Microbiologie en infectieziekten (E06Y4A)

Uit WikiMedica
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


[E06Y4A] - Microbiologie en infectieziekten
Willy Peetermans
Geneeskunde
Fase 3e fase
Semester 1e en 2e semester
Studiepunten 8 stp.
KULeuven Syllabus


Algemeen

Proffen: Peetermans Willy (coördinator) | Schols Dominique | Van Eldere Johan | Van Ranst Marc | Vanmellaert Godelieve

OLR1 De bachelor in de geneeskunde heeft kennis van en inzicht in de werking van de cel, de weefsels, de organen en het menselijk lichaam in interactie met de omgeving, in normale en pathologische omstandigheden en rekening houdend met de bevindingen uit de epidemiologie.

OLR15 De bachelor in de geneeskunde heeft inzicht in de organisatie van de gezondheidszorg en de maatschappelijke context.

OLR17 De bachelor in de geneeskunde kent de voornaamste biologische, psychosociale en economische aspecten die de gezondheid van de patiënt kunnen beïnvloeden.

OLR20 De bachelor in de geneeskunde heeft inzicht in de methodologie van wetenschappelijk onderzoek.

OLR21 De bachelor in de geneeskunde is in staat om gericht naar informatie te zoeken en de kwaliteit van medische bronnen kritisch te evalueren.

OLR25 De bachelor in de geneeskunde verwerft een ingesteldheid tot levenslang leren en tot het voortdurend bijsturen van eigen professioneel denken en handelen. Hij/zij reflecteert over zichzelf en het eigen functioneren.

Aan het einde van dit opleidingsonderdeel is de student in staat om - vertrekkend vanuit een kennis van de oorzakelijke kiemen en hun besmettings- en virulentiemechanismen - te komen tot een geintegreerde kennis en inzicht betreffende diagnose, symptomen en behandeling van een aantal belangrijke infectieuze ziektebeelden. De student kent de algemene principes van de relatie gastheer - micro-organisme en van de correcte toepassing van een rationele antimicrobiele therapie.

3 sp. Algemene en medische bacteriologie, mycologie en parasitologie en inleiding tot de antibiotica (B-KUL-E06Y4a)

1.5 sp. Algemene en medische virologie, vaccins en antivirale middelen (B-KUL-E06Z8a)

1.5 sp. Infectieziekten (B-KUL-E06Z9a)

0.8 sp. Klinische colleges infectieziekten (B-KUL-E07Z0a)

0.6 sp. Practicum bacteriologie en antibiotica (B-KUL-E07Z1a)

0.6 sp. Practicum virologie en antivirale middelen (B-KUL-E07Z2a)

Examenvorm

Het examen bestaat uit drie delen

1) een deel bacteriologie, mycologie en parasitologie 2) een deel virologie 3) een deel infectieziekten

Elke student legt mondeling examen met schriftelijke voorbereiding af van één van deze drie delen; de twee andere delen zijn volledig schriftelijk. De student weet op voorhand welk deel mondeling zal worden geexamineerd

Voor elk van de drie delen bestaat het examen uit twee soorten vragen

1) een deel open vragen : over dit deel wordt eventueel ook mondeling ondervraagd (weging 50%) 2) een aantal meerkeuzevragen (met giscorrectie) (weging 50%)

Het finale examenpunt is een gewogen gemiddelde van de drie delen als volgt

50% op het deel bacteriologie (37.5%), mycologie en parasitologie (12.5%) 25% op het deel virologie 25% op het deel infectieziekten

Deelname aan de practica bacteriologie en virologie zijn een voorwaarde om te mogen deelnemen aan het examen.

- Studenten die een practicum missen krijgen de mogelijkheid om de gemiste sessie via een evenwaardige vervangopdracht (of de sessie in zijn geheel) in te halen tijdens het semester

- Studenten kunnen dit enkel op basis van een gegronde reden (bv. ziekte gestaafd met attest) en dit voor maximaal 20% van de volledige reeks

- De evenwaardige vervangopdracht voor een van de sessies (of het inhalen van de sessie) is met de coördinator/practicumverantwoordelijke af te spreken evenals de inlevertermijn

- Indien deze vervangopdracht/inhaalsessie goed volbracht wordt, kan de student alsnog deelnemen aan het examen van de eerste zittijd

- Indien deze vervangopdracht/inhaalsessie niet goed volbracht wordt, kan de student niet deelnemen aan het examen van de eerste zittijd, alsook niet aan het examen van de tweede zittijd

- Er is geen vervangopdracht voor de gehele reeks practica. Bij afwezigheid neemt de student het volledige OPO het daaropvolgende academiejaar opnieuw op

Tips

Bestanden

Bestanden kan je hier vinden. Nieuwe bestanden kan je hier uploaden.

Examenvragen

Examenvragen 2019-2020

HEREXAMEN 31/08

Open vragen

Bacteriologie:

- Bespreek de pathogenese van T. pallidum en link aan de symptomen. Leg ook uit hoe de diagnose gesteld wordt.

- Leg uit: MIC50, AUIC, anatoxine, SDD, geconjugeerd vaccin

Mycologie & parasitologie:

- Leg uit: mycoma, tinea nigra, galactomannan, conidiofoor, onychomycose

- Leg besmettingswijze, levenscyclus en symptomatologie uit van T. solium.

Virologie:

- Hepatitis D

- Geef de labotesten om antistoffen aan te tonen

- Leg de manieren uit waarop een virus de cel kan verlaten

Infectieziektes:

- Leg oorzaken, pathogenese en behandeling van koorts uit

- Behandeling en toedieningsweg van: … (bijna allemaal van vorige jaren) 

MKV

1. meest gebruikte microbiologische test om corona aan te tonen

a. PCR

b. viruskweek

2. Genoom van papillomavirus

a. circulair dsDNA

3. Welke uitspraak over ontsmetting van wonden klopt

a. met alcoholische oplossing

b. altijd met zuurstofwater

c. altijd reinigen vooraf

d. best met mercurochroom

e. voor alle wonden hetzelfde

4. Welke uitspraak over koorts na de tropen is juist?

a. amoebenabces krijg je door het zwemmen in zoet water

b. als malariaprofylaxe goed genomen is, kan je malaria schrappen als diagnose

5. Meest voorkomende oorzaak van resistentie tegen fluoroquinolonen

a. minder porines in buitenmembraan

b. acetylatie

c. methylatie

d. inhibitie van binding aan doelwit

e. verandering in ribosomen

6. welke uitspraak over carpabenems is juist

a. actief tegen MRSA

b. gevoelig voor metallo B lactamasen

7. C. diphteriae

a. komt veel voor in België

b. produceert toxine die verantwoordelijk is voor de symptomen

8. Y. enterocolica

a. vooral in zomer en herfst

b. door eten van rauw rundsvlees

c. heeft secretiesysteem om toxinen in te spuiten in macrofagen

d. geeft bloederige diarree

9. B. antracis

a. geeft vooral infecties bij mensen die veel in contact komen met dieren

10. Leishmaniase

a. meeste mortaliteit bij mucocutane vorm, minder bij viscerale

b. kan viscerale, mucocutane en cutane vorm veroorzaken

11. Virussen

a. kunnen de cel verlaten door budding en cellyse

12. mycosen van de huid

a. zelden jeuk en algemene symptomen

b. Wordt piedra genoemd

c. kan verdikking en broosheid van nagels geven

d. tasten nooit de haren aan

13. CNS (= coagulase negatieve stafylokokken)

a. geeft huidinfecties

b. geeft vreemd lichaam infecties

c. …

14. Hoeveel nieuwe HIV seropositieve pt bij in één jaar in België

a. 100

b. 1.000

c. 10.000

d. 100.000

15. Celwand-actieve antibiotica

a. Hebben veel nevenwerkingen

b. Bevatten bacitracine die zorgt voor een inhibitie van transmembranair transport van peptidoglycaan subunits

c. Worden vaak gecombineerd met het b lactamase inhiberende clavulaanzuur en meropenem

d. Bevatten d cycloserine die de omzetting van D Alanine tot L alanine inhibeert

e. Bevatten teicoplanine die de glycopeptiden verbinding inhibeert

16. Wat is cocoonvaccinatie bij tetanus?

a. …

17. Belangrijkste in behandeling van septische shock

a. cristalloïden + dobutamine

b. cristalloïden + noradrenaline

c. cristalloiden + zuurstof

d. …

e. …

18. Pneumocystis Jiroveci

a. bij pneumonie noemen we het PCP

b. besmetting gebeurt door sporen uit de omgeving

c. komt veel voor bij diabetes patiënten

d. …

19. De celwand van bacteriën bevat volgende eigenschappen:

a. bevat altijd peptidoglycaan

b. beschermt de bacterie tegen antibiotica

20. Welke van volgende bevat antigenen om op te sporen met serologie?

a. celwand

b. celmembraan

c. flagella

d. …

e. ...

21. Welke behandeling voor 2e stadium van syfilis?

a. benzathine penicilline G intramusculair

22. Bij nosocomiale infecties wordt vaak een puntprevalentiestudie uitgevoerd. wat is de definitie?

a. …

23. Hoe kan je besmetting met een obligaat / primair pathogeen vermijden?

a. protectieve isolatie

b. bronisolatie

c. vaccinatie

d. …

24. Hoe werken RT-inhibitoren bij HIV?

a. voorkomen van het omzetten van het HIV RNA in dubbelstrengs DNA door reverse transcriptase

b. voorkomen de fusie van de membranen

c. voorkomen de synthese van proteinen

d. voorkomen de insertie in het menselijke DNA

25. Welke waren de grote epidemies van influenza?

a. …

b.


EERSTE ZIT 24/06

Open vragen

Bacteriologie:

- Bespreek EHEC en EPEC (pathogenese en besmetting, betekenis afkorting en ziektebeeld)

- Wat is het verschil tussen tijdsafhankelijke en tijdsonafhankelijke AB, waarom is dat van belang en geeft ook van elke categorie een voorbeeld.

Mycologie:

- Bespreek de algemene kenmerken van oppervlakkige mycosen, geef ook 2 voorbeelden

- Bespreek Trypanosoma Cruzi

Infectieziektes:

- Bespreek Aspergillose

- Wat is de beste maatregel die je kan nemen bij?

o Zwangere vrouw tijdens griepepidemie

o diagnose malaria

o voorkomen van Clostridium infectie overdragen in ZKH

o voorkomen hyperthermie bij koorts

o ….

Virologie:

- Bespreek hepatitis A

- Bespreek complementfixatie test

- bespreek Werking neuraminidase inhibitoren 

MKV

Wat is typisch aan de opbouw van een bacteriecel?

a DNA in nucleus, celmembraan, celwand

b vrij DNA in de cel, celwand en mitochondriën

c vrij DNA in de cel, celwand en soms reservegranulen

d DNA in nucleoïd, geen celorganellen buiten endoplasmatisch reticulum

e geen van bovenstaande

Welk virus is ssRNA?

a mazelenvirus

b parvovirus B19

c herpes …

d geen van bovenstaanden


a alle bovenstaande

Wat is een vorm van sterilisatie?

a pasteurisatie en …

b via luchtfiltratie (bv. in een operatiezaal)

c hete lucht en vochtige lucht

Vraag over T. gondii

Fluoroquinolonen

a niet geven aan zwangeren en kinderen

b

Corona: meest typische symptoom

a koorts

b hoesten

c diarree

d geur- en smaakverlies

e niezen

Het genoom van HIV

a gesegmenteerd ds RNA

b niet gesegmenteerd ds RNA

c gesegmenteerd ss RNA

d niet gesegmenteerd ss RNA

Hyperthermie komt door

a te weinig warmteafvoer

b te veel warmteaanvoer

c verstoord evenwicht tussen warmte af- en aanvoer

d verhoogde setpoint 

EERSTE ZIT 17/06

Open vragen

Bacteriologie:

- Bespreek parasieten die gevaarlijk zijn voor zwangere vrouw en waarom, hoe besmetting, levenscyclus: Toxoplasma gondii

- Bespreek volgende begrippen: hermafrodiet, hypnozoiet, tinea, dimorf, galactomannam

- Bespreek de laatste 2 stappen van de celwand synthese en de AB die hierop inwerken:

- Bespreek het verband tussen P aeruginosa en Mucoviscidose

Mycologie:

Infectieziektes:

- Bespreek Aspergillose

- 5 aandoeningen: welke antimicrobiële behandeling + toedieningsweg

o Pseudomembraneuze colitis

o Campylobacter jejuni

o Cytomegalovirus enterocolitis

o Gonokokken urethritis

o Invasieve aspergillose bij een leukemiepatiënt

- Bespreek pneumococcenvaccin bij volwassenen.

Virologie:

- Bespreek cytomegalovirus:

- Bespreek het cytopathogeen effect van virussen op de cellijnen

- Bespreek HIV replicatie en hoe de geneesmiddelen hierop inwerken  

MKV

Waardoor kan je met Toxoplasma besmet worden:

A) eten van met kattenfaeces besmette groenten

B) eten van niet goed gebakken hamburger

C) harttransplantatie


- A+B

- B+C

- A+B+C


Wat is de incubatieperiode van Covid-19?:

- 2 dagen tot 13 dagen

C. diphteriae

- komt veel voor in België

- produceert toxine die verantwoordelijk is voor de symptomen

- veroorzaakt nierinsufficientie

- komt voor als commensaal op de huid

Behandeling neurolyme

- ceftriaxone

Behandeling buiktyfus:

- ceftriaxone

fungi en bacteriën

- zelfde structuur cytoplasmamembraan

- kunnen polysaccharidenkapsel maken

Y. enterocolica

- vooral in zomer en herfst

- door eten van rauw rundsvlees

- heeft secretiesysteem om toxinen in te spuiten in macrofagen

- geeft bloederige diarree

macroliden

- zijn concentratie-afh

- geven QTverlenging

- afgeleid van ketolide AB

Malaria

- kan coma veroorzaken

- geeft vnml vermoeidheid

- kan vermeden worden door vaccinatie van kinderen jonger dan 5 jaar

- is een parasiet die in deze volgorde ontwikkelt: sporozoiet -> eventueel hypnozoiet -> merozoiet -> gametociet -> cyste

Hoeveel % HIV+ België?

- 3

- 0,3

- 0,03

- 0,003

Welke aandoening geeft aanleiding tot diagnose van AIDS?

- PCP

Welk virus ssDNA?

- parvovirus B19

Welke virussen ssRNA? norovirus, mazelen

- allemaal

Genoom van HIV

- ssRNA niet-gesegmenteerd

Virussen

- hebben enkel DNA of RNA, niet beide

S. aureus

- overgedragen via huidcontact en speeksel

- maakt geen polysaccharide kapsel

- Veroorzaakt duidelijke huidletsels fsoiets

- veroorzaakt SSS door epidermale infectie

T. pallidum

- spirocheet die niet gekweekt kan worden op celcultuur

Incidentie van nosocomiale infecties heeft als teller aantal nieuwe infecties, wat is noemer?

- per jaar

- per 1000 ziekenhuisbedden

- per 1000 ziekenhuisopnames

- per 1000 ziekenhuisdagen (hospitalisatiedagen)


Welk virus geeft epidermodysplasia verruciformis?

- HPV 5 en 8

- HPV 6 en 11

Opportunistische infecties zijn

- meestal nosocomiaal

- hetzelfde als nosocomiaal

- Kunnen ook bij gezonde mensen voorkomen

- Zijn altijd afkomstig van commensalen

Waar meeste mortaliteit?

- urosepsis

- diep veneuze kathetersepsis

- cryptogene S. aureus sepsis

- CNS sepsis uitgaande van abdominaal

GI-infecties

- zijn meestal van dierlijke oorsprong

- geven voedselvergiftiging

- altijd door commensalen

- zijn nooit invasief

Mycosen van de huid

- zelden jeuk en algemene symptomen

- Wordt piedra genoemd

- kan verdikking en broosheid van nagels geven

- tasten nooit de haren aan

wnr griepvaccin?

- oktober en november

- gelijk wanneer

E. histolytica

- kan door darmwand dringen en leverabces geven

- heeft minutavormen die niet pathogeen zijn en maximavormen die pathogeen zijn

- meestal door trofozoieten in drinkwater

- veroorzaakt diarree

Respiratoire infecties

- verspreiden zich altijd vanuit de keel

- altijd door aerosols

- worden het meest frequent veroorzaakt door hematogene verspreiding

- kunnen veroorzaakt worden door commensalen vanuit de keel

Bacteriën

- hebben cytoplasma met vrij DNA, ribosomen, eventueel reservegranulen, meestal een kapsel en soms uitwendige structuren zoals pili, fimbriae, ...

- zelfde met altijd kapsel en altijd uitwendige structuren

- ook antwoord met mitochondriën

Als een bacterie een MIC-waarde heeft boven de onderste limiet

- dan is die gevoelig

- dan is die resistent

- dan moet MBC bepaald worden

- dan moet er bijkomend getest worden

- geen van bovenstaande

LOS

- zwak immunogeen

- staat voor lipo-orchi-sacharid

- bevat enkel lipide A en core

- beschermt tegen uitdroging

Wat is fout ivm CD4 therapie

- CD4 aantal stijgt door antivirale therapie

- CD4 aantal stijgt bij virale infectie

- iemand met een laag CD4 in het begin heeft meer kans op (IRIS) syndroom

- CD4 aantal moet men bevestigen met Western Blot

Wat is juist?

- bij Katayama is er laag aantal eosinofielen

- bij ricketsiose gebruikt men doxycycline

- P. falciparum moet men nabehandelen voor hypnozoieten

Waarin verschilt kolonisatie met MRSA tov infectie met MRSA

- ingangspoort

- inflammatie

- positieve kweek

Bacillus antracis

- vormt sporen

- infecties via inhalatie

- via orale ingestie (faeco-oraal)

- via de huid via tekenbeten

Wat geven bij CAP ofzo iets

- CAP-1 …

- Een fluoroquinolone geven want is resistent geworden tegen macroliden

- Fluoroquinolone want is resistent tegen Beta lactam

- Geen van bovenstaande

Hantavirus Europese vorm:

- veroorzaakt ARDS

- shock door …

- shock door…

- interstitiële nefritis en dus nierinsufficiëntie

Polymyxines

-tot deze groep behoren: polymyxine B en colistine

- heeft weinig neveneffecten

- werkt enkel tegen groeiende bacterie

Vraag ivm genetisch materiaal van bacteriën

Examenvragen 2018-2019

HEREXAMEN 26/08

Open vragen

Bacteriologie

● bespreek pathogenese en ziektebeelden van T. Pallidum

● Leg uit: SDD, PBP, ESBL, LA-MRSA, VISA

Parasitologie

● Taenia saginata

● Trypanosoma cruzi

Virologie

● HHV8

● Soorten cellijnen

● HIV entry uitleggen

Infectieziekten

● PEP bij een verpleegkundige met percutaan prikaccident

● Geef de antimicrobiële behandeling en toedieningsweg voor

○ secundaire syphilis

○ VZV

○ pseudomembraneuze colitis

○ Invasieve aspergillose

○ Campylobacter jejuni

● Ziektebeeld van kattenkrabziekte: geef DD, hoe diagnose stellen en therapeutisch beleid 

HEREXAMEN 28/08

Open vragen

Bacteriologie:

- S. pneumonia pathogenese en ziektebeelden

- ASLO

- VDRL

- EAEC

- DOTS

- Panton-Valentine leukocidine

Mycologie & parasitologie:

- T. gondii besmetting, levenscyclus en symptomen

- Taenia solium levenscyclus

Virologie:

- Hepatitis D

- Geef de labotesten om antistoffen aan te tonen

- Leg de manieren uit waarop een virus de cel kan verlaten

Infectieziektes:

- AB-geassocieerde diarree

- Behandeling en toedieningsweg?

o 2de stadium syphillis

o GU

o ESBL producerende

o Neurolyme

o methicilline resistente Coagulase negatieve Staph. aureus

- Casus: HIV+wit beslag mond

o opstarten dossier welke onderzoeken?

o diagnose + behandeling mondletsel?   EERSTE ZIT 18/06 vm

Open vragen

Bacteriologie

● Vraag over sporenvorming

○ Welke bacteriën vormen sporen?

○ Waarom vormen bacteriën sporen?

○ Hoe zijn sporen opgebouwd en wat zijn de eigenschappen van sporen?

○ Wat is de implicatie van sporenvorming voor sterilisatie?

● Wat is dormante tuberculose?

Mycologie

● Welke mucocutane infecties kunnen er ontstaan door Candida: bespreek besmettingswijze, ziektebeelden, diagnostiek, voorbeschikkende factoren.

● Leg uit: scolex, conidioforen, schizont, merozoïeten, mycelium

Virologie

● Bespreek hepatitis B virus

● Geef de mogelijke labotesten om antistoffen aan te tonen

● Waarom kunnen sommige mensen niet met HIV besmet worden?

Infectieziekten

● Wat bepaalt de prognose bij sepsis?

● Diagnostiek van volgende ziektebeelden?

○ neurolyme bij niertransplantatie patiënt,

○ NGU

○ Giardia lamblia

○ Invasieve aspergillose bij longpatiënt

○ pseudomembraneuze colitis (+ geef ook oorzakelijk micro-organisme)

● Casus: man met stent voor myocardinfarct ligt in ziekenhuis. Heeft centraal veneuze katheter. Nu koorts en sepsis maar nog geen shock. Cultuur toonde S. aureus aan.

○ Wat is bron van bacteriëmie?

○ Wat is verdere diagnostisch en behandelbeleid?   EERSTE ZIT 18/06 nm

Open vragen

Bacteriologie

● Bespreek van fluoroquinolones

○ werkingsmechanismen

○ mechanismen van resistentie

○ PK/PD

○ 3 voorbeelden van fluoroquinolonen

● Pathogenese en ziektebeelden door H. pylori

Mycologie

● Bespreek de besmetting, levenswijze en symptomen van een infectie met Trichomonas vaginalis

● Bespreek diepe import mycosen

Virologie

● Bespreek varicella zoster virus

● Leg seroneutralisatie uit. Waarvoor gebruiken we het?

● Welke humane virussen zijn gesegmenteerd?

Infectieziekten

● Leg de behandeling van een septische shock uit

● Geef de gepaste AB en toedieningswijze bij volgende dingen

○ Campylobacter diarree, macroliden po

○ ESBL E coli, carbapenems;

○ Wondinfectie met MRSA, glycopeptiden: vancomycine, anders;

○ Lyme artritis, ceftriaxone iv n penicilline iv

○ Candida infectie met krusei, echinocandinen

● Casus over pt die gediagnosticeerd is met HIV, was vroeger IV-druggebruiker. Ze heeft echter geen (klinische) symptomen waardoor ze nu pas seropositief bevonden wordt.

Welke onderzoeken nodig voor opvolging en behandeling te plannen?   EERSTE ZIT 19/06 nm

Open vragen

Bacteriologie

● Wat is een goed vaccin?

Bespreek C. Trachomatis: besmetting, pathogenese en ziektebeelden

Mycologie

● Schistosoma: epidemiologie, levenscyclus, ziektebeelden

● Cryptosporidium: besmetting, levenscyclus, ziektebeelden

Virologie

● Hepatitis A

● Neuraminidase-inhibitoren

● Complementfixatie

Infectieziekten

● Koorts: pathogenese en behandeling

● Geef behandeling van en toedieningsvorm

○ Fluoroquinolones resistente Campylobacter jejuni diarree (ernstig)

○ Primaire syfilis sjanker

○ Fluconazole resistente Candida albicans fungemie

○ ESBL E. coli

● Casus: man pneumonie en nu veel erger ziek hoge AH-frequentie, heel lage bloeddruk, heeft zuurstof nodig

○ diagnose

○ onderzoeken aanvragen

○ initiële behandeling   EERSTE ZIT 20/06 nm

Open vragen

Bacteriologie

● EHEC: pathogenese en ziektebeeld

● Schijfjesantibiogram: beschrijf methode en hoe gevoeligheid aantonen

Parasitologie

● Oppervlakkige en cutane infecties: geef algemene kenmerken, specificaties en een vb van een infectie veroorzaakt door elk

● T. brucei: besmettingswijze, levenscyclus, symptomen

Virologie

● Herpes simplex virus (bijvraag: over welke herpesvirus vaccins er bestaan)

● Epidermodysplasia verruciformis (bijvraag: vaccins bij welke HPV virussen, hoe zijn deze gemaakt)

● Bespreek de cellijnen (bijvraag: waarom gebruiken we primaire niet meer)

Infectieziekten

● Pneumokokkenvaccin bij volwassenen.

● Geef antimicrobiële therapie en toedieningsweg:

○ Gonokokken

○ Campylobacter

○ Invasieve pulmonale aspergillose

○ pseudomembraneuze colitis

○ CMV hocolitis

● Casus over koorts na de tropen: vrouw 28j, gevaccineerd tegen gele koorts, HAV… sinds een week terug en heeft last van rilkoorts tem 39°, geen anamnestische/ ko bijkomstige tekens. Malariaprofylaxe gestopt sinds ze terug thuis is: welke diagnosen (kies 3), welke bijkomende onderzoeken   EERSTE ZIT 26/06

Open vragen

Bacteriologie

●	Neisseria gonorrhoea
●	Geconjugeerde vaccins vs niet-geconjugeerde (verwerking werkingsmechanisme geconjugeerde vaccins, doelpopulatie, 3 voorbeelden van geconjugeerde vaccins)

Parasitologie

●	Diepe mycose: opportunistische candidiasis. Bespreek besmetting, pathogenese, ziektebeelden
●	Bespreek de levenscyclus van P. falciparum

Virologie

●	Bespreek CMV
●	Replicatiecyclus van HIV en hoe medicatie daarop inspeelt
●	Welke cytopathogene effecten veroorzaken virussen op cellijnen?

Infectieziekten

● Bespreek ziekte van Lyme

● Microbiële diagnose (laboratoriumonderzoeken) van:

	Botulisme
	Secundaire syphilis
	Clostridium difficile
plasmodium falciparum

● Casus: man met septische shock.

	Diagnose?
	Testen?
	Beleid?

VERZAMELING UIT VERSCHILLENDE EXAMENS MKV

Waarin verschillen bacteriële en eukaryote cellen?
a.	opbouw celwand
b.	opbouw cytoplasmamembraan
c.	aanwezigheid ribosomen
d.	supercoiling DNA
e.	bacteriële cel heeft uitgebreider endoplasmatisch reticulum

Malaria
a.	kan coma veroorzaken. 
b.	…

CNS (= coagulase negatieve stafylokokken)
a.	geeft huidinfecties
b.	geeft vreemd voorwerpinfecties
c.	…

Puntprevalentiestudie wil zeggen dat 
a.	Het nieuwe aantal gevallen per dag
b.	Per 1000 patiënten
c.	Het aantal patiënten met antimicrobiële therapie

Hoeveel nieuwe HIV seropositieve pt bij in één jaar in België
A.	100
B.	1.000
C.	10.000
D.	100.000

Bordetella pertussis
A.	Wordt vaak overgedragen door volwassen met weinig symptomen tussen niet geïmmuniseerde kinderen 
B.	Zorgt voor infecties bij mens en dier
C.	Zorgt voor de pseudomembranen vorming 

 Welk virus is onderhevig aan genetische shift en genetische drift
A.	Influenza
B.	Andere virussen 

Welke virussen hebben enkelstrengig DNA
A.	Mazelen
B.	Herpesvirus type 8 
C.	Parvovirus B19 
D.	Alle bovenstaande 
E.	Geen enkele

Norovirus 
A.	Wordt ook winter vomiting bug genoemd
B.	Voornamelijk bij infecties volwassenen
C.	Heel overvloedig overgeven en gastroenteritis (geeft toch geen gastroenteritis?)
D.	Alle bovenstaande

Virussen 
A.	Kunnen enkel RNA en DNA in de cel, niet beide
B.	Hebben genetische informatie voor de productie van dubbele fosfolipidenlaag
C.	Hebben zowel RNA als DNA in hun capside 
D.	Hebben een gramnegatieve wand bestaande uit 1 mucolaag of zoiets

Treponema pallidum
A.	Is een spirocheet met een gramnegatieve celwand zonder LPS
B.	Diagnose gebeurt via titratie
C.	veroorzaakt polymorf exantheem onmiddellijk na besmetting 

De celwand van grampositieve bacteriën 
A.	Heeft geen teichoïnezuur
B.	Heeft lipoteichoinezuur
C.	Bestaat uit verschillende lagen peptidoglycaan met een verschillende samenstelling
D.	Is dunner dan de gramnegatieve celwand

Macroliden 
A.	Kunnen we onderverdelen in groepen met 13, 14 en 15 c's 
B.	Zijn een goede behandeling voor de atypische pneumonie 
C.	Bevatten de AB: reeks waarvan eentje geen macroliden was

Celwandsynthese Inhiberende ab
A.	Hebben veel nevenwerkingen
B.	Bevatten bacitracine die zorgt voor een inhibitie van transport van de substraten 
C.	Worden vaak gecombineerd met het b lactamase inhiberende clavulaanzuur en meropenem
D.	Bevatten d cycloserine die de omzetting van D Alanine tot L alaninen inhibeert
E.	Bevatten teicoplanine die de crosslinking inhibeert

Bij Koorts is er een stijging in de lichaamstemperatuur omwille van 
A.	Stijging setpoint 

Bij epidemiologie van infectieziekte houdt men rekening met
A.	geïnfecteerde pt
B.	gekoloniseerde pt
C.	geïnfecteerde en gekoloniseerde pt
D.	behandelde en niet-behandelde pt


Welke virussen hebben dsDNA
A.	Hepatitis virus → Meeste Hepatitis virussen hebben RNA. Enkel Hep B heeft DNA. 
B.	HPV
C.	Herpes virus
D.	Alle bovenstaande

Het HPV is
A.	linear dsDNA
B.	linear ssRNA
C.	circulair dsDNA
D.	circulair ssRNA

Welk virus is in België vaakst oorzaak van baarmoederhalskanker
A.	HPV type 1 en 2
B.	HPV type 16

Vaccinatie tegen rotavirus wordt gegeven aan
A.	Jonge kinderen
B.	Adolescenten en jongvolwassenen
C.	Volwassenen
D.	Ouder dan 65j
E.	Alle bovenstaande

Vaccinatie pneumokokken
A.	gecombineerd en niet-gecombineerd
B.	geconjugeerd en niet-geconjugeerd

Welk kenmerk moet een infectieziekten hebben om volledig uitroeibaar te zijn? 
A.	Dierlijk reservoir
B.	Menselijk reservoir
C.	Reservoir in omgeving 
D.	Direct transmissie 
E.	indirecte transmissie 
mor
A.	Niet aan zwangeren of kinderen geven 
B.	Geeft weinig bijwerkingen 
C.	Verstoort eiwitsynthese 

Wat is het belangrijkste bij een sepsis patiënt? 
A.	
B.	 colloïden + NA
C.	Synthetische colloïden + dobutamine 
D.	Cristalloïden + NA
E.	Cristalloïden + dobutamine 
F.	Synthetische colloïden + zuurstof 

Wat is de belangrijkste doodsoorzaak door? 
A.	Pneumonie door influenza
B.	Pneumonie door s. aureus
C.	Virale pneumonie 
D.	verergering van chronische aandoening 

Welk van deze virus(sen) heeft dsRNA?
A.	Rubella	
B.	HBV
C.	Rotavirus 
D.	EBV
E.	Alle bovenstaande 
F.	Virussen met dsRNA bestaan niet

Systemische candidase 
A.	besmetting door wonde
B.	
C.	kan vreemd-lichaam infectie veroorzaken met lage mortaliteit 
D.	transmissie van mens op mens

Penicilline
A.	niet voor zwangere vrouwen
B.	…

Examenvragen 2015-2016

Algemene en medische bacteriologie, mycologie en parasitologie en inleiding tot de antibiotica

03/06/16, namiddag

- Bespreek de werking, FK/FD, spectrum, bacteriostatisch-bactericide en resistentiemechanismen van glycopeptide antibiotica en geef 2 voorbeelden

- Bespreek de pathogenese en ziektebeelden van H. Pylori

- Bespreek Pneumocystis Jiroveci

- Bespreek de slaapziekte: welke parasiet en zijn levenscyclus


06/06/16, namiddag

- Bespreek Shigella: pathogenese en klinische tekens

- PK/PD en S I R link? (sensitive - intermediate – resistance)

- Bespreek de eigenschappen van fungi

- Bespreek de levenscyclus van Plasmodium Falciparum


14/06/16, voormiddag

- Bespreek pathogenese en ziektebeelden van S. aureus

- B lactam resistentie bij MRSA en S. pneumoniae, hoe komt dit tot stand? (bijvraag: S. pneumoniae resistentie: is dit tegen alle beta lactams?)

- Bespreek H. capsulatum

- Bespreek levenscyclus van P vivax


14/06/16, namiddag

- bespreek patho, ziektebeeld, … van vibrio cholerae

- ESBL, TEM, Mec A, AmpC

- bespreek : trypanosoma brucei

- bespreek de algemene aspecten van opportunistische infecties bij fungi en geef 2 voorbeelden


15/06/16, namiddag

- bespreek B lactam antibiotica (werkingsmechanisme, bactericide of bacteriostatische werking, PK/PD, de voornaamste resistentiemechanismen, geef de verschillende subgroeperingen bij penicillines met 1 concreet voorbeeld)

- bespreek B. pertussis ]

- bespreek Entamoeba histolytica

- bespreek schistosomiase


24/06/16, namiddag

- Bespreek gardia lamblia (levenscyclus, manier van overdracht en ziektebeeld)

- Bespreek de pathogenese en ziektebeelden van treponema pallidum

- Leg de PK/PD, resistentiemechanisme, werking van fluoroquinolonen uit en geef drie voorbeelden

- Bespreek: scolex, merozoiet, mycelium, conidiofoor, hyphae


Algemene en medische virologie, vaccins en antivirale middelen

03/06/16, namiddag

- Bespreek het Epstein Barr-virus

- Hoe werkt seroneutralisatie en waarvoor wordt het gebruikt?

- Hoe werken neuraminidase inhibitoren?


06/06/16, namiddag

- Bespreek replicatiecyclus HIV

- Bespreek werking neuraminidase inhibitoren.

- Welke labo testen bestaan er voor detectie van antistoffen


14/06/16, voormiddag

- Bespreek HHV8.

- Welke cellijnen bestaan er voor viruskweek?

- Bespreek kort de entry van HIV.


14/06/16, namiddag

- bespreek CMV

- wat is het delta agens

- waarom ontwikkelen sommige mensen geen HIV


15/06/16, namiddag

- bespreek varicella zoster virus

- cytopathogene effecten

- hoe kunnen nieuwe viruspartikels de cel verlaten


24/06/06, namiddag

- Bespreek epidermiodysplasie veruciformis

- Bespreek complementfixatietest

- Welke virussen hebben een gesegmenteerd genoom en welke voorbeelden bieden dit voor het virussen?


Infectieziekten

03/06/16, namiddag

- Bespreek pneumokokkenvaccinatie bij volwassenen


- Geef het juiste antibioticum + toedieningsweg:

1- sjanker

2- artritis in de knie na Lyme

3- Campylobacter diarree bij immuungecompromitteerde pt

4- CMV retinitis bij niertransplant-pt

5- aspergillose bij immuungecompromitteerde pt


- Casus: Vrouw, 72j, opgenomen op geriatrie. Ze had vorige week een pneumonie, die werd behandeld met amoxiclav. Nu heeft ze koorts tot 38.2°C, een gevoelig en opgezet abdomen, vrij hevige diarree met slijmbijmenging. CRP en leukocytose waren gestegen (nl.waardes gegeven).

1- Wat is de vermoedelijke diagnose?

2- Welk micro-organisme is de oorzakelijke verwekker?

3- Wat is je initiële behandeling?

4- Welke preventieve maatregelen neem je om verdere infectie te voorkomen?


06/06/16, namiddag

- Bespreek ziekte van Lyme.


- Casus met jongeman met harde sjanker. Hoe stel je de diagnose? Hoe behandelen? Welke testen vraag je nog aan?


- Welke antimicrobiële middelen schrijf je voor + toegangsweg?

1- Methicilline resistente S. epidermidis

2- Kathetersepsis met C. Krusei

3- Diarree door Giardia Lamblia

4- Diarree door Salmonella Enteritidis

5- pyelonefritis door ESBL producerende E. coli


14/06/16, voormiddag

- Bespreek prognose factoren sepsis


- Welke antimicrobiële middelen schrijf je voor + toegangsweg?

1- ESBL producerende E. Coli pyelonefritis

2- Campylobacter jejuni diarree

3- Candida glabrata, resistent aan fluconazole

4- Methiciline resistente S. epidermidis - bijvraag: weet je ook een toepassing van vancomycine per os?

5- Fluoroquinolone resistente S. pneumoniae pneumonie


- Een jongen van 32 jaar is HIV-seropositief bevestigd (screening + confirmatie positief). Hij presenteert zich nu met hyperkeratotische tongranden. Welke onderzoeken vraag je aan om dit dossier te klasseren voor behandeling en opvolging?

- bijvraag: welke onderzoeken kan je aanwenden om de diagnose van syffilis te kunnen stellen? - bijvraag: bij de I (=insult) van het PIRO concept: geef me een voorbeeld van een micro-organisme met een ernstige en van een met een minder ernstige vorm. - bijvraag: in de sofa score wordt het centraal zenuwstelsel in rekening gebracht. Hoe meet men dat? => GCS. nog bijvraag: aan de hand van welke 3 parameters is deze score opgesteld? => visueel, verbaal, motorisch.


14/06/16, namiddag

- bespreek antibiotica geassocieerde diarree


- bespreek de labodiagnose voor :

1- B. Henselae Lymfeklier

2- syfillis in 2e stadium

3- soortbepaling bij persoon met malaria


- casus 62 jarige pt , opgenomen in ZH met CVA, is halfzijdig verlamd, sind 2 dagen koorts, , …...ligt aan beademing, ontwikkelt ernstige sepsis maar geen septische shock. RX thorax normaal, longauscultatie normaal, heeft CVC, arteriele catheter en blaassonde. in bloed werd Staf aureus aangetoond. Wat is vermoedelijke oorzaak en wat is je beleid en therapie


15/06/2016 namiddag

- bespreek aspergillose: ziektebeelden, behandeling, diagnose


- meest aangewezen diagnostisch onderzoek voor:

1- giardia lamblia infectie met diarree

2- kattenkrabziekte met vergrote lymfeklier

3- secundaire syfillis

4- ziekte van lyme

5- brucella


- casus met vrouw die 3 weken op vakantie was geweest in de tropen: vaccinatie voor polio, hepatitis A en gele koorts, malaria profylaxe gestaakt wegens nevenwerkingen → sinds 5 dagen terug thuis en episodes van koorts en rillingen

1- geef 3 mogelijke diagnoses

2- hoe stel je de diagnose, via welke onderzoeken?


24/06/06, namiddag

- Hoe behandel je een septische shock?


- Wat is het beste dat je kan aanbieden?

1- een zwangere vrouw bij een ernstige griepepidemie

2- diagnose malaria

3- om maligne hyperthermie bij koorts te voorkomen

4- diagnose buiktyphus te stellen met salmonella


- Verpleegster wordt geprikt met gebruikte naald, waarvoor ze een bloedname heeft gedaan bij een HIV-patiënt met pneumocystis jiroveci pneumonie.

1- In welke categorie denk jij dat de bronpatiënt zit? Hoeveel telt zijn CD4 aantal en zijn viral load?

2- Hoe gaat je het postexposure profylaxe beleid bij de verpleegster aanpakken?

Meerkeuzevragen

Deze zijn best moeilijk en gedetailleerd, hier moet je de handboeken goed voor kennen. 40 MKV: 16 bacteriologie, 4 myco/parasito, 10 viro, 10 infectieziekten. Je hebt 4-6 antwoordopties, giscorrectie wordt toegepast.

Welk virus heeft dsDNA?

a. CMV

b. EBV

c. rotavirus

d. alle bovenstaande

vraag klopt niet. CMV en EBV hebben dsDNA. Rotavirus heeft dsRNA.


Tegen welke antibiotica heeft S. pneumoniae de meeste resistentie?

a. Eerst tegen macroliden dan tegen penicilline, minst tegen fluoroquinolones

b. Tegen penicillines, maar het wordt toch nog het frequentst gebruikt

c. Meer resistentie tegen penicilines dan tegen amoxiclav

d. …

e. …


Fungi...

a. zijn eukaryote cellen met dezelfde celwand opbouw als menselijke cellen

b. maken polysachariden zoals bacteriën

c. hebben een gelijkaardige celwand opbouw als bacteriën

d. …

e. ...


Welke stelling over Lyme is FOUT

a. Met een erythema migrans en een negatieve serologie kan je de diagnose van Lyme stellen

b. Met een positieve serologie kan je de Lyme als oorzaak voor chronische vermoeidheid stellen

c. …

d. …


Bij bacteriën is het cytoplasmamembraan:

a. het belangrijkste metabool orgaan

b. hetzelfde opgebouwd als bij eukaryote cellen

c. een belangrijk aangrijpingspunt voor bacteriën

d. belangrijk voor actief, maar niet voor passief transport

e. bevat het cytoplasmamembraan een bijzonder bacteriëel mitose apparaat


Facultatieve bacterien

a. verkiezen meestal zuurstof

b. zijn meestal niet pathogeen

c. gaan stuk bij een hoge redox

d. zijn meestal fermentatief, maar hebben soms ook aërobe respiratie

e. hebben geen SOD


Welke uitspraak over antibiotica is juist?

a. Cefalosporinen zijn opgedeeld in 6 generaties

b. Cefalosporinen zijn werkzaam tegen MRSA

c. Glycopeptiden zijn tijdsafhankelijk

d. …

e. …


H. Pylori

a. Wordt overgedragen van mens tot mens

b. Heeft protease als belangrijke virulentiefactor

c. Geeft darmulceraties

d. …

e. …


Y. Enterocolitica

a. Kan je oplopen door onvoldoende verhit rundsvlees

b. Komt vooral voor in de zomer en de herfst

c. Heeft een bijzonder secretiesysteem waarmee het toxine in de macrofagen kan injecteren

d. Geeft dysenterie

e. …


Sterilisatie door warmte

a. kan je best doen door verbranding

b. kan je best doen met vochtige warmte

c. kan je voor alle materialen gebruiken

d. kan je best doen met autoclavering en pasteurisatie

e. …


Bacteriën die via de GI tractus infecties veroorzaken

a. zijn nooit invasief

b. geven voedselintoxicaties

c. zijn vaak

e. …


Respiratoire infecties

a. worden overgedragen door aerosols

b. verspreiden altijd vanuit de keelholte

c. …

d. …


S. Pyogenes

a. kan pneumonie geven via hematogene verspreiding

b. is een oorzaak van post-infectieuze complicaties

c. met ASLO-test kan je acute infectie met S pyogenes meten

d. verhinderen via het A-proteïne complement activatie

e. geven in warme klimaten voornamelijk nasofaryngeale infecties


S. Aureus

a. kan via enterotoxineproductie een voedselinfectie geven

b. kan aanleiding geven tot het Toxic Shock Syndrome

c. …

d. …


N. Gonnorhea

a. is een aërobe grampositieve diplokok

b. is bij 30% van de mannen asymptomatisch

c. kan etterende conjunctivitis geven bij pasgeborenen

d. …

e. ...


B. Anthracis

a. geeft voedselintoxicatie

b. geeft vooral infecties bij mensen die veel in contact komen met dieren

c. vaccin behoort tot de basisvaccinatie

d. is een bacterie die als commensaal voorkomt in vee

e. …


P. Jiroveci

a. komt vnl voor bij diabetici

b. het ziektebeeld noemen we PCP

c. gaat vaak spontaan over

d. …

e. …


E. Histolytica

a. heeft onschadelijke minutavormen en schadelijke maximavormen

b. kan door de darmwand penetreren om in de lever een abces te vormen

c. nemen we op door water besmet met trofozoieten

d. …

e. …


P. Falciparum

a. kan latent in de lever aanwezig blijven

b. wordt overgedragen door anopheles-muggen

c. merozoieten invaderen de hepatocyten

d. …

e. …


Malaria

a. bij een negatieve dikdruppel mag je malaria uitsluiten

b. voor de diagnose van malaria heb je een positieve dikdruppel en een positieve bloedkweek nodig

c. met een dikdruppel kan je de parasitemie meten (nee, parasitemie is via bloeduitstrijkje)

d. met een dikdruppel kan je bepalen welk type parasiet de malaria veroorzaakt

e. …


Sepsis: definitie

a. SIRS tgv tumor b. SIRS tgv infectie

c. SIRS tgv tumor, infectie of systeemziekte

d. SIRS met orgaandysfunctie, hypotensie en hypoperfusie

e. …


Welke aandoening bij HIV seropositieve patiënt leidt ons tot de diagnose van aids?

a. recidiverende orale candidiase

b. hairy leukplakie

c. vermagering, diarree en koorts sinds 1 maand

d. bacillaire angiomatose door bartonella henselae

e. darminfectie met M. Avium


Welke patiënt heeft met meeste kans op een candida-sepsis?

a. pt na niertransplantatie

b. pt met granulocytopenie (=neutropenie, zie p.8 Peetermans)

c. pt met hypogammaglobulinemie

d. pt met urinaire verblijfscatheter

e. …


Welke behandeling gebruik je voor syfillis in tweede stadium?

a. benzathine peni G IM

b. …

c. …


Welk HPV-virus veroorzaakt bij ons meestal blaaskanker?

a. HPV 1 en 2

b. HPV 16

c. HPV 5 en 8

d. …

e. …


Waardoor sterven de meeste patiënten na griep?

a. door surinfectie met S. Aureus

b. door surinfectie met S. Pneumoniae

c. door falen van orgaansystemen obv onderliggende chronische aandoeningen

d. …

e. …


Griepvaccinatie:

a. doe je best in januari-februari, net voor de piek van het griepseizoen

b. doe je best in oktober-november

c. maakt niet uit wanneer je het doet, zolang je maar jaarlijks gevaccineerd wordt

d. doe je best zo’n 12-tal maanden na de vorige griep piek

e. …


Wat is waar over het delta agens?

a. het is een dsDNA virus dat enkel voorkomt bij mensen met HBV

b. het is een ssRNA virus dat enkel voorkomt bij mensen met HBV

c. …

d. …


Wat is waar over het rotavirus?

a. het is een niet-gesegmenteerd dsDNA virus

b. het is een gesegmenteerd dsDNA virus

c. het is een gesegmenteerd ssRNA virus

d. het is een gesegmenteerd dsRNA virus


Met welke gegevens houdt men rekening als men de epidemiologie van een micro-organisme in de populatie wil bestuderen?

a. de kolonisatiefrequentie in de populatie

b. de infectiefrequentie in de populatie

c. kolonisatie- en infectiefrequentie in de populatie

d. behandelde en niet-behandelde patiënten


Welk virus heeft dsRNA?

a. rota virus

b. …

c. …

d. …

e. geen van bovenstaande


Helicobacter Pylori

a. veroorzaakt maag- en duodenum ulcera

b. radioactief gelabelde afbraakproducten kan je vinden wanneer de patiënt een ademhalingstest doet

c. veroorzaakt slokdarmkanker

d. veroorzaakt enteritis

e. ...


Behandeling buiktyfus

a. ceftriaxone

b. amoxicilline

c. gentamycine

d. …

e. ....


Behandeling Gonorroe

a. ceftriaxone


Candida

a. veroorzaakt vaginose

b. veroorzaakt infectie van het mondslijmvlies bij leukemie, zuigelingen en HIV

c. commensaal op de droge huid (niet zeker van de vraagstelling)

d. Veroorzaakt ook oppervlakkige infecties (leek mij ook juist?)


Gonorroe

a. primaire infectie bij de vrouw is de vagina

b. kan infertiliteit als gevolg hebben bij de man

c. kan door de mucosa penetreren en systemische infectie veroorzaken

d. ...


Yersinia

a. kan appendicitis veroorzaken dit klopt toch niet?

b. is verwant aan tuberculose mycobacterium?

c. Kan post-infectieuze complicaties

d. ...


Giardia Lamblia

a. …

b. …


HHV8 veroorzaakt

a. Kaposi Sarcoma

b. Burkitt Lymphoma

c. Nasopharyngeale tumor

d. …

e. …


mbt ademhalingsstelsel

a. de meeste infecties zijn virale infecties van de bovenste luchtwegen

b. de meeste infecties zijn bacteriële infecties van de onderste luchtwegen namelijk Streptococcus Pneumoniae,...

c. ongeveer de helft van de luchtweginfecties wordt veroorzaakt door virussen

d. luchtweginfecties zijn de meest frequente infecties zowel binnen als buiten het ziekenhuis

e. ….


Voor weergave antimicrobiële werking

a. maakt men gebruik van de MBC

b. gebruiken we de MIC

c. ….

d. ….


het HIV virus heeft op zijn oppervlakte

a. CD4 receptor

b. CCR5 receptor

c. 32 basenparen deletie

d. gp120

e. fusie domein


Hepatitis G virus

a. behoort tot de flaviviridae zoals hepatitis C

b. is een delta agens (niet zeker van de vraagstelling)

c. …

d. …


Post-infectieuze complicaties

a. komen voor na S. Pyogenes

b. komen voor na Tuberculose

c. komen niet voor na infectie met Y enterocolitica

d. worden behandeld met dezelfde antibacteriële middelen als de initiële infectie

e. kunnen vermeden worden door profylaxe


Staphylococcus Aureus

a. veroorzaakt scalded skin syndrome na huidinfectie fout, na systemisch?

b. produceert geen polysaccharide kapsel

c. …

d. …

e. ...


Tetanus

a. werkt in op neurotransmitter vrijstelling aan de neuromusculaire junctie

b. bij veralgemeende tetanus kunnen autonome bijwerkingen optreden


Vermoeden van EBV bij jonge man: wat bevestigt het meest je diagnose?

a. afwijkende lever testen

b. rash

c. heeft rauw varkensvlees gegeten (niet zeker van de vraagstelling)

d. heeft een kind in kribbe

e. Heel erg rode keel


Waardoor kan je met Toxoplasma besmet worden:

a. eten van met kattenfaeces besmette groenten

b. eten van niet goed gebakken hamburger

c. harttransplantatie

d. A+B

e. B+C

f. A+B+C


Co-trimoxazole

a. heeft nauwelijks nevenwerkingen

b. werkt in op 2 mechanismes: de foliumzuur synthese en nucleotide synthese

c. is een combinatie van sulfonamiden en trimethoprim


Hoe kan je besmetting met een obligate pathogeen vermijden

a. vaccinatie

b. dmv handalcohol om verspreiding te vermijden

c. bronisolatie

d. protectieve isolatie


Wat is een teken van ziekteprogressie bij HIV?

a. CD4 <... /mm

b. viral load > .. kopijen/ml

c. hairy leucoplakie

d. …


Carbapenems

a. zijn krachtige AB, maar smal spectrum

b. zijn resistent aan carbapenemases

c. zijn resistent aan ESBL

d. …


Koorts ontstaat door

a. excessieve warmteproductie

b. verhogen van het setpoint

c. verloren gaan van de mechanismes voor warmteverlies


H. Influenzae

a. bestaat in omkapselde en niet-omkapselde stammen


L. interrogans

a. geeft verbruigscoagulopathie en veroorzaakt bloedingen


S. pyogenes

a. geeft kraambedkoorts

b. geeft nierontstekingen (glomerulonefritis)


Man die al 15 jaar geen tetanusvaccin heeft gekregen, krijgt nu bevuilde straatwonde… Wat dien je hem toe

a. tetanusvaccin

b. tetanusvaccin + immuunglobulines

c. tetanusvaccin nu + herhaling over 6 maand


HIV

a. niet-gesegmenteerd enkelstrengig RNA

b. gesegmenteerd dubbelstrenging RNA

c. niet-gesegmenteerd enkelstrenging DNA

d. gesegmenteerd dubbelstrengig DNA


Norovirus

a. enkelstrengig RNA

b. geeft overvloedig braken en gastroenteritis

c. Caliciviridae

d. alle voorgaande juist


Wat veroorzaakt sepsis met meeste mortaliteit

a. urosepsis door E. Coli

b. urosepsis door enterokok

c. wondinfectie met S. epidermidis

d. catheterinfectie S. epidermidis

e. intraperitoneaal abces met anaeroben en aeroben


Wat veroorzaakt hyperthermie?

a. te weinig warmteafgave

b. te veel warmteproductie

c. slechte balans tussen warmteafgave en -productie

d. verhoging van het setpoint


Reverse transcriptase inhibitoren werken door:

a. voorkomen van het omzetten van het HIV RNA in DNA door reverse transcriptase

b. voorkomen de fusie van de membranen

c. voorkomen de synthese van proteinen

d. voorkomen de insertie in het menselijke DNA

e.


welke van volgende virussen zijn RNA virussen

a. rotavirus

b. HCV

c. HGV

d. norovirussen

e. alle bovenstaande antwoorden zijn correct


opportunistische infecties:

a. zijn ook vaak nosocomiale infecties

b zijn altijd nosocomiaal

c. beschikken over een hoge intrinsieke virulentie


Fungi:

a. zijn meestal autotroof

b. ...


ancylostoma duodenale

a. penetreert de huid

b. heeft een gelijkaardige levenscylus als enterobium vermicularis

c. kan rash veroorzaken

d.


Influenza virus

a. ssRNA

b. dsRNA

c. ssDNA

d. dsDNA

Examenvragen 2014-2015

Bacteriologie

Leg het verschil uit tussen een geconjugeerd en een niet-geconjugeerd vaccin.
Wat is: K-antigen, O-antigen, H-antigen, M-proteïne, A-proteïne
Bespreek de pathogenese en ziektebeelden van S. Pneumoniae
Wat zijn de problemen bij carbapenemresistentie?
Beschrijf de pathogenese en ziektebeelden van Salmonella
Bijvraag: Waar staat PK/PD voor, waarom is dit belangrijk, en geef voorbeelden
Bespreek de kenmerken van de spirocheten en geeft de medisch belangrijke met hun ziektebeeld.
bijvraag: Bespreek ESBL, AmpC, TEM, mecA
Bespreek de systemen voor de opbouw van de peptidoglycaanlaag en tevens de antibiotica die inwerken op de twee laatste stappen.
Pathogenese en ziektebeelden van S. typhi
Bespreek fluorquinolonen. Werkinsmechanisme, resistentiemechanismen, FD/FK en geef drie voorbeelden
Pathogenese en ziektebeeld van tuberculose
Bespreek de morfologie van de celwand van zuurvast bacterien, en bespreek de voornaamste bacterien en hun infecties.
bespreek B. pertussis.


Virologie

Wat is het delta-agens?
Wat is seroneutralisatie?
Hoe werken neuraminidase-inhibitoren?
Bespreek epidermodysplasia verruciformis; is er een vaccin voor?
Hoe werkt de complementfixatietest?
Welke virussen hebben een gesegmenteerd genoom en welke voordelen biedt dat voor hen?
Welke vaccins bestaan er van/voor het papillomavirus?
Welke groep personen riskeren complicaties bij Hepatitis E? Hoe wordt E doorgegeven?
Wat is HHV 8?
Bespreek de entry van HIV
Verschillende cellijnen bij viruskweek
Waarom kunnen sommige mensen geen HIV krijgen?
Bespreek CMV
Bespreek het Epstein-Barr virus
Waar staat HAART voor, en leg uit. (bijvraag: waar komt de naam retrovirus vandaan)
Welke cytopathogene effecten op de cellen.
bespreek de HIV replicatie cyclus, includeer de toegangswegen van antivirale middelen.
welke labo dingen hebben we om antistoffen van virussen aan te tonen?


Infectieziekten

Leg uit: Pneumokokkenvaccin
Kattenkrabziekte
Patiënt, 75 j, behandeld met amoxi-clav, krijgt na een week plots 38,2 graden koorts en waterige, slijmerige diarree. Zijn buik is opgezet. Hij heeft een leukocytose van 18,000 en CRP van 50. Wat heeft hij, welk organisme en behandeling?
Bespreek de ziekte van Lyme
Leg het verschil uit tussen bronisolatie en protectieve isolatie en illustreer met voorbeelden.
Patient consulteert met pijnloos ulcus met harde bodem, op de penis + pijnloze inguinale lymfeklierzwellingen. Diagnose? Welke tests doe je? Wat is de behandeling? Vraag je bijkomende onderzoeken aan?
Bespreek de prognose van sepsis
Stellingen: 5 AB resistenties, welk alternatief zou je aanbevelen. (Zie wikimedica voor voorbeelden)
Patient HIV seropositief, welke onderzoeken ga je uitvoeren?
Bespreek Aspergillus fumigatus
Diagnostische onderzoeken bij: neurolyme, kattenkrabziekte, secundaire syphillis, gardia lamblia
Pt op spoed met koorts, 5 dagen geleden terug van reis in afrika, malariaprofylaxe gestopt wegens AE, vaccin tegen gele koorts en hep A. → 3 x DD en diagnostische onderzoeken
diagnostisch onderzoek bij : buiktyphus, iemand die met malaria is gediagnosticeerd maar je wilt aantonen welk type het is,

85 jaar, ligt al week op intensieve, heeft van alles aangesloten (o.a. CVC, blaassonde, arteriele catheter etc. ) Heeft nu severe sepsis, met koorts van 38.6 . Er is S. Aureus aan getoond. Wat is de waarschijnlijk infectie bron, en wat doe je eraan?

Bespreek antibiotica gerelateerde diarree.
bespreek koorts
welke behandelingen zou je instellen voor :
urosepis met penicilline resistente e. coli
wondinfectie met methicilline resistente S. aureus

etc.

Mycologie & parasitologie
Wat is: taenia, pityriasis, dermatofiet, atletenvoet, scolex
Leg de slaapziekte uit.
Leg uit + voorbeelden: hermafrodiet, dimorf, galactomannan, schizont, hypnozoiet
Bespreek
Algemene karakteristieken van fungi
Bespreek
Antamoebe histolytica
P. Jiroveci
T. Cruzi
Noem de algemene karakteristieken van oppurtunistische infecties bij de fungi, en geef 2 voorbeelden.
Entamoeba histolytica
G. lamblia (ofzo)
leg uit: merozoiet, conidiofoor, blastoconidia, hyphae, micelium.

Meerkeuzevragen

waar vond de ebola-epidemie voornamelijk plaats?
congo
west afrika
een of ander provincie van congo
een of ander stadje van congo, 95 km van de ebola rivier
hoeveel procent van de belgische volwassenen heeft HIV?
3
0,3
0,03
0,003
Wat is het correcte verloop van influenza-epidemies?
Hoeveel nieuwe gevallen van HIV zijn er in Belgie per jaar?
100.000
10.000
1.000
100
Welke virussen hebben een dubbel DNA genoom?
EBV
HBV
HPV16
Alle bovenstaande
Geen van bovenstaande
Welke ziekte bij een HIV seropositieve patiënt lijkt klinisch op een baciliaire angiomatose?
Burkitt lymfoom
Hairy leucoplakie
Progressieve multifocale leucoencephalopathie
Kaposi sarcoom
Gedissemineerde Mycobacterium avium intracellulaire infectie
Welke waren de grote epidemies van Influenza?
1908 H1N1 - 1955 H1N2 - 1967 H2N3 - 2009 H1N1
19918 H1N1 - 167 H1N2 - 1977 H1N1 - 2009 H2N3
1918 H1N1 - 1955 H1N2 - 1967 ... -1977 … - 2009 …
d & e ...