Van cel naar weefsel: structuur (E04Y4A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken



Algemeen

Het doel van het opleidingsonderdeel ‘Van cel naar weefsel : structuur’ is inzicht te krijgen in de structuur van weefsels. Hierbij wordt vertrokken vanuit de principes van de werking van individuele cellen en van hun onderlinge communicatie (aangebracht in de OPO’s ‘Van fysicochemische processen tot de cel, deel 1 en deel 2’). De nadruk ligt hierbij op de relatie tussen vorm (morfologie) en functie. Dit opleidingsonderdeel vormt dan ook de basis om de structuur van gespecialiseerde orgaansystemen later in de opleiding beter te begrijpen. Een goede kennis van de normale histologie is onontbeerlijk om inzicht te krijgen in het abnormaal functioneren van cellen en organen en om ziekteprocessen te begrijpen.

Examenvorm

Het examen is een multiple choice examen met giscorrectie. Naast het multiple choice gedeelte kunnen er optioneel open vragen gesteld worden om bijv. de kennis van naamgeving te toetsen.

De multiple choice vragen peilen naar de kennis en het begrip van de cursus en omvatten zowel textuele als vragen aan de hand van foto's (gedigitaliseerde preparaten) over de besproken histologische structuren en technieken.

Giscorrectie: 4 keuzemogelijkheden, met exact 1 correct antwoord. Correct antwoord = +1, geen antwoord =0, fout antwoord= -1/3

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen) Sjabloon:Van cel naar weefsel: structuur (E04Y4A)/tips


Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

 


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen)

Examen 2017-2018

1. Een tekening met een elektromagnetisch microscoop foto. Er staat met gele pijltjes een structuur aangeduid. Het gaat over een ‘lichte’ structuur.

I - band
M - Streep
Z - streep
Schijf van Hensen

2. Foto van een vinger: aangeduide met blauw cellen zijn:

Belangrijk voor de vingerafdruk
Geven stoffen af aan…
Zijn muceuze klieren
Zorgen voor de fijne tast Niet dit?

3. Een foto met weefsel waar duidelijk ronde, witte artefacten (vetcel) te zien zijn

Die zijn ontstaan in het proces van deparafinering door gebruik van xyleen
Door dehydratatie met stijgend alcohol gehalte

4. Een foto van osteoclast die bezig is met bot te eten. Hoe heet de ruimte tussen de osteoclast en het bot (aangeduid zijkanten)?

Lacuna van howship
Ruflfed border

5. Een foto met gemarkeerde satellietcellen perifeer van elke cel. Wat is niet waar

Die cellen kunnen differentieren in geval van beschadiging tot myoblast ofzo
Witte vetcel 

6. Een foto van verbonden plaveiselepitheelcellen (zoals in de werkzitting). De bleke structuren zijn:

Desmosomen

7. Foto van hersenen

Drie mogelijkheden over klieren
Geen van bovenstaande 
Tubulair exocrien 

8. Een fotoke van eenlagige cilindrische epitheel als ik me niet vergis. Wat is juist met betrekking tot behouden van de polariteit van de cel?

Gap junctions
Zona adherens
Zona ocludens

9. Een twee fotos, eerste eenlagig epitheel, de volgende meerlagig of een andere soort. Hoe heet dit verschijnsel

Metaplasie
Regeneratie 

10. Een ingewikkelde foto vraag met 4 stellingen omtrent histopato foto van pancreas.

11. Een rare fotoke met collageen (???) vezels in het midden, bijna de hele foto vormt het bindweefsel, perifeer enkele andere cellen maar geen epitheel. Wat is dat?

Hyalien kraakbeen
Elastische kraakbeen
Fibreus kraakbeen
Misschien waren de antwoorden helemaal anders

12. Opnieuw een foto uit de werkzitting. Aangeduid staat de territoriele ruimte (of matix). Wat is dit?

Interterritoriele matrix (ruimte) 
De territoriale ruimte 

13. Een foto van hart spierweefsel en verschillende stellingen daarrond. Wat is juist.

      Celjuncties    Meerkernig      Remodulatie
A.	Ja		Nee	          Nee

14. Een foto van de hersenen, kleuring is zo dat de witte stof blauw is. Wat is fout?

Dit is grijze merg
Er komen hier geen gemyeliniseerde zenuwvezels (of schwanncellen)

15. Welke techniek is gebruikt?

TEM
SEM
...

16. Tekening van een klier. Welke is dit

Tubelo-acinaire klier
Tubulair
...

26. Via welk mechanisme verloopt de regeneratie van beschadigd hersenweefsel?

A. Het beschadigde hersenweefsel wordt vervangen door littekenweefsel, dit via fibroblasten. Het nieuwgevormde littekenweefsel heeft geen functionele waarde meer.
B. Er gebeurt een volledig herstel van het beschadigd hersenweefsel, met behoud van de oorspronkelijke functie. Dit via proliferatie van neuronen die zich rond het beschadigd hersenweefsel bevinden.
C. Er gebeurt slechts een gedeeltelijk herstel van het beschadigd hersenweefsel door proliferatie van omgevende satellietcellen
D. Het beschadigde hersenweefsel wordt vervangen door een gliaal litteken, dit via astrocyten. Het nieuwgevormde littekenweefsel heeft geen functionele waarde meer.

27. Waaruit bestaat het foetale skelet

Hyalien kraakbeen
Elastisch kraakbeen
Fibreus kraakbeen
Spongieus bot

28. Welke cellen zijn niet afkomstig van mesenchym cellen

Glad spierweefsel
Fibroblast
Endocriene kliercel
Osteoblast

29. Wat is niet correct

A band kort niet in bij contractie
Iets met de eigenschappen van een motoreenheid worden bepaald door de vezels
Verschillende types spiervezels in hetzelfde motor unit ...

30. 7. Max. vergroting van objectief van een normale lichtmicroscoop

10x
100x
1000x
5000x 

31. Opstapeling onverteerbare resten in lysosoom van spiervezels

Lipofuscine

32. Wat ligt niet in de dermis van de huid

Bloedvaten
Lichaampjes van vater-pachini

33. Chirurg snijdt iets weg uit de m.gastrocnemius van zieke jongen. Wat doet hij dan ermee?

Fixeren in glutaraaldehyde
Fixeren in formolf
Fixeren in vloeibare isopentaan (-180 graden)
Combinatie van a en c

34. Bij fractuurherstel wordt er een benige callus gevormd, wat erna?

Hematoom
Remodellatie van spongieus naar compact bot
Er fibro cartillageneus callus gevormd

35. Wat is niet waar in verband met bruine vetcellen

Verwerven energie uit beta oxidatie van vetzuren
Vetdruppel in gesplitst in een aantal kleine vetdruppels
Komen minder voor bij prematuren
Bruin door ijzer in cytoplasma

36. Een preparaat waarvoor men een elektromagnetisch microscoop moet gebruiken. Hoe bewaren?

Glutaaraldehyde 

37. Brush border

Microvilli (Is dit ook het juiste antwoord?)
Cilia
Lamina

38.Chirurg snijdt een stuk (kanker?) weefsel uit voor een pathologisch onderzoek. Wat moet men doen om te zien of er voldoende diep gesnede werd?

Chriurg moet het ding inkten na het uitsnijden
Gast zoals Tousseyn moet het inkten voordat hij het gaat snijden
Gast zoals Tousseyn moet het inkten nadat hij het stuk weefsel in stukjes had gesneden
Er moet niks gebeuren aangezien de gast zoals Tousseyn dat op een speciale manier kan onderzoeken

39. Wat is waar voor Eosine?

Een zuur die basische structuren roos kleurt 
Een zuur die basische structuren paars kleurt
Een base die zure structuren roos kleurt
Een base die zure structuren paars kleurt

40. Niet gemyeliniseerde neuron gesteund door welke cel in perifeer zenuwstelsel

Schwanncel
Astrocyte
…
Geen enkele 

41. Wat zal je nooit in epitheel vinden?

Capillairen/bloedvaten

42. Welke volgorde is FOUT?

Stratum cornum, stratum granulosum; stratum lucidum, xyz

43. Over juncties, wat is fout?

Macula adhaerens houdt actine vast 
Desmosomen houden imf vast

44. Dappere cellen leiden een moeilijk leven en bij secretie geven een stuk van hunzelf aan de omgeving met als doel hun grote lievelings gastheer in leven te houden. Hoe noemen ze?

Exocrien
Merocrien
Endocrien
Holocrien

45. Uit wat bestaat lamina densa ? (een legendarisch deel van de basal lamina en dus ook de basaal membraan)

Laminine
Type 2 collageen
Fibronectine
Geen van bovenstaande

46. Wat is niet waar in betrekking tot bot?

Iets over enchondrale ontwikkeling
Iets over endosomale ontwikkeling
Ostoid ontstaat door calcificatie of minaralisatie uit osteine

47. Tussen welke structuren vindt men het cerebrospinaal vocht?

Subduraal
Tussen pia mater en hersenen
Tussen dura mater en skedel 
In de subarachnoidale ruimte

48. Een vraag over volgorde groei bot

49. Een vraag omtrent melanocyten. Wat is fout

Bevatten granules met kerainocyto weet ik veel wat 
Komt evenveel voor bij mensen van het zwarte ras 
Hebben uitlopers tot aan de keratinocyten


Examen 2016-2017

1. afbeelding: welk epitheel zie je?

       1. eenlagig kubisch

2. niet-verhoornd meerlagig plaveiselcellig 3. slijmbekercel 4. eenlagig plaveiselcellig 5. pseudomeerlagig cilindrisch trilhaarepitheel

4mogelijkheden met combinaties van de nummertjes

2. afbeelding objectief: voor wat staat 0,50?

A: numerieke apertuur.
B: resolutie
C: vergrotingscapaciteit 
D/ correctiefactor dikte dekglaasje

3) afbeelding mitochondriën: wat is waar? 1. glycogeen opstapeling bij spierziekte.

       2. veel aanwezig bij type 1 spiervezels.

3. zuur milieu nodig voor werking

       4. eiwitten worden niet gevormd door nucleair DNA
4mogelijkheden met combinaties van de nummertjes

4. afbeelding dwarsstreping spier: wat is er aangeduid?

A: H-band.
B: I-band
C: sarcomeer
D: Z-lijn

5. wat is het belangrijkste organel bij secretoire klieren?

A: golgi-apparaat.
B: desmosoom
C: lysosoom
D: cilia

6. afbeelding melanocyt: wat is waar?

A: meer aanwezig bij mensen van het zwarte ras
B: bevatten premelanosomen
C: produceren melatonine
D: hebben cytoplasmatische uitlopers tot aan de keratinocyten.

7. voor wat dienen de lichaampjes van Meissner?

A. fijne tastzin.
B. warmte
C. Druk

8. wat is het belangrijkste bij bescherming tegen zonlicht?

A: dikke huid
B: mitosen
C: melanine.

9. de fagocyterende cel van het CZS is

A: astrocyt
B: ependymcel
C: microgliacel.

10. afbeelding: wat is er aangeduid?

A: spierspoel.
B: arteriool
C: capillair
D: venule

11. wat past niet in het rijtje?

A: terminale cisternae
B: sarcolemma
C: T-tubuli triaden
D: harspierweefsel.

12. uit wat is anulus fibrosus opgebouwd?

A: fibreus kraakbeen.
B: elastisch kraakbeen
C: hyalien kraakbeen
D: fibreus bot

13. afbeelding ivm enchondrale botvorming: wat is fout?

A: dit is een epifysaire groeischijf
B: je ziet trabeculair bot
C: bovenkant van de foto zie je gewrichtskraakbeen.
D: is bezig met enchondrale botvorming


14. benige callus wordt gevolgd door

A: hematoomvorming
B: granulatieweefsel
C: remodelering van spongieus naar compact bot.
D: vorming fibrocartilagineuze callus

15. afbeelding isogeen groepje

A: chondroblast in chondroplast.
B: chondrocyt in chondroplast
C: osteocyt
D: osteoblast

16. wat regenereert het slechtst/traagst?

A: bot
B: kraakbeen.
C: vetweefsel

17. afbeelding compact bot, Wat klopt niet:

A: systeem van Havers
B: gevormd door lamellen compact bot
C: kanalen omgeven door endosteum
D: Puntjes zijn de kernen van osteocyten die met cytoplasmatische uitlopers met elkaar verbonden zijn 
         

18. ruggenmergpunctie

A: ventrikel
B: centraal kanaal
C: subarachnoidale ruimte lumbaal.
D: subarachnoidale ruimte cervicaal

19. wat ligt het dichtste tegen de hersenen?

A: pia mater.
B: arachnoid
C: dura mater

20. naaldbiopt CNB: wat is niet correct?

A: IHC niet mogelijk.
B: minder goed globale globale architectuur weefsel weergegeven dan bij excisiebiopsie
C: Kan soms vals negatieve resultaten opleveren

21. afbeelding IHC

A: nucleair eiwit
B: DNA in kern
C: RNA in cytoplasma
D: membraan eiwit

22. FNAC

A: fixeer in formaldehyde
B: incisie is curatief
C: geschikt voor cytologie.
D: kan vals positieve resultaten opleveren

23. afbeelding (skeletspier met satellietcellen): wat is niet correct?

A: dwarsgestreept
B: regeneratie mogelijk
C: meerkernig
D: intercalerende schijven.

24. 2 afbeeldingen: welke spier(en) zichtbaar?

A: enkel hartspier
B: hart+ gladde spier.
C: enkel skeletspier
D: skeletspier + hartspier

25. Waaruit bestaat de anorganische matrix van het botweefsel

A: Calcium
B: fosfor
C: hydroxyapatiet
D: Chondroitine sulfaat

26. wat is fout?

A: juncties komen enkel voor bij epitheelcellen.
B: tight junctions verhinderen intercellulaire beweging van moleculen
C: hemidesmosomen met desmosoomplaat aan tonofilamenten met integrine

27. wat is juist?

A: basale membraan is hetzelfde als basale lamina
B: basale lamina heeft afmeting van 1- 5 micrometer
C: Vetcellen hebben een basale membraan vetcellen hebben geen basaal membraan

29. afbeelding epitheel: welk epitheel is dit? 30. afbeelding zilverkleuring (van reticulaire vezels

31. wat zit het meeste tussen cellen van organen?

A: dens fibreus bindweefsel
B: losmazig fibreus bindweefsel   

32. afbeelding (bruin vetweefsel)

33. welke spier heeft een centraal gelegen kern?

A: hartspier
B: hartspier en gladde spier.

34. welke cellen kunnen niet meer delen? hartspier, neuron, astrocyt, …

35. ruggenmerg afbeelding

A: op deze plaats komen sensorische neuronen aan (ik dacht dat dit fout was omdat die aankwamen via ganglion en dan naar de achterste hoorn gingen, wat niet op de foto het geval was)
B: op deze plaats komen motorische neuronen en ook gliacellen voor
C: hier liggen kernen van cellichamen van stijgende en dalende neuronen

36. afbeelding cerebellum

37. perifere zenuwen

A: craniale zenuwen en spinale zenuwen.
B: ruggenmerg en spinale zenuwen
C: ruggenmerg en craniale zenuwen
D: Spinale zenuwen en ruggemerg

38. (afbeelding zenuwweefsel): wat voor weefsel is dit? 39. wat laat zien dat we in de hypodermis zitten

A: bloedvaten
B: melanocyten
C: vetweefsel.

40. afbeelding voetzool (dikke huid) met bovenaan dermale papillen: wat is er vanonder aangeduid?

41. afbeelding ivm vingertop

A: dit zijn lichaampjes van Meissner
B: belangrijk voor vingerafdruk
C: Vormen secreten die in de vingertoppen gaan uitmonden.

42. blauwe lijn volgen op afbeelding: wat zien we? A: apocriene klier - dens bindweefsel - haarfollikel dwars - vetweefsel

B: merocriene klier - 
C: veneuze plexus

43. Uit welk kraakbeen bestaat annulus fibrosus?

A: Fibreus.
B: Elastisch
C: Hyalien

44. Prent van groeikraakbeenschijf, wat is fout?

A: Gewrichtsoppervlak volgt aan bovenkant.
B: er is trabeculair bot te zien op de foto
C: enchondrale groei

45. verschil tussen epitheel en bindweefsel

A: komen overal voor
B: veel intercellulaire matrix.
C: verschillende functies

Examen 2014-2015

1) waarop ontstaan collateralen typisch?

A: Axon

B: Dendriet.

C: Soma

2) Afbeelding van bruin vetweefsel
3) Waaruit bestaat de dermis vnl

A: klierepitheel

B: dens ongeordend.

C: dens geordend

D: plaveiselepitheel

4) Afbeelding van

A: transitioneel

B: urotheel

C: eenlagig plaveiselcellig

D: alle bovenstaanden.

5) Wat zie je

A: BW

B: glad, overlangs

C: glad, dwars

D: alle bovenstaanden.

6) Welke laag komt er niet voor in deze structuur (arteriool)

A: elastica interna

B: elastica externa.

C: geen capilair in adventitia

D: Dit is geen arteriool maar een gespierde arterie.

7) Welke soort structuur is het overblijfsel van vertering in lysosomen

A: lipofuscine.

8) Wat zie je?

A: Mitotische deling.

B: ijzervlekken

C:

9) Bij cyanose (blauwgrijze huidskleur) is er iets tekort in de huid. Wat?

A: melanine

B: bloedvaten

C: hemoglobine

D: Zuurstof.

10) Als men een hersenvliesontsteking vermoed, neemt men vaak cerebrospinaal vocht uit het lichaam om dit te onderzoeken. Waar?

A: lumbale subarachnoidale ruimte.

B: cervicale "

C: centraal kanaal

D: ter hoogte van 4de ventrikel

11) Volgorde pijl

A: klier - dens ongeordend - haar - vet.

12) Wat is juist?

A: proliferatie in laag 2-4

B: Laag 4 is d.m.v. hemidesmosomen verbonden met BM.

C: afbeelding van dunne huid

D: Laag 2 vnl tight junctions

13) Wat is niet juist? (afbeelding met osteon)

A: Osteon is opgebouwd uit spongieuse lamellen.

B: kanaal van Havers is langs binnen bedekt met endost(?)

C: kanaal van Volkman

D:

14) Waaruit bestaat de anorganische matrix van botweefsel

A: fosfor

B: calcium.

C: hydroxypatie.

D: chondro...

15)Welke structuur is aangeduid:

A: microvilli

B: brushborder

C: cilia

16) plaveiselcarcinoma
17) Synthese melatonine

A: hypofyse

B: schildklier

C: pinealocyt.

18)Wat is fout mbt tot foto van de schildklier

A: parafolliculaire cellen produceren calcitonine

B:

C:

D: Er zijn 4 van deze organen achterop de schildklier

19) foto van een objectief, wat is het cijfer rechts van de vergroting 

A: Numerieke apertuur

B: resolutie

C: brekingsindex

D:

20) Foto van een melanocyt : Wat is juist?

A: Heeft uitlopers tot aan de keratinocyten

B: komt meer voor bij mensen van het zwarte ras

C: produceert melatonine

D: bevat typisch sferische premelanosomen

21) Stelling over vriescoupes. Welke stelling is fout?

A: Vriescoupes bewaren DNA beter dan paraffineB: Worden gebruikt om peroperatief een diagnose te stellen

C: Gaat snel omdat er niet noodzakelijk kleuring vereist is om de cellen te zien

D:

22) In een verslag staat geschreven: "de tumor reikt tot op 2 mm van het lateraal chirurgisch snijvlak". Wat bedoelen ze hiermee?

A: De tumor is volledig verwijderd

B: De tumor is niet volledig verwijderd, de chirurg moet breder snijdenC: De tumor is niet volledig verwijderd, de chirurg moet dieper snijdenD: Het gebied dat geïnkt werd...

23) Welk hormoon wordt niet in de hypofyse geproduceerd?

A: somatostatine

B: somatotropine

C:

D:

24) Wat klopt niet?

A: groeihormoon - ...

B: thyroid hormoon - ...

C:

D:

Examen 2013-2014

20 foto's met elk één meerkeuzevraag ( 1/3: welke structuur is te zien op deze foto, 1/3: wat is de functie van de structuren op deze foto en 1/3: welke van de volgende stellingen is juist/fout in verband met de foto)

30 gewone meerkeuzevragen

1. Wat is de diameter van een typische menselijke cel?

  a) 20 nm
  b) 1-2 µm
  c) 20 µm
  d) 1-2 mm

2. Wat stopt er onmiddellijk in de cel bij het wegvallen van ribosomen?

  a) actief transport
  b) exocytose
  c) eiwitsecretie
  d) 

3. Welke cel-matrix relatie is juist?

  a) kraakbeencel - sterk gevasculariseerde matrix
  b) spiercel - gemineraliseerde matrix
  c)
  d)

4. Wat zit er niet in de grijze stof in het ruggenmerg?

  a) Schwann-cel
  b)
  c)
  d)

5. Wat is er juist i.v.m. de oligodendrocyt?

  a) De oligodendrocyt ligt op een zenuw die ze myeliniseert
  b) De oligodendrocyt kan maar één axon myeliniseren
  c) 
  d) al de bovenstaanden zijn fout

6. Waar komt hyalien kraakbeen voor?

  a)gewrichtsvlakken en neustussenschot
  b)embryologisch skelet
  c)trachea
  d) Alle bovenstaanden


Reeks 2 (27/06)

1. Je gaat een nieuwe lens kopen voor je lichtmicroscoop met de bedoeling naar de cristae van een mitochondrië te kijken. Waar moet je zeker op letten?

  a) Hoge resolutie
  b) Hoge vergroting
  c) Hoge numerieke apertuur
  d) geen van bovenstaande

2. Welke cel secreteert prolactine?

  a) neurosecretoire cel van de hypothalamus
  b) mammotrope cel
  c) corticotrope cel
  d)

3. Welke uitspraak is fout?

  a) Met een lichtmicroscoop kan je zaken bekijken tot 0.2 à 0.25 micrometer
  b) om een preparaat beter te kunnen bekijken moet je licht nemen met een grotere golflengte
  c)
  d)

4. Oligodendrocyten verschillen van schwanncellen. Welke uitspraak hierover is juist?

  a) Oligodendrocyten kunnen meerdere dendrieten tegelijk myelineren
  b) De kern van de oligodendrocyten ligt niet tegen de zenuwen, maar hij bereikt deze via celuitlopers
  c) De oligodendrocyt en de neuriet die ze zenuwvezel zijn omgeven door een basale membraan
  d) Alle bovenstaande antwoorden zijn juist

5. Een secretoire cel wordt omgeven door bindweefsel. Hoe heet dit?

  a) parenchym
  b) stroma
  c) lobulus
  d)

6. Wat zal je zeker niet terugvinden in de witte stof?

  a) gemyelineseerde zenuwvezels
  b) niet-gemyeliniseerde zenuwvezels
  c) proteoplasmatische astrocyten
  d) oligodendrocyten

7. Welke uitspraak is fout?

  a) de luchtweg en de grote slagaders bevatten geen elastische vezels
  b)
  c)
  d)

8. welke uitspraak is fout?

  a) de basis van sereuze klieren is basofiel door de vele RER 
  b) klieren die steroidhormonen secreteren bevatten veel SER en mitochondriën
  c) sereuze kliercellen kunnen aangekleurd worden met de PAS kleuring
  d)

9. Als de cel als een fabriek wordt beschouwd, dan kan _______ worden beschouwd als de afdeling "inpakken en verzenden".

  a) lysosomen
  b) Golgi-apparaat
  c) Endoplasmatisch Reticulum
  d) kern

10. Welke onderdelen kan je zien als je met een lichtmicroscoop een cel bekijkt?

  a) Enzymen, moleculen, ...
  b) DNA en RNA
  c) Alle celorganellen in het cytoplasma
  d) Membraan, kern en cytoplasma

11. Wat is een algemeen kenmerk van bindweefsel?

  a) Ze bekleedt de binnenkant van het lumen van organen
  b) Ze bevat geen voedende bloedvaten naar het orgaan
  c) Ze omgeeft organen
  d) Ze zijn celrijk

12. Wat draagt bij tot de Blood-Brain Barrier?

  a) Tight junctions tussen endotheelcellen van de bloedvaten
  b) Er is weinig tot geen transcytose in de endotheelcellen van de bloedvaten te zien
  c) Er is een dikke basale membraan
  d) Alle bovenstaande

13. Wat is waar voor epitheelweefsel?

  a) Het is rijkelijk bevloeid
  b) Er is een grote extracellulaire matrix
  c) De cellen zijn dicht opeengepakt
  d) 

14. Wat zorgt voor de huidskleur?

  a) Hoeveelheid melanocyten
  b) Carotenen in het voedsel
  c) Deoxyhemoglobine in subcutaan weefsel
  d) Alle bovenstaande

15. Wat is NIET waar voor epitheelcellen

  a) Bevat bloedvaten maar geen zenuwen
  b)
  c)
  d)


Vorige jaren:

voorbeeldexamenvragen

1) jonge vrouw met pigmentvlek bij huisarts, op onderbeen, onregelmatig, redelijk groot. huisarts denkt goedaardig, maar vrouw wilt hem toch weg. De huisarts verwijdert het letsel met een punchbiopt. wat moet de huisarts vervolgens doen?

  A) punchbiopt fixeren in een potje formol en opsturen naar een patholoog voor histologische onderzoek.
  B) afrekenen en de kous is af.
  C) punchbiopt fixeren in glutaraldehyde voor electronenmicroscopisch onderzoek.
  D) punchbiopt fixeren in formaldehyde en naar een labo sturen.

antw. A


2) Als ik door een lichtmicr. kijk met een objectief 10x hoeveel maal vergroot zie ik mijn object dan?

  A) 10 x
  B) 40 x
  C) 100 x
  D) hangt af van de lenssterkte van het oculair

antw. D ; het specimen wordt 2x vergroot, 1x thv oculair en 1x thv objectief


3. Hoeveel formol moet een pot minstens bevatten als we een milt ( met afmetingen 12 x 8 x 7 cm willen fixeren?

  A) 250 ml
  B) 500ml
  C) 1000ml
  D) 2000ml 

antw. C; specimen moet volledig ondergedompeld, de verhouding moet 2/1 zijn


4) Een ideaal weefselfragmenten voor vriescoupes heeft een diameter van:

  A) 0,1-1 mm
  B) 2-10 mm
  C) 10-30 mm
  D) grootte maakt niet uit

antw. B


5. beeld van een mitochondrion; vraag is: hoe is dit beeld genomen

  A) fasecontrastmicroscopie
  B) scanning-elektronenmicroscopie
  C) transmissie
  D)  

antw. C ; doorsnede van het weefsel  B: 3D-beeld


6) epitheelcellen hebben een aantal te onderscheiden kenmerken; juist /fout

- plaveiselepitheelcellen zijn kubisch, plat en schijfvormig

- bij pseudo-meerlagig epitheel staan alle cellen in contact met de onderliggende extracellulaire matrix

- eenlagig cilindrisch epitheel is meestal 2-3X hoger dan breed

- celdeling vindt plats in alle lagen van een meerlagig plaveiselepitheel

- overgangsepitheel is kenmerkende voor de bekleding van urinewegen

goed goed goed fout goed


7) epitheelcellen hebben een secretoire functie; juist of fout

- endocriene sercretie vindt plaats als een cel de bloedbaan binnengaat

- mucinesecreterende cellen hebben een goed ontwikkeld golgi, wat de hoofdplaats is voor eiwitgycosylatie

- ionenpompende cellen hebben veel lysosomen voor het uitscheiden van te transporteren stoffen

- merocriene secretie vindt plaats als een uitgescheiden product via exocystose op het celopp of in het lumen komt

- apocriene secretie vindt plaats al het secretieprod de hele cel is.

fout, juist, fout, , juist

opm./ zweetklieren zijn meestal eccrien, maar sommige zijn ook apocrien


8) collageen; juist / fout

- type 1 is het belangrijkste in de huid

-type 4 is het hoofdtype in het bot

- type 3 is het hoofdtype in tericuline

- wordt uitgescheiden door fibroblasten als procollageen

- is een onderdeel van de matrix in osteoid

juist fout juist juist juist


9) het weefsel dat je boven en onder ziet si

- bindweefsel

- kraakbeenweefsel

- spierweefsel

- zenuwweefsel


10) hartspiercellen; juist of fout ?

- zijn mononucleair en onderling verbonden via intercell verbindingsstruct waardoor ze spiervezel vormen

- zijn op eenzelfde manier gestreept als skeletspierweefsel

- kunnen regenereren na celschade

- reguleren contractie dr het vrijmaken van calcium uit SR

- bezitten gap junctions die de vezels onderling verbinden waardoor contractie vergemakkelijkt w

goed goed fout goed goed

Opm: gladde spiercel: geen dwarsstreping

dwarsstreping enkel in hart en gestreept spierweefsel

waarop gestreept ? door de specifieke schikking actine- myosine heel regelmatig


11) Onderscheidt hart en dwarsgestreept:

Opm: hartspierweefsel: meerdere kernen per cel mglk + geintercalleerde schijven ( < gap junctions, desm) melanocyten; juist / fout

- zijn gepigmenteerd omdat ze melanine bevatten

- hebben lange cytoplasm uitlopers die tot tssn de keratinocyten reiken

- zijn veel talrijker in rassen met donkere huidskleur

- bevatten karakteristiek sferische premelanosomen

- hebben een neurale oorsprong en fungeren ook als mechanoreceptoren

Opm: de hoeveelhuid melanocyten is tussen alle rassen ong hetzelfde, het verschil zit hem in de hoeveelheid melanine in de keratinocyten  fout

melanocyten zijn niet gepigm, geven melanine af via uitlopers aan keratinocyten

5 fout, mechanoreceptoren zijn receptoren die op een mech manier gestim w

12) De hypofyse

- is verdeeld in twee delen: anterieure ( neuro) hypofyse en posterieure (adeno) hypofyse

- wordt van bloed voorzien dr vaten die uit de hypothalamus

- secretie ADH uit adenohypofyse

- bevat het grootste dele de GH secreterende cellen in de laterale vleugels van adenohypofyse

- ligt in de cella turcica

Opm:

1. fout, het is omgekeerd

2. juist

3.

4. juist

5. juist



EXAMENVRAGEN 2012-2013

1) Wat vindt men niet terug in de hypodermis?

  A) een vetcel
  B) collageen type I
  C) lichaampje van Vater Paccini
  D) bloedvaten

2) Foto van oculair met de cijfers: 500 0.17 | 50 0.5 . Wat wil het getal 0.5 zeggen?

  A) Resolutie
  B) Numerieke apertuur
  C) Correctie voor dekglasdikte
  D) 

3) Foto van bloedvat met slecht zichtbare intercalaire lijnen en dwarsstreping én een arterie op. Welk spierweefsel is er te zien?

  A) Hartspier
  B) Skeletspier
  C) Hart en gladde spier
  D) Skelet en gladde spier

4) Foto van bloedvat. Welke histologische structuur is hier aangeduid? (pijl naar binnenste laag van bloedvat)

  A) Endotheelcellen
  B) Elastica Interna
  C) Bindweefsel
  D) Tunica Media

5) Letterlijk uit oefenvragen: Uit wat bestaat dit soort weefsel? (kraakbeen)

  A) chondroitinesulfaat, heparansulfaat en calcium
  B) collageen type IV, vimentine en laminine
  C) osseïne en hydroxyapatietkristallen, collageen type II
  D) hyaluronzuur, chondroitine sulfaat, collageen type II

6) Letterlijk uit oefenvragen: wat is deze structuur (foto 3x9 buisjes)

  A) cilium
  B) centriool (juist)
  C) microvillus
  D) basaallichaampje (ook juist --> er waren 2 mogelijke antwoorden juist heeft hij letterlijk gezegd tijdens het examen)

Examen 2012-2013 (oud programma)

  • Gegeven: LM van kraakbeen. Uit wat bestaat de matrix?
A Collageen Type I, Heparaansulfaat, Elastine
B Collageen Type IV, Osteoïd, Hyaluronzuur.
C Collageen Type II, Chondroitinesulfaat, Elastine
D Collageen Type I, Osseïne, hyaluronzuur
  • Gegeven: LM van Schildklier, C-Cellen zijn omcirkeld. Wat brengen de aangeduide cellen teweeg?
A Verhoogde basaal metabolisme, verhoogde hartfrequentie.
B Verminderde Ca-absorptie, inhibitie van osteoclasie.
C Verminderde diurese
D Regeling van het dag/nacht ritme
  • Gegeven: EM doorsnede van verschillende nabijgelegen axonemas. Wat zie je op deze afbeelding.
A Cilia
B Basaal lichaampje
C Microvilli
D Centriolen
  • Gegeven: LM van de huid. Doorsnede van een haarfollikel met sebumklier omcirkeld. Welke soort secretie doet deze klier?
A Merocrien
B Eccrien
C Apocrien
D Holocrien
  • Gegeven: LM dwarse doorsnede van een skeletspiervezel. Hoe heten de bindweefselige scheden die de individuele cellen omgeven?
A Endomysium
B Perineuryium
C Perichondrium
D Perimysium
  • Gegeven: LM roze, relatief homogenen matrix met enkele smalle ovale donker-gekleurde cellen. Wat produceren deze cellen?
A Melatonine
B Collageen type 1
C Actine en myosine
D ADH
  • Gegeven: LM van dwarsgestreept spierweefsel, duidelijke intercalerende schijven zichtbaar, centrale kern (1/cel). Welke stelling over deze cellen klopt niet?
A De verschillende cellen zijn gekoppeld via nexi en desmosomen tot vorming van een syncytium.
B Deze cellen kunnen regeneren na schade
C Deze cellen contraheren door actine-myosine interactie
D De cellen zijn op dezelfde wijze gestreept als skeletspierweefsel.
  • Gegeven: LM van de epidermo-dermale overgang. Enkele sporadische licht-gekleurde cellen in het stratum basale zijn aangeduid (duidelijk geen keratinocyten). Welke stelling klopt met betrekking tot deze cellen?
A Deze cellen produceren melatonine.
B Deze cellen bezitten typische sferische premelanosomen.
C Deze cellen hebben lange cytoplasmatische uitlopers tot tussen de keratinocyten.
D Deze cellen zijn in grotere aantallen aanwezig bij de donkere rassen.
  • Gegeven: Pseudomeerlagig epitheel met duidelijke witte opgezwollen cellen. Welke cellen zijn dit?
A Fibroblasten
B Basale vervangcellen
C Adipocyten
D Mucus-secreterende cellen
  • De huisarts neemt een pigmentvlek weg (<5mm, mooi rond, regelmatige rand), en is vrij zeker dat het goedaardig is. Wat is de aangewezen handeling?
A Niets, patiënt geruststellen, vlek is verwijderd en oogt niet kwaadaardig.
B Fixatie in glutaaraldehyde voor EM-onderzoek
C Direct invriezen en opsturen voor cytogenetisch onderzoek (PCR)
D Fixatie in formaldehyde en opsturen naar een labo voor morfologisch onderzoek
  • Wat wordt niet geproduceerd door de adenohypofyse?
A TSH
B FSH/LH
C STH
D ADH
  • Wat is de volgende stap na het vormen van een benige callus bij breukherstel?
A Hematoomvorming
B Vorming van granulatieweefsel
C Vorming van een kraakbenige callus
D Remodellatie van spongieus naar compact bot.
  • Welke stelling klopt niet met betrekking tot lysosomen?
A Bezitten een H-ATPase om het zure milieu in stand te houden.
B Na fusie van een endosoom met een lysosoom ontstaan endolysosomen.
C Zure hydrolasen worden aangevoerd vanuit vesikels uit het golgi-apparaat.
D Lysosomale stapelingsziekten worden veroorzaakt door een toename in lysosomale enzymen wat zorgt voor opstapeling van celproducten.
  • Welke stelling klopt niet met betrekking tot epitheelweefsel?
A Celproliferatie kan plaats vinden in alle lagen van plaveiselig meerlagig epitheel.
B Bij pseudomeerlagig epitheel maken alle cellen contact met de basale membraan.
C Transitioneel epitheel komt voornamelijk voor ter hoogte van de urinewegen.
D Cilindrische epitheelcellen zijn 2X tot 3X zo hoog als breed.
  • Welke stelling met betrekking tot celadhesie klopt niet?
A Zonulae occludentiae verhinderen migratie van membraanproteïnen van apicale naar basolaterale zijde.
B Desmosomen hechten vast op actine filamenten.
C Zonulae adherentiae hechten vast op actinefilamenten
D Hemidesmosomen hechten epitheelcellen vast aan de basale membraan.