: Fysiologisch kunnen 4 K+ tegelijk binden
  C: Na+ wordt afgestoten door het negatieve binnenste van het kanaal.
  D: De kant van het kanaal (langs binnen) bestaat uit lysine residues

4) De concentratie voor Na intracellulair: 15mM en extracellulair: 15mM. Voor calcium zijn de concentraties intracellulair 10mM en extracellulair: 20mM. Vm = -80mV. (Het kwam erop neer dat de Encx -120 mV was) Vooreen Na+/Ca+ antiporter geldt dan:

  A: pompt Na+ naarbinnen en Ca naar binnen  
  B: pomt Na+ naarbinnen en Ca naar buiten  
  C: pompt Na+ naarbuiten en Ca naar binnen.
  D: pompt Na+ naarbuiten en Ca naar buiten

5) Hydropathieplot (even aantal hydrofoob), N-terminus in cytosol, aan eerste hydrofiel deel in extracell staat Glu aangeduid, aan 2e deel intracell Cys1 en aan 3e deel exoplasmatisch Cys 2

  A: C-terminus licht in extracell
  B: Cys 1 en Cys 2 kunnen S-brug vormen
  C: aan Glu kan een extracell eiwit binden.
  D: Deze hydropathieplot is van een GPCR

6) Hoe kan een bacterie overleven na fagocytose?

  A: fagosoom fuseert niet met endosoom.
  B: activering V-type en F-type ATPasen
  C: aanmaak van mannose-6-fosfaat
  D:verhinderen vorming secretorische vesikels aan TGN

7) Mutatie in Ras-oncogen. Welke uitspraak is waar?

  A: tegengaan door inhibitie GPK
  B: het is een gain-of-function mutatie.
  C: Binding EGF aan receptor gaat tumorgroei tegen
  D: Inhibitie van MEF heeft geen effect op tumorgroei

8) Grafiek van proces zonder X-ion en grafiek van proces met X-ion (met X is deVmax lager, richting en Km grafieken is dezelfde) Het X-ion is

  A: eencompetitieve agonist  
  B: eencompetitieve antagonist  
  C: een niet-competitieve antagonist.
  D: eenniet-competitieve agonist

9) Watis essentieel voor processieve beweging van kinesine 1

  A: De aanwezigheid van 2 motordomeinen.
  B: Hoge affiniteit voor MT
  C: Atpase domein
  D: Binding van cargo

De vragen 10-13 hoorden allemaal bij elkaar. Er waren 3 Vm-I grafieken te zien waarbij je de Popen kon afleiden. De eerste grafiek was Vm=-40 mv, met een stroom van 2 pA. De tweede grafiek was Vm=-80 mv, met een stroom van -2pA. De derde grafiek tenslotte was een Vm=-120 mv, met een stroom van -6pA.

10) Wat is de single-channel conductantie van het ionenkanaal?

  A) 10 ps
  B) 100 ps.
  C) 200 ps
  4) 400 ps

11) Dit is een selectief ionenkanaal voor:

  A) Na+
  B) Ca2+
  C) K+
  D) Cl- (?)

12) Welke stelling is waar over dit ionenkanaal?

  A) Popen stijgt bij depolarisatie.
  B) De stroom is 0 bij -60 mV
  C)
  D)

13) Hoeveel K+ ionen kunnen er in 1ms verplaatsen? (op diagram was 2pA te zien dacht ik) (Vm = -40 mV)

  A: 600
  B: 12500.
  C: 50000
  D: 10002998327

14) (tekening van een cel met groene uitsteeksels) Welke uitspraak is waar?

  A: Activering cdc42 zorgt voor groene structuur.
  B:
  C:
  D: 

15) (tekening van cel in beweging met pijl A in richting van trailing edge, pijl B naar leading edge, pijl C naar midden) Welke uitspraak is waar?

  A: Cel beweegt in richting die pijl A aangeeft
  B: In punt B ontstaat vertakt actinenetwerk.
  C: In punt C zijn sarcomeren
  D: 

16) Wat gebeurt er IN het plasmamembraaan (haha) met Vm= -80 en normale intra- en extracellulaire condities? Welke uitspraak is correct?

  A: Actieve extrusie van K+ - ionen.
  B: Vorming van filopodia
  C: Syntese van steroïdhormonen
  D:

17) Wat is waar ivm de synaptische spleet?

  A: Vrijstelling acetylcholine gebeurt via constitutieve (of constutieve of iets dat ongeveer zo klinkt) secretie.
  B: Overbrengen van NT gebeurt via vesiculair transport
  C: NO vrijstelling gebeurt door gefaciliteerde diffusie
  D: 

18) Een mutatie inhibeert vorming SNARE's. Wat is correct?

  A: Minder vrijstelling van NT.
  B: Geen endocytose meer door verstoring in vorming clathrinemantel
  C: "zever"
  D: "gezeeeever"

19) (tekening van membraaneiwit met N-terminus buiten en C-terminus binnen, 1 transmembranair segment) De pijl duidde het transmembranair segment aan, wat is juist ivm het aangeduide deel?

  A: Stop-transfersequentie.
  B: Bindingsplaats voor AP2-eiwitten
  C: Hydrofiele alfahelix
  D: Signaalpeptide

20) Een kubusvormige cel heeft een zijde van 10 micrometer. De cytosolaire concentratie ATP bedraagt 5mM. Welke uitspraak is waar als de zijde met een factor 3 wordt vermenigvuldigd?

  A: De concentratie ATP zal met een factor 27 moeten vermeerderen om 5mM te bewaren.
  B: De opp/volumeverhouding of volume/opp verhouding verandert met factor 3
  C: 
  D:

21) (tekening van een grafiek van het celvolume dat verandert in de tijd, waarbij het in periode 1 volume 1 heeft, in periode 2 0,8 en in periode 3 opnieuw 1). Een cel bevindt zich in een oplossing met (was het 160?) een concentratie van NaCl, wordt in periode 2 in een glucose-opl gebracht en in periode 3 opnieuw in de eerste oplossing. Wat is de glucose-concentratie?

  A: 400.
  B: 364
  C: 192
  D: 100

22) (tekening over laterale mobiliteit van membraaneiwitten dia 133 ofzo) wat is correct?

  A: Bij 10 graden zal dit experiment sneller verlopen
  B: Zegt ons iets over flipflop
  C: Gaat over laterale mobiliteit van membraaneiwitten.
  D:

23) Een of andere aandoening (Zelweger syndroom?) gaat over opstapeling van zeer lange vetzuren (C22-24) in cel. Welk organel is defect?

  A: Peroxisoom.
  B: Golgi
  C: ER
  D: Mitochondrium

24) Een halve liter water bevat 1,5g NaCl (75 g/mol) en 2,2g CaCl2 (M:110g/mol). Hoeveel g glucose moet worden toegevoegd voor isotone oplossing?

  A: 8,1.
  B: 12,7
  C: 1,8
  D: 5

25) (tabel over axonemaal transport mitochondria, procent van transport anterograad en retrograad zonder en met Dnel ofsoiets. Anterograad was ongeveer hetzelfde met en zonder Dnel, Retrograad was half zo veel met Dnel. Wat is correct?

  A: Dnel is een activator van cytoplasmatisch dyneine
  B: Dnel is nodig voor binding mitochondria aan MT
  C:
  D:

26) (tekening van een membraanlipide, sfingomyeline. in elk geval 1 onverzadigde en 1 verzadigde vetzuurketen) Wat is correct?

  A: Dit membraanlipide verlaagt de fluiditeit van het membraan
  B: Dit zorgt voor de syntese van steroïdhormonen
  C:
  D:

27) Een inhibitor inhibeert spanningsgeschakelde K+ - kanalen. Wat veroorzaakt de activatie van deze inhibitor?

  A: Verlenging van de depolarisering.
  B: Lagere piek
  C: Hogere rustpotentiaal
  D: Verlaging drempelpotentiaal

28) (afbeelding van een structuur waarbij kern blauw en microtubuli groen gekleurd waren, pijl A stond naar kern, pijl B naar perifere einde van groene structuren, ...) Wat is correct?

  A: Dynamische instabiliteit situeert zich bij pijl B.
  B: Pijl A bevat gamma tubuline
  C: MTOC bevindt zich in pijl A
  D: Pijl B zijn filopodia

29) (grafiek over lengte + einde en - einde van MT met 3 fases aangeduid) wat is correct?

  A: Dit geeft dynamische instabiliteit weer.
  B: Om van fase 1 naar fase 2 te gaan moet je een MTOC hebben (?)
  C: tubulineconcentratie kleiner dan kritische 
  D: Dit geeft de treadmilling van microtubuli weer

30) Ach veroorzaakt een Ca2+ stijging. (grafiek van intracellulaire Ca2+ concentratie) Wat is het effect als de extracellulaire Ca afwezig is? (De grafiek was eerst een zeer hoge piek, daarna een sterke daling en daarna een zwakkere daling - het gaf de snelle respons (Ca2+ vrijstelling) en de trage respons (Ca2+ influx) weer -.

  A: zelfde grafiek: Hoge piek, snelle daling, trage daling
  B: andere grafiek: Rechte lijn (dus intracellulaire Ca concentratie verandert niet)
  C: andere grafiek: Hoge piek, snelle daling, horzontale rechte.
  D: andere grafiek: Lage piek, snelle daling, horizontale rechte

31) (2 grafieken die weergeven hoeveel LDL er gedurende een tijdspanne aan membraan gebonden is, geïnternaliseerd is en afgebroken is. 1e grafiek is controle => normale situatie, 2e grafiek is patient waarbij aan membraan gebonden LDL concentratie hoog blijft, zowel de geïnternaliseerde als de afgebroken LDL-concentratie blijft laag) Wat is waar over deze patient?

  A: Deze patient heeft een probleem met het vormen van clathrinemantel.
  B: Deze patient heeft geen LDL-receptor
  C: Probleem met fagocytose
  D:

32) *stof waarvan ik de naam niet meer weet* is een inhibitor van PLC gamma, wat is correct.

  A: *stof* heeft geen effect op stijging IP3 concentratie
  B: *stof* heeft geen effect op stijging PIP3 concentratie.
  C: *stof* zorgt voor een stijging van de DAG-concentratie
  D: 

33) Wat is zeker correct bij een spiervezel die opgespannen is?

  A: ATP nodig voor lossen myosinehoofdje.
  B: Actomyosine vormt stabiel complex
  C:
  D: 

34) Een eiwit met aan zijn C-terminus een KDEL-sequentie bevindt zich in het CGN. Wat is correct?

  A: Het zal worden teruggebracht naar ER.
  B: Het komt normaal voor in het TGN
  C: Het zal zich extracellulair bevinden na enige tijd
  D:

35) Vraag rond acenylaatcyclase

  A:
  B:
  C:
  D:

36) Vraag die iets met muscarine te maken had

  A:
  B:
  C:
  D:

37)

  A: fosforylering van G-proteïne zorgt voor activatie 
  B: GPCR werkt als een GEF voor G proteïne

38) Vraag over verschil fluiditeit ER en PM -> waarom is ER meer fluide?

  A: minder cholesterol.

39) Capsaicine (in rode pepers) werkt in op warmtekanalen in de mond. wat klopt niet?

  A: Capsaicine bindt rechtstreeks op receptor
  B: Zorgt voor stijging lichaamstemperatuur.

40) Je kreeg een grafiek met een stijgende rechte, de y-as stelde de influx voor van de neurotransmitter X, de x-as stelde de Vm voor. Welke stelling klopt?

  A. X is een ion
  B. Dit is een voorbeeld van eenvoudige diffusie
  C. Dit is een voorbeeld van gefaciliseerde diffusie
  D.

41) Er werd een macroscopische prent van een mitochondrion getoond (B), links boven was er ook een deel van het rER te zien (A). Welke stelling klopt?

  A. B zorgt voor de syntese van sfingolipiden
  B. A bevindt zich extracellulair
  C. A is het begin van de secretorische route.
  D.

42) Je kreeg een stroomspanningsdiagamma waarbij het snijpunt x-as Vm=-40 mV. (controle). Vervolgens was er een rode lijn getekend, evenwijdig aan de controle rechte, maar met snijpunt x-as Vm=-60 mV. Welke stelling klopt?

  A. De neurotransmitter is GABA

43)Wat is waar over een dunne darm epitheelcel?

  A. DNA zit enkel in de kern
  B. microvilli aan de basolaterale membraan
  C. glycocalix aan de cytoplasmatische zijde
  D.

44) Welke uitspraak over de synaptische spleet klopt?

  A. de synaptische spleet is de cytoplasmatische verbinding tussen post- en presynaps
  B. de NT transporteert zich m.b.v vesiculair transport doorheen de synaptische spleet
  C. Het inhiberen van acetylcholineesterase lokt een sterkere AP uit
  D.

45) Schorpioenentoxine inhibeert spanningsgeschakeld Kalium kanaal. Wat is juist?

  A. men verkrijgt een hogere rustpotentiaal
  B. men verkrijgt een langere piek van de AP
  C. men verkrijgt een langere AP
  D. 

Reeks 2:

1) *tekening van cholesterol*

  A: Is negatief geladen bij pH=7
  B: Is een precursor voor steroïden. 
  C: Zorgt voor een verhoging van de fluïditeit van het membraan
  D:

2) Tekening van fagocytose van een bacterie

  A: Pijl a is een endosoom (klein vesikeltje dat naar endosoom ging).
  B: Pijl b is een fagosoom (wijst naar lysosoom)
  C: Dit is receptor gemedieerde endocytose
  D: Fosfatedylserine dient hier als "eat-me" signaal

3) Zet in de juiste volgorde: 1. influx van Cl- 2. IPSP 3. Actiepotentiaal 4. Aanmeren van presynaptische vesikels 5. Activering Ca kanalen

  A: 
  B:
  C:
  D:

4) Hoeveel K+ ionen kunnen er in 1ms verplaatsen? (op diagram was 2pA te zien dacht ik) (Vm = -40 mV)

  A: 600
  B: 12500.
  C: 50000
  D: 10002998327

5) Je hebt een halve liter water met 1,5 g KCl ( 75g/mol) en 2,2g CaCl2 (110g/mol). Hoeveel gram glucose (180g/mol) moet je toevoegen voor een isotone oplossing

  A: 8,1g.
  B: 12,7g
  C: 1,8g
  D: 5g

6) Tekenen in eerst een lichte depolarisering (maar absoluut geen actiepotentiaal), vervolgens wordt er een product toegevoegd, daarna is er geen (lichte) depolarisatie meer. Welk product is toegevoegd?

  A: Inhibitor van het acetylcholine-esterase
  B: Toevoegen van muscarine
  C: Toevoegen van curare.
  D: Activering spanningsafhankelijke Ca kanalen


7) De concentratie voor Na+ intracellulair: 15mM en extracellulair: 150mM. Voor calcium zijn de concentraties intracellulair 10mM????? en extracellulair: 100nM????. Vm = -80mV. (Encx was -60 mV) Vooreen Na+/Ca+ antiporter geldt dan:

  A: pompt Na+ naar binnen en Ca2+ naar binnen  
  B: pomt Na+ naar binnen en Ca2+  naar buiten  
  C: pompt Na+ naar buiten en Ca2+  naar binnen
  D: pompt Na+ naar buiten en Ca2+  naar buiten


8) Oncogen mutatie van Ras

  A: loss of function
  B: Inhibitor van het MEK kinase zou niet functioneren
  C: Inhibitor van het GRB2/sos complex toevoegen
  D: Heeft een verminderde GTPase activiteit.

9) Een bolvormige cel heeft een straal van 10 micrometer. De cytosolaire concentratie ?????? bedraagt 5mM. Welke uitspraak is waar als de straal met een factor 4 wordt vermenigvuldigd?

  A:  De tijd dat stof X naar het midden van de cel diffundeert stijgt met een factor 16
  B:  oppervlakte/volume of volume/opp stijgt ?????
  C:
  D: lipiden in het membraan moet  stijgen met een factor 74??? Om gelijkt te blijven


10) K lekkanaal en Na kanaal: grafiek...

  A: drempelpotentiaal bij -60mV
  B: drempelpotentiaal bij -30mV.
  C: drempelpotenitaal bij -10mV
  D: top van de actiepotentiaal bij +60mV


11) Een cel bevindt zich in een glucose oplossing met 180mM, met volume 1. Daarna in een NaCl oplossing met concentratie X en volume 0,8, daarna terug in de glucose oplossing (volume terug 1). Wat is de NaCl-concentratie?

  A: 100
  B: 150
  C: 200
  D: 300

12) Tekening van type IV transmembranair eiwit, 4 transmebranaire segmenten (NH+ en COO- beiden in extracellulaire ruimte), 2de transmembranair segment wordt aangeduid:

  A: Start-transfer sequentie
  B: Stop-transfer sequentie.
  C: Signaalpeptide
  D: Dit is een hydrofiele alfa helix

13) Hydropathieplot van een oneven aantal hydrofoob transmembranaire segmenten, N-terminus in cytosol, aan eerste hydrofiel deel in extracellulaire staat Gys1 aangeduid, aan 2de deel extracellulaire Cys2, in 4e deel staat een asparagine residu aangeduid.

  A: Het asparagine residu kan worden geglycoliseerd
  B: Cys 1 en Cys 2 kunnen S-brug vormen.
  C: C-terminus bevindt zich ook in het cytosol
  D:


14) (tekening over laterale mobiliteit van membraaneiwitten) wat is correct?

  A: Bij 15 graden zal dit experiment sneller verlopen
  B: Zegt ons iets over flipflop van membraanlipiden
  C: Gaat over laterale mobiliteit van membraaneiwitten.
  D: De membraaneiwitten verplaatsen zich via actief transport


15) Een of andere aandoening zorgt ervoor dat de M-6-F tag niet wordt aangebracht? Voor welke ziekte zorgt dit?

  A: Lysosomale stapelingsziekte.
  B: Peroxisoom
  C: Mitochondrion
  D:

16) Over de endotheelcellen in de dunne darm is de volgende stelling correct:

  A: Er zijn enkel ribosomen in het cytosol
  B: Er is een Na/ glucose antiporter aanwezig in het basolaterale membraan
  C: Het juiste antwoord ben ik vergeten...
  D:

17) Puntmutatie in LDL receptor

  A: LDL bindt niet meer
  B: LDL wordt niet afgebroken door lysosomen
  C: Er vormt geen clathrine mantel
  D:

Examen 2013-2014

reeks 1

1. Een cirkelvormige cel met een straal van 30 micrometer ligt in een isotone oplossing. Aan deze oplossing voegt men een vloeistof toe tot men een concentratie heeft van 500 microM. De permeabiliteitsconstante van de membraan voor de stof is 10^-6 cm/s. Wat is de intracellulaire concentratie na 1000 seconden?

  a) 250 microM
  b) 315 microM.
  c) 165 microM
  d) 450 microM


2. Gegeven: Afbeelding + uitleg experiment dia 133; experiment wordt uitgevoerd bij 30°C

  a) Stap 5 wordt niet meer bereikt als het experiment wordt uitgevoerd bij 10°C.
  b) Het experiment toont de fluïditeit van membraanlipiden aan
  c) Bij toevoegen van cholesterol worden de membraaneiwitten sneller verdeeld
  d)?

3. Wat hebben kinesine I en myosine II met elkaar gemeenschappelijk?

  a) het zijn beide prossesieve motoreiwitten
  b) ze hebben een gelijkaardige opbouw hoofd-nek-staart
  c) Ca2+ is een regulator van de ATPase cyclus
  d) Binding van ATP zorgt voor dissociatie

4. Geg: intracellulaire pH= 7.2; Evenwichtspotentiaal voor protonen = -30mVWat is de extracellulaire pH?

  a) 7,7.
  b) 6,9
  c) 6,7
  d) 7,5


5. Het experimenteel geneesmiddel testanol wordt geïnjecteerd in vast weefsel. een uur na injectie meet men dat testanol 1cm gediffundeerd is. Hoe lang zal het duren eer Testanol gemiddeld 4cm gediffundeerd is?

  a)106 uur
  b)16 uur.
  c) 4 uur
  d) 2 uur

6. Wat is waar over spanningsgeschakelde K+ - kanalen?

  a) Deactivatie wordt bekomen door de insertie van een cytosolair element in de porie
  b) Deactivatie wordt bekomen door de beweging van de 4e transmembranaire helix.
  c) Bij inactivatie is de spanningsgevoelige helix altijd in rusttoestand
  d)?

7. Gegeven: grafiek zoals op slide 415 links. Wat is de single channel conductantie van het kanaal?

  a) 50pS
  b)
  c)
  d)

8. Hoeveel ionen gaan er in 1 ms door het membraan?

  a) 12500
  b)
  c)
  d)

9. Voor welk ion is dit kanaal selectief?

  a) Na+
  b)
  c)
  d)


10. Wat hoort niet thuis in het rijtje?

  a) Flagellum
  b) Filopodium
  c) Cillium
  d) Microvillus.

11. een zekere stof (?) reageert met catalase en geeft een zwarte kleuring in het organel, welk organel is er hier in de tekening zwart gekleurd?

  a)lysosoom
  b)mitochondium
  c)peroxisoom.
  d)...

12. Een transporter voor glucose heeft een Km van 3 mM. De extracellulaire concentratie bedraagt 150mM. De snelheid van de opname van glucose in de cel is:

  a) Nul
  b) Vmax/2
  c) Vmax.
  d) Oneindig

13. Een halve liter water bevat 9 gram glucose (M=180g/mol) en 1.5 gram NaCl?? (M=75 g/mol) Hoeveel CaCl2 (M=110) moet men toevoegen om een isotone oplossing te krijgen?

  a)1g
  b) 2g.
  c) 5g
  d)7g

14. In welke positie bevindt de myosinemotor zich tijdens rigor mortis?

15. Aconitine vertraagt de inactivatie van Na-kanalen. welk effect heeft dit?

  a) de piek van de actiepotentiaal daalt
  b) threshold stijgt
  c) De activiteit van de Na/K pomp stijgt.
  d) ?

16. Welke functies kan je bij een bacterie observeren?

  a) Ca uit het SR vrijstellen
  b) fagocytose
  c) aanmaak van membraanlipiden.
  d) peroxisomale afbraak van … 

17. Wat is het meest membraanpermeabel:

  a) glucose
  b) palmitinezuur (C16:0).
  c) water
  d) kalium 

18. (eerst grafiek van een lichte membraandepolarisatie, daarna sterkere & langere depolarisatie) Welke interventie is hier gebeurd?

  a) Toevoeging muscarine
  b) Inhiberen van cholinesterase
  c) toevoegen curare
  d) ?

19. Welke uitspraak is waar over K+ ionenkanalen?

  a) Na+ wordt tegengehouden door de positieve ladingen in het kanaal
  b) K+ moet zijn volledige watermantel afwerpen om door het kanaal te kunnen.
  c) Er kunnen 4 K-ionen tegelijkertijd in het kanaal zitten
  d) Er zijn lysine restgroepen naar de binnenkant van het kanaal gericht

20. Een patiënte heeft een mutatie in haar axonemale dyneïnes waardoor deze niet meer actief zijn. Welke uitspraak klopt?

  a) Er is geen vesiculair transport meer langs de microtubuli
  b) De ... kunnen niet meer ingeplant worden op (het MTOC?)
  c) Er is een probleem met de mucuslaag in de luchtwegen.
  d) De coördinatie van de bewegen van de cilia is verstoord

21. De concentratie voor Na intracellulair: 15mM en extracellulair: 150mM. Voor calcium zijn de concentraties intracellulair 100nM en extracellulair: 1mM. Voor een Na+/Ca+ antiporter geldt dan:

  a) pompt Na naar binnen en Ca naar binnen
  b) pomt Na naar binnen en Ca naar buiten.
  c) pompt Na naar buiten en Ca naar binnen
  d) pompt Na naar buiten en Ca naar buiten

22. Gegeven: een tabel met waarden van het aantal lipiden per soort voor 2 membranen van de secretorische route (Ik weet de getallen niet meer precies, dus ik ga gewoon meer en minder zetten, vul maar aan als je nog iets weet :) )

       Fosfoglyceriden  Sphyngomyeline   Glycolipiden   Cholesterol     ?

M1 80 minder minder minder M2 minder meer meer meer

  a) In membraan 2 zijn de lipiden gelijk verdeeld over beide lagen
  b) Membraan 1 is minder vloeibaar dan membraan 2
  c) Membraan 2 stelt het membraan van het golgi apparaat voor
  d) In membraan 1 gebeurt cholesterolsynthese. 

23. Een membraan bevat 1000 K+ kanalen met een single channel conductantie van 20 ps, Vm= -60mv, v1/2=-60mv, Vs = ? Wat is de Gx?

  a) 10 nS.
  b) 20 nS
  c) 40nS
  d) 5 nS

24. Wat is waar over Calmoduline

  a) Het wordt geactiveerd door fosforylering
  b) In zijn vrije vorm komt het vooral voor als Apocalmoduline.
  c) Binding met Calcium is irreversibel
  d)?

reeks 2

1. een cel met straal 30 µm ligt in een beker met isotone oplossing. Aan deze beker wordt een kleurstof toegevoegd met permeabiliteitsconstante 5x10^(-5) cm/s tot 500 µM. Hoeveel bedraagt de intracellulaire concentratie van die kleurstof na 1000s?

  a)
  b) 250
  c) 315
  d) 500.

2. Welke structuur kan je in een bacterie terugvinden en niet in een virus

  a) Eiwitten
  b) DNA
  c) ribosoom.
  d) mitochondriën

3. Wat is het effect van een inhibitor van specifieke kalium-lekkanalen?

  a) De drempelpotentiaal verlaagt
  b.) Op de piek van het AP is de stroom door Natrium kanalen nul.
  c)
  d) 

4. Wat is juist over selectieve K-kanalen?

  a) Na heeft een grotere diameter dan K
  b.) het is gunstiger voor K om zijn waterstofmantel af te werpen
  c) de drijvende kracht voor K+ is groter dan de drijvende kracht voor Na+
  d) Na wordt meer afgestoten door positieve ladingen in het kanaal

3 grafieken van een Patchclamp opstelling geregeld door Voltage clamp: Vragen over Stroom en P(open): intracellulair: 200 nM CaCl2 ; 15 mM NaCl ; 150 mM KCl extracellulair: 20 mM CaCl2 ; 150 mM NaCl ; 15 mM KCl 5. Over welk kanaal gaat het?

  a) selectief voor Na
  b) selectief voor Ca
  c.) selectief voor K
  d) selectief voor Cl

6. Vragen over P(open)

  a) daalt bij depolarisatie
  b) is negatief bij -120 mV
  c.) is het grootste bij -40mV
  d) P(open) is 0,8 bij -120mV

7. Hoeveel ionen gaan er door het ionkanaal gedurende 1ms bij -80 mV? (I = -6 pA)

  a.) 37000
  b) 500
  c) 500000
  d)

8. De conductantie is gelijk aan (IV ging door -120mV, -6pA en -60mV, 0pA)

  a) 10 pS
  b) 20 pS
  c.) 100 pS
  d) 200 pS

9. Hydropathie-index (even stransmembranaire domeinen en NH-terminus in cytosol)

  a.) a is een N-geglycosyleerd asparagine AZ
  b) COOH-terminus zit aan de exoplasmatische zijde
  c) de keten van AZ tussen b en d bestaat voornamelijk uit Valine, isoleucine en alanine
  d) c bindt met exoplasmatische eiwitten

10. Microscopische opname met rood gekleurde structuur (lag vlak aan de kern en een lichte rode schijn was te zien rond de kern). Hier gebeurt:

  a) detoxificatie van xenobiotica (=sER)
  b) synthese van sfingomyeline (=Golgi)
  c) begin van de endocytotische route (=rER)
  d) ..... (peroxisoom)

11. Welke grafiek geeft de Ca-respons weer in een cel in een medium zonder Ca?

  a) geen respons
  b) normale respons
  c) kleine bult, licht vertraagd (=plateaufase)
  d.) Korte, hoge piek

12. Tekening van fagocytose van een bacterie (die van in de boek)

  a.) pijl a is een endosoom (klein vesikeltje dat naar fagosoom ging)
  b) pijl b is een fagosoom
  c) dit is receptor gemedieerde endocytose
  d) Fosfatedylserine dient hier als "eat-me" signaal


13. Wat is waar over retrograad transport van de secretorische route?

  a.) inhibitie van NSF zorgt ervoor dat de retrograde vesikel niet kan binden aan target membraan
  b) de laatste stap van exocytose is dat de retrograde transportvesikel fuseert met het plasmamembraan
  c) 
  d)

14. Voor gefaciliteerde diffusie van glucose geldt:

  a.) zowel efflux als influx van glucose is mogelijk.
  b) het is afhankelijk van Vm
  c) Het is satuureerbaar omwille van de lage permeabiliteitsconstante van glucose
  d)

15. Voor het plasmamembraan van de intestinale dundarmcel geldt

  a) exo en cytosolisch blad hebben zelfde lipidensamenstelling
  b.) apicaal en basolateraal membraan hebben verschillende eiwitsamenstelling
  c) de fluïditeit is over het hele membraan gelijk
  d)

16. Voor ABC transport geldt:

  a.) dit is een voorbeeld van primair actief transport
  b) transporteert ATP door het PM
  c) Heeft E1 en E2 conformatie
  d)

17. Foto van arp2/3 complex

  a) dit proces wordt geregeld door Rho GTPase
  b) dit speelt zich af in de trailing edge van bewegende cel
  c.?) dit proces staat in voor het maken axonale uitlopers
  d) Dit is de vorming van stress fibers

18. Een patient heeft een gain of function mutatie in een M3 muscarine receptor. wat is een mogelijke behandeling?

  a.) RGK toevoegen
  b) Gsα inhiberen
  c) acetylcholine inhiberen
  d) Een competitieve antagonist toevoegen

19. Welke transportstap is correct beschreven

  a.) transport van Golgi naar ER is retrograad in de secretorische route
  b) axonaal transport van ER naar Golgi maakt gebruik van een kinesine motor
  c) endocytotische vesikels verplaatsen zich dmv een myosine motor
  d) 

20. De extracellulaire glucose concentratie bedraagt 5mM en de Km is 3mM. De concentratie verhoogt naar 50mM, wat wordt de Km?

  a.) 3 mM
  b) 30mM
  c) 0mM
  d) 50mM

21. Grafiek van proces zonder X-ion en grafiek van proces met X-ion (met X is de Vmax lager, richting en Km grafieken is dezelfde) Het X-ion is

  a) een competitieve agonist
  b) een competitieve antagonist
  c.) een niet-competitieve antagonist
  d) een niet-competitieve agonist

22. Het exoplasmatische deel van een LDLreceptor is gemuteerd, wat is het gevolg?

  a) internalisering van LDL is niet meer mogelijk
  b) LDL stapelt zich op in lysosomen
  c) LDL partikel bindt de receptor niet
  d) Clathrine/AP2 zullen niet worden gerecruteerd
  e) Lysosomen zullen niet samengaan met endosomen

23. Een tekening met een rechte stroom veroorzaakt door een neurotransmitter die de x as negatiever snijdt dan de Vm

  a.) De NT is GABA
  b) De NT veroorzaakt een AP
  c) De NT veroorzaakt een depolarisatie
  d) De NT veroorzaakt een epsp

24. Wat is waar voor second messengers?

  a) afbraak van de second messenger is voldoende om de signaaltransductiecascada stil te leggen
  b) binding van een ligand zorgt voor cytosolische verschijning van second messenger
  c.) éénzelfde kan naargelang de cel een ander transductiepad (of effect) veroorzaken
  d)

25. Wat is waar over een eiwit

  a) Alleen mature eiwitten worden gesorteerd
  b.) Eiwitten zonder sorteringssignaal blijven in het cytosol
  c) Nucleair import vergt vesiculair transport
  d) sortering gebeurt cotranslationeel

26. Vraag over rigor mortis: de 4 tekening van binden, welke stelt rigor mortis voor (chronologische volgorde)

  a) tekening 1
  b) tekening 2
  c.) tekening 3
  d) tekening 4

27. Zelfde vraag over samenstelling van 2 membranen als in eerste examen.

28. Wat is het meest membraanpermeabel

  a) Chloride ion
  b) DNA
  c.) linolzuur (18:2)
  d) inositol 3,4,5 trifosfaat

29. Een gain of function van Ras kan bestreden worden met

  a) inhibitor GSK
  b.) inhibitor MEK kinase
  c) 
  d)

30. Zet in de juiste volgorde Sos activeert Ras --> activeren MAP (of MEK) -->translocatie naar de kern --> regelen transcriptie--> overgang G1-S

31. RGS (regulator of G protein Signaling kan leiden tot

  a.) Vermindering actief adenylaatcyclase
  b) dissociatie van trimeer G protein
  c) activering van (... nog iets met G protein)
  d)

32. Er zijn 2000 K kanalen,Yk = 20 pS , V1/2 = -60mV , Vs = ? Als Vm = -60 mV, dan is de conductantie:

  a) 10 nS
  b.) 20 nS
  c) 50 nS?
  d) 100 nS?

33. Na 1 uur is een product gemiddeld 1cm gediffundeert. Hoe ver is het gemiddeld gediffundeert na 4 uren.

  a.) 2 cm
  b) 4 cm
  c) 8 cm
  d) 16 cm

34. Je hebt 1,5 g KCl ( 75g/mol) en 1,9g CaCl2 (95g/mol). Hoeveel gram glucose (180g/mol) moet je toevoegen voor een isotone oplossing

  a.) 8,1g
  b)
  c)
  d)

35. een presynaps wordt gestimuleerd en daarna meet men depolarisatie in de postsynaps. De opstelling is zo gemaakt zodat er in de postsynaps geen AP kan ontstaan. Op beide tekeningen zie je een hobbel omhoog die niet boven 0mV uitkomt, en juist voor de hobbel staat "prikkeling in presynaps". De hobbel in 2 is hoger dan die bij 1. Welke interventie is er gedaan?

  a) toevoegen muscarine
  b.) inhibitie acetylcholinersterase
  c) Toevoegen muscarine
  d) Toevoegen ...

36. 2 reactievergelijkingen: 1: 2 RH2 + O2 --> 2 H2O2+ 2R 2: CH3-CH2OH + H2O2 --> CH3-CHO

  a) Reactie 1 beschermt de cel tegen reactive oxygen species (ROS)
  b.?) Beide komen voor in peroxisomen
  c) 1 is een catalasereactie
  d) 2 is een oxidasereactie (er stond oxidase, geen peroxidase dus weet niet of het juist is)

37. Welke functies kan je bij een bacterie observeren?

  a) Ca uit het SR vrijstellen
  b) fagocytose van bacteriën
  c.) aanmaak van membraanlipiden
  d) peroxisomale afbraak van vertakte vetzuren

38. Vraag over myosine-actine

  a) Ca zorgt voor conformatieverandering van myosinehoofdje
  b.) Bij verhogen Ca in cytosol is er een verhoging van ATP hydrolyse
  c) Er moet een verhoogde ATP concentratie zijn voor contractie
  d)

39. Wat is essentieel voor processieve beweging van kinesine 1

  a) Hoge affiniteit van motor voor MT
  b.) De aanwezigheid van 2 motordomeinen
  c) groter affiniteit voor cargo
  d)

40. Wat is geen wijze van cytisolische Ca concentratie verhoging in een prikkelbare cel

  a) Na kanalen die openen
  b) Activeren Ryanodine receptor
  c.) IP3 en DAG pad
  d) 

41. tekening van MF en MT (MF waren rood en MT waren groen) 3 punten gegeven in de tekening

  a) Punt A (naar rood) zijn intermediaire filamenten
  b.) Punt B (naar groen) zijn cytoplasmatische microtubuli
  c) Punt B (naar groen)  is een lamellipodia
  d) Punt C (naar rood) is het corticaal skelet (waren stressfibers leek me)


42. Deze cel is behandeld gekleurd mbv antilichamen gericht tegen Beta tubuline. 3 punten zijn aangeduid. A wijst naar de punt van 1 uitlopende lijn B ligt in het midden van een felgekleurde regio en C wijst eigenlijk naar niet veel

  a) C is een filopodium
  b) A wijst naar de negatieve kant van een MT
  c) Bij B gebeurt catastrofe
  d.) MTOC ligt in de nabijheid van B

43. Concentraties: Na intracellulair: 15 mM extracellulair 150 mM

Calcium: 100nM intracellulair en 10mM extracellulair

Encx zal bij Vm -80mV:

  a) Na naar buiten en Ca naar buiten
  b) Na naar binnen en Ca naar buiten
  c.) Na naar buiten en Ca naar binnen
  d) Na naar binnen en Ca naar binnen

44. Vm = -36mV pH intracellulair is 7,2 ; wat is de extracellulaire pH?

  a) 7,6
  b.)7,8
  c) 6,8
  d) 6,6

45. Wanneer stijgt de snelheid van axon-AP

  a) Verhoging lengteconstante
  b) verlaging membraanweerstand
  c) multiple sclerose
  d)

Examenvragen '12-'13

1) Een tekening met rood gekleurde microfilamenten, met allemaal dunne uitsteeksels.Bestand:F-actine.jpg

  A) Er is een activering van het Cdc42 complex.
  B) Er is verhoogde stress fiber contractie.
  C) Er worden lamellopodia gevormd.
  D) Er is verhoogde celadhesie (focale adhesie)

2) Een hydropathieplot getekend (qua vorm zoals de eerste tekening van de link) Er stond bijgeschreven dat het bovenste deel hydrofoob was en het onderste hydrofiel. Op het 2e hydrofiele gedeelte stond er een punt A aangeduid. Dan was er een tweede tekening bij van een transmembraneire halix met in het extracellulaire deel de N-terminus. Welk van de volgende is juist:

LINK 1: http://ars.els-cdn.com/content/image/1-s2.0-S000527280600171X-gr4.gif

tekening 2 : Bestand:Transmembranaire helix.jpg

  A) De N- en C- terminus liggen beide aan dezelfde kant van het membraan.
  B) Er is 1 transmembraneire α-helix
  C) Iets met dat A aan de extracellulaire kant kan binden.
  D) ...

3) Een persoon heeft een bepaalde mutatie in een gen voor een enzym dat mede lange VZ afbreekt. Nu kan die persoon dat dus niet meer. Welke ziekte wordt er hier bedoeld.

  A) mitochondriaal
  B) lysosomaal
  C) peroxisomaal
  D) ...

4)Gegeven is een I(t)-grafiek bij verschillende Vm zoals op dia 11 van Les 4 van prof. Voets over 'De cel als elektrisch circuit' (wel niet dezelfde grafiek).

  -) Welke uitspraak is juist i.v.m. de openprobabiliteit van het kanaal (weet niet meer de juiste mogelijkheden)
  -) Als het kanaal opent bij -60 mV, hoeveel ionen stromen er dan naar binnen? (te berekenen met Q=I*Δt en Q van 1e=1.60*10^-19)
  -) Is het kanaal selectief voor Na, K, of Cl? (denk dat het Na was)
  -) wat is de 'singel channel conductantie' van 1 kanaal?

5) Stof A bindt op receptor R1 met een Kd van 10^-7 en op receptor R2 met een Kd van 10^-9. Stof B is een antagonist voor beide receptoren en bindt op R1 en R2 met een Kd van 10^-8 voor beide receptoren. Dan geldt...

  A) B is een betere antagonist voor R1 dan voor R2
  B) Er zijn meer R1 dan R2 receptoren
  C) Bij conc= 10^-8 zal R1 harder werken

6) Kanker die ontstaat door Gain Of Function mutatie van MEK kan je behandelen met

  A) een inhibitor van MAP kinase
  B) Het Ras molecule inhiberen
  C) Een GAP voor de G-proteine toevoegen
  D) Een antagonist voor RTK

7) Voor een hydrofiel hormoon als signaalmolecule geldt...

  A)een Ca-signaal is vereist voor vrijstelling van het hormoon
  B)ze binden aan membranaire receptoren
  C)ze binden op een niet omkeerbare wijze aan hun receptor
  D)

8) Gegeven is een V(t) grafiek van de postsynaptische potentiaal. Na behandeling depolariseert de postsynaps sterker. Waaruit bestond de behandeling.

  A) toedienen van acetylcholine-esterase
  B) toedienen van een inhibitor van Ca-kanalen
  C) toedienen van curare
  D) toedienen van muscarine

9) Een zenuw geleidt beter dankzij...

  A) een toename van λ
  B) Multiple sclerose 
  C) Een verhoging van de permeabiliteit van het membraan

10) Een bolvormige cel wordt groter totdat r2=3*r1 (straal wordt 3 keer groter). Dan geldt...

  A) het volume van de cel wordt driemaal zo groot.
  B) de concentratie van de enzymen moet toenemen met een factor 27 om de cellulaire processen op dezelfde snelheid te doen verlopen.
  C) de A/V ratio neemt toe
  D) een glucosemolecule doet er 3 keer zo lang over om van het plasmamembraan in het centrum van de cel te geraken

11) Welke AZ treft men met de grootste kans aan in een transmembranaire helix. (= is gelijke kans, > is grotere kans)

  => Leu=Val > Gly > Glu = Arg

12) Hoe kan een bacterie na internalisatie door een cel verhinderen dat het afgebroken wordt?

   A) activeren van de V-pompen in het fagosoom
   B) vermijden van fusie met een endosoom
   C) het toevoegen van een mannose-6-fosfaat tag induceren
   D) ?

13) In een cholinerge neuron worden de kinesine-motoren geblokkeerd. Welk effect zal dat hebben?

   A) geen afgave van acetylcholine meer
   B) geen endocytose van acetylcholine meer
   C) geen retrograad transport
   D) geen ciliaire beweging van partikels meer in het axon

14) In een cel is Ecl >Vm >Ek. Wat is juist?

   A) er is een inwaartse flux van K-ionen
   B) er is een inwaartse flux van Cl-ionen
   C) het celvolume neemt toe
   D) het celvolume neemt af

15) Wat draagt bij tot de selectiviteit van een K-kanaal?

   A) het afwerpen van de H2O-mantel van K is energetisch gunstiger dan bij Na
   B) Na heeft een grotere straal dan K