Verdieping gezondheidszorg (E0C27A)

Uit WikiMedica
Ga naar: navigatie, zoeken


Algemeen

  • 2 sp. Omgeving en gezondheid: theoretische kaders, determinanenten en methodieken (De Lepeleire Jan | Godderis Lode | Hoppenbrouwers Karel | Nemery de Bellevaux Benoit | Roex Ann | Schoenmakers Birgitte | Schuermans Annette)

Vooreerst komen de theoretische kaders van gezondheid en ziekte aan bod, met bijzondere aandacht voor de wisselwerking tussen omgeving (in brede zin van het woord) en gezondheid (lichamelijk, geestelijk en sociaal). De student leert de specificiteit van de verschillende theoretische kaders kennen en toepassen, en dit zowel vanuit het perspectief van het individu als geplaatst in de maatschappelijke context.

Vervolgens wordt de basiskennis over de relatie omgeving en gezondheid, die eerder in de opleiding verworven werd, verder verdiept onder meer door de determinanten (risico en beschermend) van gezondheid en ziekte in de verschillende levensfasen en settings te benoemen. De student leert door dit inzicht de interactie tussen deze determinanten en de gezondheid/ziekte te begrijpen en het belang ervan af te wegen, zowel op het niveau van een individu als dat van groepen.

Tenslotte worden de verschillende methodieken van signalering (d.i. detectie van risico- en beschermende factoren van nog niet - of zich in een nog vroeg stadium - ontwikkelende pathologie) belicht, met bijzondere aandacht voor de leeftijdsspecifieke setting waarin deze signalering wordt uitgevoerd. De student leert de specificiteit van de verschillende signaleringsmethodieken kennen en deze toepassen, zowel op het niveau van het individu als van groepen.

  • 2 sp. Preventie, zorg en bescherming

Vooreerst wordt de basiskennis over de gezondheidpsychologie, die eerder in de opleiding verworven werd, ingezet bij het leren ontwikkelen van gepaste strategieën van gezondheidsbevordering en ziektepreventie, zowel in het kader van een individuele als van een collectieve aanpak.

Vervolgens wordt basiskennis over zorg in de eerste lijn, die eerder in de opleiding verworven werd, verder verdiept door meer in detail in te gaan op de gangbare zorg- en verzekeringssystemen in de verschillende settings (preventief en curatief, gezondheid en welzijn, leeftijdspecifiek). De student leert de specificiteit van de verschillende zorg- en verzekeringssystemen kennen, en deze inzichten (in samenhang met de inzichten over wisselwerking tussen omgeving en gezondheid) op een geïntegreerde manier toe te passen vanuit het perspectief van verschillende rollen in de gezondheidszorg.

Examenvorm

Type : Partiële of permanente evaluatie met examen tijdens de examenperiode Evaluatievorm : Schriftelijk, Paper/Werkstuk, Presentatie Vraagvormen : Open vragen, Meerkeuzevragen Leermateriaal : Cursusmateriaal

OLA 1: Omgeving en Gezondheid

Het individueel doorlopen van een online leertraject, waarin van de student verwacht wordt volgens een voorafbepaalde timing leertaken uit te voeren. Na uitvoering van deze leertaken ontvangt de student onmiddellijk online feedback via de computer, ofwel plenair van de docent bij het volgende contactmoment na het doorsturen van de oplossingen. De evaluatie van dit traject is louter formatief.

OLA 2: Preventie, Zorg en Bescherming

Groepsopdracht: uitwerken van een complexe gezinscasus. Het rapport van de groepsopdracht wordt ingediend volgens gestructureerd model, en geëvalueerd op basis van correcte verwerking van de volgende elementen (summatieve evaluatie met groepsscore): - Identificatie en duiding van de wisselwerking tussen omgeving en gezondheid en methodieken van signalering - Uitwerken van een gepaste strategie van gezondheidspromotie en/of ziektepreventie (individueel en/of collectief) - Uittekenen van een zorgpad - Perspectief van een specifieke rol, setting, leeftijdsgroep Presentatie en bespreking van de vermelde groepsopdracht tijdens een integratieworkshop, met afsluitende feedback vanwege de docent.

OLA 1 en OLA2: Geïntegreerde eindtoets

Meerkeuzetoets aangevuld met open vragen aan de hand van een levensechte gezinscasus (individuele score). Deze toets evalueert kennis, inzicht en toepassing met betrekking tot de drie leerdoelen.

Deelname aan de integratieshop is verplicht om aan het examen te kunnen deelnemen.

De volgende deelpunten van de summatieve toets worden binnen het OPO voorzien: - Groepsopdracht (uitwerking, presentatie en bespreking) (score op 10 punten) - Individuele geïntegreerde eindtoets (score op 10 punten)

De eindscore is de optelsom van de deelpunten op een totaal van 20.    

Tips

(Klik hier om tips toe te voegen.)


- Het is een open boek examen.

- Zorg da je de oefeningen op Sofia opnieuw maakt voor het examen. Dit is zeker voldoende om het examen te kunnen. Niets vanbuiten leren dus.

- Breng je cursus voor het examen goed in orde en zorg dat je weet waar alles ongeveer staat. Je hebt niet zoveel tijd op het examen dus zorg dat je voorbereid bent.

- Groepswerk: dit neemt meer tijd in beslag dan je denkt. Lees grondig de handleiding voor je begint op Toledo.

Bestanden

LEES EERST HIER HOE JE BESTANDEN MOET UPLOADEN! Je moet ook een account hebben.

(Klik hier om bestanden toe te voegen.)

Bestand:VerdiepingGezondheidszorg VoorbeeldvragenSchriftelijkeToets Toledo9MEI16.docx

Bestand:Voorbeeldexamen - oplossingen.pdf


Examenvragen

(Klik hier om examenvragen toe te voegen.)

Examenvragen 2017

Examen vrijdag 15/12/2017 - Reeks 2

Meerkeuzevragen

1. Welke bevoegdheid ging na de 6e staatshervorming over van RIZIV naar Vlaamse overheid en zorgkassen?

  a. Ouderenzorg
  b. Ziekenhuizen
  c. Gezondheidsberoepen
  d. Gehandicaptenzorg


2. Horizontale solidariteit is een vorm van

  a. Kanssolidariteit
  b. Subsidiërende solidariteit
  c. Noch kans-, noch subsidiërende solidariteit
  d. Kanssolidariteit en subsidiërende solidariteit


3. Het traditionele gezondheidszorgsysteem is onvoldoende aangepast aan chronisch zieken en vereist specifiek:

  a. Continuïteit van de zorg naast capitatie financiering en verticale aanpak
  b. Continuïteit van de zorg naast pathologiefinanciering en horizontale aanpak
  c. Billijkheid van de zorg naast pathologiefinanciering en verticale aanpak
  d. Billijkheid van de zorg naast prestatie financiëring en horizontale aanpak


4. Kenmerken van het Belgisch gezondheidszorgsysteem

  a. Verplichte ziekteverzekering met vrije keuze van therapie en prijzen bepaalt door artsen en ziekenfondsen 
  b. Verplichte ziekteverzekering met vrije keuze van therapie en prijzen door overheid opgelegd 
  c. Verplichte ziekteverzekering met vrije keuze van zorgverlener en prijzen door overheid opgelegd 
  d. Facultatieve ziekteverzekering met vrije keuze van therapie en prijzen bepaalt door artsen en ziekenfondsen 


5. In het Belgisch gezondheidszorgsysteem worden door de federale overheid de algemene doelstellingen van het gezondheidszorgbeleid geformuleerd en het gezondheidszorgbudget bepaald. De akkoorden en overeenkomsten tussen verzekeraars en verstrekkers voorzien in:

  a. Honorarium en prijzen geneesmiddelen
  b. Prijzen geneesmiddelen
  c. Honorariumtarieven
  d. Honorariumtarieven en hotelkosten voor ziekenhuisopname

6. Gegeven tekst waarbij je moest aangeven welk Hill criterium er niet in aan bod kwam

  a. Biologische gradiënt
  b. Sterkte van associatie 
  c. Plausibiliteit 
  d. Analogie 


7. Welke stelling is niet correct (allemaal vragen over SDQ)

  a. Ouders lijken de toestand van hun kind correct te kunnen inschatten


8. Welke stelling is niet correct (vraag over tabel die in Sofia staat en we niet kregen op het examen)

  a. Bij jongens zijn er meer gedragsproblemen op ... leeftijd, waar meisjes meer emotionele problemen hebben


9. Wat hebben de systemen van Bismarck en Beveridge gemeenschappelijk:

  a. Ontbreken van een horizontaal billijkheid
  b. Financiering via belastingen
  c. Aanwezigheid van een horizontaal en/of verticaal billijkheidsprincipe 
  d. Uniforme rechten van de begunstigden


10. Kaart van Europa waarin er in Centraal-Europa meer chronische aandoeningen voorkomen en dan een tabel met de heritabiliteit van 0,8 van een bepaalde aandoening, wat kun je niet concluderen?

  a. Heritabiliteit van 0,8 betekent dat 80% van de variabiliteit in een kenmerk bepaald wordt door genen in bepaalde omstandigheden
  b. Helemaal geen verband tussen beide


11. Verhaal van buschauffeur. Werkt al 15 jaar schadevrij. Door nieuw dienstrooster was hij overwerkt. Door nieuwe regeling en toenemende verkeerd werd het steeds moeilijker aan het tijdschema te houden. Had al geklaagd bij zijn bazen, maar die gaven er geen gehoor aan. Door oplopende spanning neemt hij geagiteerd risico's die hij vroeger nooit zou hebben genomen. Anderhalve week geleden is Paul ermee gestopt, midden in een dienst. Hij heeft zich ziek gemeld.

Duid aan welke van de vier onderstaande antwoordmogelijkheden niet aanwezig is in de casus:

  a. Werkdruk
  b. Rolambiguïteit/rolconflict
  c. Onvoldoende personeel en middelen
  d. Emotionele belasting


12. Wat klopt met betrekking tot normen en terugbetaling artsen sinds de zesde staatshervorming geldt dat:

  a. Planning door gemeenschappen; erkenning en normering is federale bevoegdheid
  b. Erkinning door gemeenschappen; normering en planning is een federale bevoegdheid
  c. Planning en erkenning door gemeenschappen; normering is een federale bevoegdheid
  d. Planning, erkenning en normering door gemeenschappen 


13. Een beleid dat het gedeeltelijk en geleidelijk hervatten van een beroepsactiviteit stimuleert van een arbeidsongeschikte persoon is gericht op

  a. Vergoeding van schade
  b. Herstel van schade
  c. Preventie van schade
  d. Preventie, herstel en vergoeding van schade


14. De tewerkstelling en beroepsopleiding van personen met een handicap behoort tot de bevoegdheid van

  a. De gemeenschappen
  b. De gewesten
  c. De gemeenten
  d. De federale overheid


15. Een laaggeschoolde heeft meer kans om ziek te worden dan een hooggeschoolde. Toch betalen ze beiden bijna hetzelfde bijdragepercentage om tegen die risico's verzekerd te zijn. Dit solidariteitsprincipe staat bekend onder:

  a. Verticale solidariteit
  b. Horizontale solidariteit
  c. Nationale solidariteit
  d. Solidariteit tussen personen


16. Stuk tekst waar je Hill criteria moest toepassen en zeggen wat er niet in voor kwam:

  a. Sterkte
  b. Biologische gradiënt
  c. Plausibiliteit
  d. Analogie


17. Casus Jan, welke stelling klopt niet?

Jan, 68 jaar getrouwd, drie kinderen. Heeft darmkanker gehad, nu gestopt met roken. Sinds kanker beginnen wandelen, fietsen en gezond eten. Tijd later CVA met verlamming linker lichaamshelft, herstelt vrij goed maar sleept nog met been en minder kracht in hand.

Volgt kine en probeert nog actief te zijn samen met vrienden. Kan niet meer fietsen. Veel steun door vrouw en leeftijdsgenoten die het soms nog erger hebben. Prijst zich gelukkig dat het al bij al nog goed met hem gaat in vergelijking met sommige van zijn leeftijdsgenoten. Een goede vriend heeft twee jaar geleden ook een CVA doorgemaakt, waarvan hij nog steeds eenzijdig verlamd is, en nauwelijks in staat is om een gesprek te voeren.

Wanneer de huisarts hem, in het kader van een algemene beoordeling van zijn gezondheid, vraag 'wat hij van zijn eigen gezondheid vindt', antwoordt Jan 'goed' op een schaal van 'zeer slecht' tot 'zeer goed'.

Wat is niet correct:

  a. Omdat Jan een vriend heeft die er zelfs slechter aan toe is, is dat een factor die meespeelt in het ervaren van zijn eigen gezondheid 
  b. De gezonde leefstijl van Jan (beweging, gezonde voeding) zijn contextuele factoren die meespelen in het ervaren van zijn gezondheid 
  c. Omdat Jan blij is dat het nog goed gaat in vergelijking met anderen, is een contextuele factor die meespeelt in het ervaren van zijn eigen gezondheid 
  d. In deze casus zijn zowel objectieve als contextuele factoren belangrijk in hoe Jan zijn eigen gezondheid ervaart 


18. Welke van de onderstaande stellingen is de enige die niet correct is?

  a. De SDQ geeft niet alleen zich op mogelijke psychische problemen, maar bevat ook items die verband houden met positieve aspecten van psychische gezondheid
  b. De score op de hogere-ordeschaal Totale Problemen met de SDQ is een goede voorspeller van klinische gediagnosticeerde psychosociale problematiek
  c. Uit bevraging van ouders met SDQ blijkt dat zij een goed beeld hebben van de sterkten en moeilijkheden die hun 12-jarig kind rapporteert via SDQ
  d. Twaalfjarige jongens scoren opvallend hoger op de SDQ-schaal aandachts- en concentratieproblemen, terwijl dit bij meisjes van dezelfde leeftijd het geval is voor de SDQ-schaal emotionele problemen


19. Welke van de onderstaande stellingen is de enige die correct is?

  a. De totale vermijdbare sterfte in een bepaald kalenderjaar en leeftijdsgroep is de som van de voorkomen en behandelde sterfte in dat jaar en leeftijdsgroep
  b. Naast medische interventies en gezondheidsprogramma's spelen onder meer ook sociaaleconomische verschillen, en percepties en bezorgdheden, een rol bij de reële vermeden sterfte in een bepaald kalenderjaar en leeftijdsgroep
  c. Het toepassen van bepaalde gezondheidszorg maatregelen of programma's geeft meestal op korte termijn aanleiding tot een toename vna de vermeden sterfte in een bepaald kalenderjaar en leeftijdsgroep
  d. Te voorkomen sterfte is onder meer het gevolg van vroegtijdige opsporing (bv. bevolkingsonderzoeken)


Open vragen

Opnieuw casus Joke (staat reeds vermeld op Toledo)



Examenvragen 2016

VRAAG 1: CASUS JOKE

Vrouw, 44 jaar, Bechterew, beschrijving over werksituatie en thuissituatie,...

- Geef 3 sociale determinanten uit verschillende onderdelen van CSDH model, die een effect kunnen hebben op de gezondheidstoestand. Welke plaats hebben deze in het model?

- Loopt Joke risico op een burn-out? Argumenteer

- ICF kader invullen

VRAAG 2:

Cijfers over VPJ en vermijdbare sterfte krijgen we, voor verschillende groepen van doodsoorzaken

-Kies 1 onderwerp voor gezondheidspromotiecampagne. Motiveer waarom dit onderwerp

-Geef determinanten die de effectiviteit van de campagne mee zullen bepalen. Concreet zijn!

--met betrekking tot individu (3 determinanten geven)

--met betrekking tot omgeving (3 determinanten geven)

-Geef een intermediaire outcome en final outcome die je zou bekijken bij je campagne

VRAAG 3: Bradford Hill

Bradford Hill-termen toepassen op onderzoek over borstkanker bij mensen die in ploegensysteem werken

VRAAG 4: GRAFIEK

Grafiek over relatie tussen self-reported-health en opleidingsniveau.

Self-reported health was lager bij lagere opleidingsniveaus (af te leiden uit grafiek)

Bespreek deze grafiek

VRAAG 5: MEERKEUZE

4 stellingen over heritabiliteit, tweelingstudies... Zeggen welke het meest correct is


Casus 1 :

  • Jan is 68 jaar en op pensioen. Hij heeft een voorgeschiedenis van darmkanker en een CVA. Hij was linkszijdig verlamd en herstelde goed door revalidatie. Hij heeft nu nog sequellen van zijn CVA. Hij volgt intensieve kiné en neemt onderhouds anticoagulantia. Jan vindt zelf dat hij elke dag verbetering kent en wordt hierin gesteund door zijn vrouw. Hij gaat dagelijks wandelen met vrienden die zelf ook minder goed ter been zijn. Hij heeft een vriend die ook een CVA heeft gehad en er veel erger aan toe is. Jan vindt dat hij er beter aan toe is dan zijn leeftijdsgenoten. Hij kan niet meer fietsen en hij heeft weinig kracht in zijn linker hand. Als de dokter hem vraagt hoe Jan zijn gezondheid ervaart op schaal van ‘zeer goed’ tot ‘zeer slecht’, antwoordt Jan ‘goed’. Wat bepaalt Jan zijn (objectieve) gezondheid?
  • Wat bepaalt hoe Jan zelf zijn gezondheid beoordeelt?
  • Welke contextuele factoren dragen bij tot Jan zijn subjectieve gezondheidsbeoordeling?
  • Wat kan je hier uit concluderen?

Jan volgt kiné en neemt anticoagulantia, dit hoort bij:

  • Anatomische en functionele
  • Externe factoren
  • Persoonlijkheidsfactoren
  • Activiteiten en participatie
  • Jan kan niet meer fietsen, dit hoort bij:
  • Anatomische en functionele
  • Externe factoren
  • Persoonlijkheidsfactoren
  • Activiteiten en participatie
  • Jan heeft verminderde kracht in zijn linker hand, dit hoort bij:
  • Anatomische en functionele
  • Externe factoren
  • Persoonlijkheidsfactoren
  • Activiteiten en participatie

Casus 2:

  • Paul is buschauffeur. Hij deed zijn werk altijd graag en goed. Door de verandering van dienstregeling en toegenomen verkeer heeft hij veel werkdruk. De passagiers zijn vaak ontevreden. Hij heeft het probleem al aangekaart bij zijn leidinggevende, maar hier krijgt hij geen gehoor. Hij is vorige week plots gestopt met werken omdat een vrouw van haar tak maakte toen ze viel op de bus.
  • Welke determinanten herken je in deze casus over burn-out?
  • Hoe kan een burn-out bij Paul voorkomen worden, als je de factoren van de vorige vraag in rekening neemt?

Vraag Gezondheidspromotie

  • Gegeven tabel met cijfers over vermijdbare sterften (longkanker, Levercirrose, huidkanker, ischemische hartziekten, verkeersongevallen). Neem een van deze doodsoorzaken naar keuze. Je wilt een programma voor gezondheidspromotie opstellen om deze vermijdbare doodsoorzaak te verminderen.
  • Welke persoonlijke (noem er 3) en contextuele (noem er 3) determinanten spelen een rol in het programma?
  • Wat is je intermediair en uiteindelijk doel van je programma en verklaar kort.
  • p. 30 van laatste les: intermediaire health outcomes: health lifestyles, effective health services, healthy environments. Uiteindelijke doel: mortaliteitsdaling

Vraag tuberculose

  • Gegeven is een schema van de etiologie van tuberculose.
  • Met infectie-experimenten kun je besluiten uit het etiologisch schema van tuberculose over de causale rol van de tuberculosebacil in tuberculose?

Vraag met kaart van Europa

  • Kaart van Europa over risico op armoede en subjectieve gezondheid met 4 stellingen: welke is niet correct?